Strafrecht overig

Eenvoudig belediging (art. 266.1 Sr). Vordering tot tenuitvoerlegging. Kon hof tul van eerder voorwaardelijk…

Zaakgegevens

Op 21 december 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 december 2021
Datum publicatie
17 december 2021
Zaaknummer
20/02982
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1936
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Eenvoudig belediging (art. 266.1 Sr). Vordering tot tenuitvoerlegging. Kon hof tul van eerder voorwaardelijk opgelegde straf gelasten bij veroordeling voor feit dat is begaan vóór oplegging van voorwaardelijke straf? Mede gelet op bewoordingen van art. 14c.1 Sr en ratio van algemene voorwaarde, moet worden aangenomen dat tul van voorwaardelijk opgelegde straf vanwege niet naleving van algemene voorwaarde niet kan worden gelast t.z.v. strafbaar feit waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt vóór uitspraak waarbij voorwaardelijke straf is opgelegd (vgl. HR:2009:BJ7258). In aanmerking genomen dat bewezenverklaard feit is begaan op 12-4-2017 en vonnis waarbij voorwaardelijke straf waarvan tul is gevorderd is opgelegd dateert van latere datum (19-1-2018), had hof dus niet tul van die straf mogen gelasten.

Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. beslissing op vordering tul en afwijzing van vordering tul.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 7 september 2020

    ECLI:NL:GHAMS:2020:4030
  2. Conclusie A-G · 9 november 2021

    ECLI:NL:PHR:2021:932
  3. Hoge Raad · 21 december 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2021:1936

    Overig

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/02982

Datum 21 december 2021

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 september 2020, nummer 23-003188-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M.M. Heilbron, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf, opgelegd bij vonnis van 19 januari 2018, alsnog af te wijzen.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf.

2.2

Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor een op 12 april 2017 begaan strafbaar feit. Verder heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 19 januari 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand toegewezen. De uitspraak van het hof houdt hierover het volgende in:

“Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2018, parketnummer 13-684317-17, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.”

2.3

Artikel 14c lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.”

2.4.1

Mede gelet op de bewoordingen van artikel 14c lid 1 Sr en de ratio van de algemene voorwaarde, moet worden aangenomen dat de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf vanwege niet naleving van de algemene voorwaarde niet kan worden gelast ter zake van een strafbaar feit waaraan de verdachte zich heeft schuldig gemaakt vóór de uitspraak waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd (vgl. HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7258).

2.4.2

In aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde feit is begaan op 12 april 2017 en dat het vonnis waarbij de voorwaardelijke straf waarvan de tenuitvoerlegging is gevorderd is opgelegd, dateert van een latere datum, te weten 19 januari 2018, had het hof dus niet de tenuitvoerlegging van die straf mogen gelasten.

2.5

Het cassatiemiddel is gegrond. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 19 januari 2018, parketnummer 13-684317-17, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van die straf;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 december 2021.