Strafrecht overig
Witwassen van geldbedrag (€ 17.000), art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Kan klacht dat hof…
ECLI:NL:HR:2025:1066 · Hoge Raad · 8 juli 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-1066
Zaakgegevens
Op 8 juli 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juli 2025
- Datum publicatie
- 1 juli 2025
- Zaaknummer
- 23/03634
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1066
Samenvatting
Witwassen van geldbedrag (€ 17.000), art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Kan klacht dat hof niet kon volstaan met constatering van vormverzuim m.b.t. identiteitsfouillering o.g.v. art. 55b Sv en dat dit niet hoeft te leiden tot bewijsuitsluiting, worden aangemerkt als middel? 2. Bewijsklacht afkomstig uit enig misdrijf. Kan bewezenverklaring van witwassen steunen op witwasvermoeden dat niet is ontzenuwd?
Ad 1. Als cassatierechter onderzoekt HR alleen cassatiemiddelen a.b.i. wet. Als zodanig middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen. Klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft vastgesteld dat in broekzak van verdachte een contant geldbedrag is aangetroffen van € 17.000, bestaande uit verschillende coupures, waaronder meerdere 500, 200 en 100 eurobiljetten. Uit feiten en omstandigheden dat (i) het op zak hebben van dergelijke hoeveelheid contant geld in openbaar ongebruikelijk is, (ii) verdachte geen legale inkomsten in Nederland kan hebben gehad en (iii) grote coupures ongebruikelijk zijn in normaal betalingsverkeer, heeft hof afgeleid dat sprake is van vermoeden van witwassen. Dat is niet onbegrijpelijk gezien f&o die hof aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Vervolgens heeft hof overwogen dat door verdachte gegeven verklaringen over herkomst van geld dusdanig wisselend en onduidelijk zijn dat niet kan worden gesproken van concrete en min of meer verifieerbare verklaring en dat verdachte ook geen aanknopingspunten heeft gegeven voor OM om nader onderzoek te kunnen doen. Hof heeft hiermee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. ’s Hofs oordeel dat verdachte het witwasvermoeden niet heeft ontzenuwd en dat het (mede gelet op hiervoor genoemde f&o die bewijs voor witwassen opleveren) niet anders kan zijn dan dat geld afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dit wist, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting. Bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.
Volgt verwerping. CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (eisen aan schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van cassatieberoep van advocaat aan griffiemedewerker bij e-mailbericht).
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 5 september 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:2050Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 mei 2025
ECLI:NL:PHR:2025:789Hoge Raad · 8 juli 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1066
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03634
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 september 2023, nummer 23-001332-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G.E.M. Later bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De als cassatiemiddel 1 aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.2 tot en met 5.12.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.