Strafrecht overig

Medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen, art. 420ter jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in…

Zaakgegevens

Op 25 november 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 november 2025
Datum publicatie
25 november 2025
Zaaknummer
23/02576
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:1778
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen gewoontewitwassen van geldbedragen, art. 420ter jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht medeplegen. 2. Bewijsklacht. Kon hof oordelen dat uit “belastingontduiking” verkregen gelden niet individualiseerbaar zijn?

HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Opvatting dat voor bewezenverklaring van medeplegen gewoontewitwassen is vereist dat wordt bewezen dat verdachte een gronddelict (niet doen van belastingaangifte, meermalen gepleegd) heeft medegepleegd, vindt geen steun in recht. Bewezenverklaring is om die reden niet ontoereikend gemotiveerd. Voorts volgt bewezenverklaring uit bewijsvoering. Ad 2. ’s Hofs oordeel komt erop neer dat (wegens o.m. ontbreken van behoorlijke administratie) niet is te achterhalen hoeveel legale inkomsten medeverdachte uit zijn onderneming heeft gekregen en hoeveel kosten hij daarbij heeft gemaakt, waardoor niet valt vast te stellen hoeveel belasting had moeten worden afgedragen. Hof heeft standpunt van verdediging dat op bankrekening contant gestort bedrag van € 184.295 volledig afkomstig was van theorielessen, niet bevestigd en uit voorgaande volgt dat door hof gegeven motivering de verwerping van dit standpunt impliceert. Een en ander betekent dat inderdaad niet individualiseerbaar is welk deel van dit bedrag aan belastingen had moeten worden betaald en dus om die reden afkomstig is van misdrijf (belastingontduiking). Maar ook wanneer bedrag aan contante stortingen op bankrekening van in totaal € 184.295 wel “volledig afkomstig” zou zijn geweest van theorielessen, brengt dat niet met zich mee dat individualiseerbaar is welk deel daarvan aan belastingen betaald had moeten worden en om die reden afkomstig is van belastingontduiking. A.g.v. ontbreken van behoorlijke administratie inzake o.m. inkomsten en kosten, valt ook dan immers niet precies vast te stellen welk bedrag aan belastingen had moeten worden afgedragen. ’s Hofs oordeel is, mede gelet op hetgeen in hoger beroep door raadsman is aangevoerd en in het licht van HR:2020:1377 en HR:2010:BN0578, niet ontoereikend gemotiveerd.

Volgt verwerping. Samenhang met 23/02569.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 3 juli 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:1567
  2. Conclusie A-G · 4 november 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:968
  3. Hoge Raad · 25 november 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:1778

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02576

Datum 25 november 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2023, nummer 23-001764-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat C.C. Polat bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1

De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het bewezenverklaarde.

2.2

De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 en 3.4. De bewezenverklaring steunt verder op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in (de aanvulling op) het arrest van het hof.

2.3

De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.5 en 3.6 en 4.2 tot en met 4.5.

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en drie weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.