Strafrecht overig

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op camper, auto, leasecontract, administratie en meerdere iphones…

Zaakgegevens

Op 24 september 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 september 2024
Datum publicatie
2 september 2024
Zaaknummer
23/04560
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1121
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op camper, auto, leasecontract, administratie en meerdere iphones onder klager t.z.v. verdenking van overtreding van Opiumwet en witwassen. Motivering gegrondverklaring klaagschrift en summier karakter onderzoek in raadkamer. Heeft Rb (enkelvoudige raadkamer) door te oordelen dat niet is gebleken dat strafvorderlijk belang voortduring van beslag vergt, gegrondverklaring van klaagschrift toereikend gemotiveerd gelet op wat OvJ in schriftelijk standpunt en bij behandeling in raadkamer heeft aangevoerd en heeft Rb voldoende onderkend dat onderzoek in raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt? HR: Gelet op de in CAG genoemde rechtspraak van HR en daarin besproken motiveringsgebrek in beschikking van Rb slaagt middel. CAG: Beklagrechter neemt beslissing tot opheffing van beslag o.b.v. incompleet dossier en lijkt van oordeel te zijn dat van verdenking van witwassen geen sprake meer is. Gelet op wat OM naar voren heeft gebracht, te weten dat (i) klager wordt verdacht van witwassen, (ii) in beslag genomen camper en auto vermoedelijk voorwerpen van witwassen betreft, (iii) strafrechtelijk onderzoek naar uitgavenpatroon van klager en namens hem overgelegde stukken nog loopt, en (iv) OM voornemens is in strafzaak tegen klager verbeurdverklaring van camper en auto te vorderen, is op voorhand niet ondenkbaar dat in strafprocedure de verklaring van klager wordt weerlegd en strafrechter anders zal oordelen over vraag of sprake is van witwassen. Oordeel Rb dat niet (op andere wijze) is gebleken dat strafvorderlijk belang voortduring van beslag vergt is, mede gelet op wat door OM naar voren is gebracht, ontoereikend gemotiveerd.

Volgt vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 juni 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:621
  2. Hoge Raad · 24 september 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1121

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04560 B

Datum 24 september 2024

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 augustus 2023, nummer RK 23/012765, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vergt.

2.2

Het procesverloop, de door de klager en het openbaar ministerie ingenomen standpunten en het oordeel van de rechtbank zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.6.

2.3

Gelet op de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3-3.5 genoemde rechtspraak van de Hoge Raad en het daarin onder 3.7 en 3.8 besproken motiveringsgebrek in de beschikking van de rechtbank, slaagt het cassatiemiddel in zoverre. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2024.