Strafrecht overig

Medeplegen opzettelijk iemand wederrechtelijk van vrijheid beroven en beroofd houden (art. 282.1 Sr) en…

Zaakgegevens

Op 3 september 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 september 2024
Datum publicatie
30 augustus 2024
Zaaknummer
22/04604
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1108
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen opzettelijk iemand wederrechtelijk van vrijheid beroven en beroofd houden (art. 282.1 Sr) en medeplegen mishandeling met voorbedachte raad (art. 301.1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Denaturering van verweer over alibi van verdachte. 2. Kon hof oordelen dat verweer geen steun vindt in verklaringen van getuigen of telecomgegevens? 3. Gebruik voor bewijs van tegen medeverdachte gewezen arrest. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Klachten missen feitelijke grondslag omdat bedoeld verweer niet is gevoerd. Mede gelet op art. 359.3 Sv kan omstandigheid dat medeverdachte (ook) is veroordeeld voor medeplegen opzettelijke en wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen mishandeling van slachtoffer niet redengevend zijn voor bewijs dat verdachte de in zijn zaak tlgd. feiten heeft gepleegd, maar ook met weglating van dit bewijsmiddel is bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.

Volgt verwerping.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 8 december 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3481
  2. Conclusie A-G · 21 mei 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:506
  3. Hoge Raad · 3 september 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1108

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04604

Datum 3 september 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 december 2022, nummer 23-000408-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 16.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

3.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2024.