Strafrecht overig

Medeplegen diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Uitdrukkelijk onderbouwd…

Zaakgegevens

Op 17 december 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17 december 2024
Datum publicatie
9 december 2024
Zaaknummer
22/02818
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1833
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over betrouwbaarheid van verklaringen van aangever en getuige, art. 359.2 Sv. Is oordeel hof dat verklaringen van aangever en getuige betrouwbaar zijn toereikend gemotiveerd? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof is op groot aantal onderdelen van verweer expliciet ingegaan. Daarbij komt dat hof aan verwerping van verweer extra kracht heeft gegeven door te wijzen op aanwezig (steun)bewijs. Hof heeft ruimschoots voldaan aan eisen die worden gesteld aan verwerping van verweer, ook als aangenomen moet worden dat hof dit heeft aangemerkt als uos a.b.i. art. 359.2 Sv. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Volgt verwerping. Samenhang met 22/02819.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 15 oktober 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:1059
  2. Hoge Raad · 17 december 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1833

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02818

Datum 17 december 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2022, nummer 21-004000-20, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.H. Rump, advocaat in Zwolle, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde straf volgens de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever en de getuige [betrokkene 1] .

2.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk en de taakstraf van 240 uren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2024.