Strafrecht overig

Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer van cocaïne d.m.v. zeilboten vanuit Caraïbisch gebied…

Zaakgegevens

Op 30 september 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30 september 2025
Datum publicatie
26 september 2025
Zaaknummer
22/04631
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1395
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. invoer van cocaïne d.m.v. zeilboten vanuit Caraïbisch gebied (art. 10a.1 Opiumwet), deelname aan criminele organisatie (art. 11a (oud) Opiumwet) en medeplegen witwassen van zeilboot (art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht voorbereidingshandelingen en deelname aan criminele organisatie t.a.v. opzet. 2. Bewijsklacht voorbereidingshandelingen t.a.v. medeplegen. 3. Bewijsklacht witwassen t.a.v. afkomstig uit enig misdrijf. Heeft verdachte concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring gegeven over herkomst van geld waarmee hij deel van aankoopsom van zeilboot heeft voldaan?

HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie.

Volgt verwerping. Samenhang met 22/04610, 22/04624, 22/04742 en 23/04964.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 8 december 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3885
  2. Conclusie A-G · 15 juli 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1035
  3. Hoge Raad · 30 september 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1395

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/04631

Datum 30 september 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 december 2022, nummer 23-000182-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde.

2.2

De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6 tot en met 46.

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 32 maanden.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.