Strafrecht overig

Medeplegen poging tot afpersing (straatroof), art. 317.3 jo. 312.2.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg…

Zaakgegevens

Op 18 februari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 februari 2025
Datum publicatie
14 februari 2025
Zaaknummer
22/03622
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:268
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen poging tot afpersing (straatroof), art. 317.3 jo. 312.2.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 437.2 Sv. Kunnen klachten over ’s hofs arrest en bewezenverklaring worden aangemerkt als cassatiemiddelen? Als cassatierechter onderzoekt HR alleen cassatiemiddelen a.b.i. wet. Als zodanig middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen. Schriftuur en aanvullingen daarop voldoen niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moeten blijven.

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. CAG (strekking): art. 80a RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 21 september 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:2732
  2. Conclusie A-G · 21 januari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:84
  3. Hoge Raad · 18 februari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:268

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/03622

Datum 18 februari 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 september 2022, nummer 23-002148-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, een schriftuur (en aanvullingen daarop) ingediend.

De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep

2.1

Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur (en de aanvullingen daarop) voldoen niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moeten blijven.

2.2

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.