Strafrecht overig
Diefstal d.m.v. aannemen valse hoedanigheid (art. 311.1.5 Sr) door via babbeltruc woning slachtoffer binnen…
ECLI:NL:HR:2025:1118 · Hoge Raad · 8 juli 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-1118
Zaakgegevens
Op 8 juli 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juli 2025
- Datum publicatie
- 8 juli 2025
- Zaaknummer
- 23/03272
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:1118
Samenvatting
Diefstal d.m.v. aannemen valse hoedanigheid (art. 311.1.5 Sr) door via babbeltruc woning slachtoffer binnen te treden. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW?
HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft niet vastgesteld dat b.p. geestelijk letsel heeft opgelopen. Inzake aard en ernst van normschending heeft hof vastgesteld dat sprake is van ‘diefstal, waarbij schuldige zich toegang tot plaats van misdrijf heeft verschaft d.m.v. aannemen van valse hoedanigheid’. Wat gevolgen betreft heeft hof vastgesteld dat kluis met geld en sieraden zijn weggenomen, dat b.p. ‘gevoelens van angst, schuld en wantrouwen (heeft) bekomen’, dat zij een alarmknop heeft gekregen en dat zij geen onbekenden meer durft toe te laten in haar woning. Die vaststellingen zijn niet toereikend om aan te nemen dat b.p. ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast, in aanmerking genomen dat in HR:2019:1465 is overwogen dat ‘niet is uitgesloten’ dat inbraak in woning ‘dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor aannemen van aantasting in persoon’. Deze formulering duidt op regel waarop in bijzondere omstandigheden uitzondering mogelijk is. Gevolgen die diefstal (zonder geweld) in onderhavige zaak voor b.p. heeft gehad, zijn niet dermate ingrijpend (en van gebruikelijke gevolgen afwijkend) dat zij uitzondering op regel rechtvaardigen. Mede in licht van HR:2019:793 en op wat ter onderbouwing van vordering b.p. tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 is aangevoerd, moet worden aangenomen dat hernieuwde behandeling van zaak na vernietiging door HR teneinde uitsluitend hierover opnieuw te oordelen, onevenredige belasting van strafgeding oplevert.
HR doet zaak zelf af en bepaalt dat bedrag waarvoor vordering b.p. is toegewezen € 20.000 bedraagt en dat schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag, verklaart t.a.v. schadevergoedingsmaatregel dat o.g.v. 6:4:20 Sv gijzeling van 135 dagen kan worden toegepast, en verklaart b.p. voor het overige n-o in haar vordering.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 22 augustus 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:1977Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 27 mei 2025
ECLI:NL:PHR:2025:780Hoge Raad · 8 juli 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:1118
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03272
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 augustus 2023, nummer 23-002863-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 20.500,00 en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd en (ii) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel is bepaald dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 137 dagen kan worden toegepast, tot het bepalen dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 20.000,- bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag, en dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van ten hoogste 135 dagen kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij [benadeelde 1] en over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 14 tot en met 18. Om de redenen zoals vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 20, zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen tot een bedrag van € 20.500 en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van dat slachtoffer is opgelegd en (ii) wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan deze schadevergoedingsmaatregel;
- bepaalt dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen € 20.000 bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel tot betaling aan de Staat is opgelegd voor dat bedrag, verklaart ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregel dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van 135 dagen kan worden toegepast, en verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.