Strafrecht overig

Mishandeling door tegen hoofd van ander te slaan (art. 300.1 Sr). Vordering benadeelde partij. Proceskosten…

Zaakgegevens

Op 1 april 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 april 2025
Datum publicatie
28 maart 2025
Zaaknummer
22/02327
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:492
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Mishandeling door tegen hoofd van ander te slaan (art. 300.1 Sr). Vordering benadeelde partij. Proceskosten, art. 532 Sv. Kon hof de verdachte veroordelen in de door b.p. gemaakte reiskosten naar zijn advocaat-gemachtigde? HR: Om redenen vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: Uit p-v ttz. in hoger beroep blijkt dat b.p. werd bijgestaan door advocaat die eveneens als gemachtigde is opgetreden bij indiening van verzoek tot schadevergoeding. Gelet op HR:2023:414 biedt wettelijk stelsel geen ruimte voor vergoeding van reiskosten van b.p. als zij met gemachtigde procederen.

Volgt (partiele) vernietiging t.a.v. proceskosten. HR doet zaak zelf af en wijst kosten af.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 februari 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:216
  2. Hoge Raad · 1 april 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:492

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02327

Datum 1 april 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juni 2022, nummer 21-001143-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover de verdachte daarin is veroordeeld in de ‘proceskosten’ van de benadeelde partij ten bedrage van € 10,92 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over de veroordeling van de verdachte in de ‘proceskosten’ van [benadeelde] , te weten de reiskosten naar zijn advocaat-gemachtigde, ten bedrage van € 10,92.

3.2

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 tot en met 2.9. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en deze kosten afwijzen.

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de verdachte daarin is veroordeeld in de ‘proceskosten’ van [benadeelde] ten bedrage van € 10,92;

- wijst deze door [benadeelde] gevorderde kosten ten bedrage van € 10,92 af;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.