Strafrecht overig
OM-cassatie. Vrijspraak medeplegen invoer van grote hoeveelheid cocaïne (art. 2.A Opiumwet), medeplegen…
ECLI:NL:HR:2021:161 · Hoge Raad · 2 februari 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2021-161
Zaakgegevens
Op 2 februari 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 februari 2021
- Datum publicatie
- 29 januari 2021
- Zaaknummer
- 19/04630
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2021:161
Samenvatting
OM-cassatie. Vrijspraak medeplegen invoer van grote hoeveelheid cocaïne (art. 2.A Opiumwet), medeplegen voorbereiding van cocaïnetransport (art. 10a Opiumwet) en medeplegen vervoeren van cocaïne (art. 2.B Opiumwet) in 2007 o.g.v. bewijsuitsluiting. Processuele voorvraag. Had cassatieberoep OM ex art. 433.1 Sv aan verdachte in persoon moeten worden aangezegd? HR: Op redenen vermeld in CAG kan zaak o.g.v. art. 434.3 Sv nog niet door HR worden behandeld. CAG: Nu uit zaaksdossier niet kan worden afgeleid dat verdachte op de hoogte is van het door OM ingestelde cassatieberoep, verzet art. 434.3 Sv zich tegen voortgang van zaak in cassatie. Ratio van dit art. is immers dat verdachte, nadat hij bekend is geworden met ingesteld cassatieberoep, mogelijkheid krijgt om zich tegen dit beroep te verweren en hiertegen incidenteel beroep in cassatie in te stellen. Die mogelijkheid mag verdachte niet worden onthouden. HR voert zaak van de rol. Samenhang met 19/04632 en ECLI:NL:HR:2014:1451.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 april 2013
ECLI:NL:GHSHE:2013:1881Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 3 november 2020
ECLI:NL:PHR:2020:1007Hoge Raad · 2 februari 2021deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2021:161
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 april 2024
ECLI:NL:PHR:2024:455Hoge Raad · 4 juni 2024
ECLI:NL:HR:2024:803
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/04630
Datum 2 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 april 2013, nummer 20/000225-10, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat de onderhavige zaak van de rol wordt gevoerd.
2 Beoordeling van de voortgang van de procedure
Voor de beoordeling van de voortgang van de procedure in cassatie zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 433 lid 1 Wetboek van Strafvordering (hierna Sv):
“Indien alleen het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt het beroep aan de verdachte in persoon aangezegd, tenzij zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het beroep de verdachte bekend is.”
- Artikel 434 lid 1 en lid 3 Sv:
“1. De griffier van het gerecht, dat het vonnis of arrest heeft gewezen waartegen beroep in cassatie is ingesteld, zendt de stukken van het geding zo spoedig mogelijk aan de griffier van de Hoge Raad.
3. Indien alleen het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, geschiedt de inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaats gehad, geen gevolg gegeven, dan nadat de in het eerste lid van artikel 433 bedoelde aanzegging heeft plaats gevonden of zich enige andere omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het beroep de verdachte bekend is.”
Op grond van artikel 434 lid 3 Sv kan de zaak nog niet door de Hoge Raad worden behandeld. De redenen daarvoor zijn vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. De zaak zal daarom van de rol worden gevoerd.
3 Beslissing
De Hoge Raad voert de zaak van de rol.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2021.