Strafrecht overig
Beklag ex art. 552a Sv strekkende tot teruggave van onder klagers ter uitvoering van rechtshulpverzoek van…
ECLI:NL:HR:2021:1831 · Hoge Raad · 7 december 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2021-1831
Zaakgegevens
Op 7 december 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 december 2021
- Datum publicatie
- 6 december 2021
- Zaaknummer
- 20/04423
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2021:1831
Samenvatting
Beklag ex art. 552a Sv strekkende tot teruggave van onder klagers ter uitvoering van rechtshulpverzoek van Roemeense autoriteiten inbeslaggenomen voorwerpen. 1. Cassatieberoep klager A. Geen schriftuur. 2. Cassatieberoep overige klagers. Verzet belang van strafvordering zich tegen teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen?
Ad 1. Geen middelen ingediend, klager n-o.
Ad 2. HR: art. 81.1 RO.
Samenhang met 20/04422 B.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 november 2021
ECLI:NL:PHR:2021:1147Hoge Raad · 7 december 2021deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2021:1831
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/04423 Br
Datum 7 december 2021
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland van 30 november 2020, nummer RK 19/39, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager 1] , geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ] 1966,
[klager 2] , geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ] 1992.
[klager 3] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[klager 4] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[klager 5] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[klager 6] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klagers.
1.Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klagers. Namens de klager [klager 2] , geboren op [geboortedatum ] 1992, zijn geen cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de overige klagers heeft N. Gonzalez Bos, advocaat te Den Haag, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft in deze laatste zaak geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de klager [klager 2]
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de klager een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de klager niet in behandeling kan nemen (zie artikel 447 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de overige klagers zijn ingediend
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep van de klager [klager 2] niet-ontvankelijk;
- verwerpt het beroep dat is ingesteld door de overige klagers.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2021.