Strafrecht overig
Poging tot moord op ex-vrouw door in 2020 in Houten meerdere keren met bijl tegen haar hoofd en lichaam te…
ECLI:NL:HR:2024:235 · Hoge Raad · 13 februari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-235
Zaakgegevens
Op 13 februari 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 februari 2024
- Datum publicatie
- 13 februari 2024
- Zaaknummer
- 23/00018
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:235
Samenvatting
Poging tot moord op ex-vrouw door in 2020 in Houten meerdere keren met bijl tegen haar hoofd en lichaam te slaan (art. 289 Sr). Teruggave ten behoeve van rechthebbende van inbeslaggenomen voorwerpen (telefoon, schoeisel en kleding), art. 353 Sv. Hof heeft in zijn beslissing de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen “aan de rechthebbende” gelast. O.g.v. art. 353.2 Sv had hof echter moeten gelasten a) dat die voorwerpen worden teruggegeven aan degene bij wie ze in beslag zijn genomen, of b) dat zij worden teruggegeven aan ander die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, of (als geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt) c) bewaring van voorwerp t.b.v. rechthebbende (vgl. HR:2006:AU5785). Nu hof niet heeft vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren, moet het ervoor worden gehouden dat hof heeft bedoeld bewaring t.b.v. rechthebbende te gelasten. HR leest ‘s hofs beslissing in zoverre verbeterd.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 23 december 2022
ECLI:NL:GHARL:2022:11177Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 19 december 2023
ECLI:NL:PHR:2023:1134Hoge Raad · 13 februari 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:235
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00018
Datum 13 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2022, nummer 21-003203-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste tot en met het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
Het middel klaagt dat het hof van de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen ten onrechte de teruggave ten behoeve van de rechthebbende heeft gelast.
De uitspraak van het hof houdt onder meer het volgende in:
“Inbeslaggenomen goederen
Het primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven bijl. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Van de overige inbeslaggenomen goederen zal teruggave aan de rechthebbende worden gelast.
(...)
Beslissing
Het hof
(...)
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Bijl (G2715015).
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet
teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Geluidsdrager, telefoon, zwart, merk Iphone (G2714994);
- 1 STK Schoeisel, blauw, Asics (G2714997);
- 1 STK Kleding, Trui, grijs (G2715007);
- 1 STK Kleding, Broek (G2715008);
- 1 STK Kleding, Shirt met rits (G2715013);
- 1 STK Kleding, Vest (G2715015);
- l Personenauto, kenteken: [kenteken] , zwart, Audi (G662173);
- 1 STK Kleding, Manchet (G2715122);
- 2 STK Papieren zakken (G2715364);
- 1 STK Kleding, Jas, blauw (G2715371);
- 1 STK Kleding, Broek, blauw (G2715372);
- 1 STK Kleding, Trui, blauw (G2715373);
- 1 STK Kleding, Ondergoed, wit (G2715374);
- 1 STK Schoeisel, 1 Schoen en 2 sokken (G2715375);
- 1 STK Mondkap (G2716293).”
Artikel 353 leden 1 en 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. In het geval van (...) oplegging van straf of maatregel (...) neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. (...)
2. De rechtbank gelast, (...)
a. de teruggave van het voorwerp aan degene bij wie het in beslag is genomen;
b. de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; of
c. indien geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende.”
Het hof heeft in zijn onder 3.2 weergegeven beslissing de teruggave van de daar genoemde inbeslaggenomen voorwerpen “aan de rechthebbende” gelast. Op grond van artikel 353 lid 2 Sv had het hof echter moeten gelasten a) dat die voorwerpen worden teruggegeven aan degene bij wie ze in beslag zijn genomen, of b) dat zij worden teruggegeven aan een ander die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, of – als geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt – c) de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende (vgl. HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5785). Nu het hof niet heeft vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren, moet het ervoor worden gehouden dat het hof heeft bedoeld de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te gelasten. De Hoge Raad leest de beslissing van het hof in zoverre verbeterd. Het cassatiemiddel faalt daarom wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2024.