Strafrecht overig

Mishandeling, art. 300.1 Sr. Vordering benadeelde partij. Proceskosten, art. 532 Sv. Moest hof toewijzing…

Zaakgegevens

Op 18 juni 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 juni 2024
Datum publicatie
17 juni 2024
Zaaknummer
22/01489
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:898
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Mishandeling, art. 300.1 Sr. Vordering benadeelde partij. Proceskosten, art. 532 Sv. Moest hof toewijzing werkelijke proceskosten van b.p. (€ 2.322,18 advocaatkosten) in afwijking van liquidatietarief motiveren?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 12 april 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3926
  2. Conclusie A-G · 9 april 2024

    ECLI:NL:PHR:2024:396
  3. Hoge Raad · 18 juni 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:898

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01489

Datum 18 juni 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2022, nummer 23-003600-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat in Arnhem, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van veertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2024.