Strafrecht overig
Jeugdzaak. Poging tot doodslag (art. 287 Sr) en openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr). Bevel tot dadelijke…
ECLI:NL:HR:2025:287 · Hoge Raad · 18 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-287
Zaakgegevens
Op 18 februari 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 februari 2025
- Datum publicatie
- 14 februari 2025
- Zaaknummer
- 23/02445
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:287
Samenvatting
Jeugdzaak. Poging tot doodslag (art. 287 Sr) en openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr). Bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bij voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie gestelde bijzondere voorwaarden (meewerken aan positieve dagbesteding en contactverbod) en daarop uit te oefenen toezicht, art. 77a Sr. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft niet vastgesteld en gemotiveerd dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom misdrijf, dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor onaantastbaarheid van lichaam van een of meer personen, zal begaan. Hof heeft bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid daarmee ontoereikend gemotiveerd.
HR doet zaak zelf af en vernietigt bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 januari 2025
ECLI:NL:PHR:2025:54Hoge Raad · 18 februari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:287
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02445 J
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 juni 2023, nummer 21-001917-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, en F.H. van der Pol, advocaat in Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf en het bevel dat de in de bestreden uitspraak vermelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, tot vermindering van die taakstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De raadsvrouw F.H. van der Pol heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht en heeft bevolen dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 16 tot en met 20. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid vernietigen.
3 Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen jeugddetentie.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf, de duur van de vervangende jeugddetentie en het bevel dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende jeugddetentie in die zin dat de taakstraf 190 uren beloopt, subsidiair 95 dagen jeugddetentie;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.