Strafrecht overig
Belaging van vrouw, die bij hetzelfde koor zingt als verdachte, door haar en haar dochter sms- en…
ECLI:NL:HR:2025:499 · Hoge Raad · 8 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-499
Zaakgegevens
Op 8 april 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 april 2025
- Datum publicatie
- 28 maart 2025
- Zaaknummer
- 23/00210
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:499
Samenvatting
Belaging van vrouw, die bij hetzelfde koor zingt als verdachte, door haar en haar dochter sms- en e-mailberichten te sturen teneinde te bewerkstelligen dat zij niet meer naar koor zou gaan, art. 285b.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht stelselmatigheid. Kon hof oordelen dat verdachte “stelselmatig” inbreuk heeft gemaakt op persoonlijke levenssfeer van aangeefster? 2. Bewijsklacht oogmerk. Kon hof oordelen dat verdachte inbreuk heeft gemaakt op persoonlijke levenssfeer van aangeefster “met oogmerk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of vrees aan te jagen”?
HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Verdachte, voor wie al geruime tijd duidelijk was dat aangeefster wilde dat hij stopte met het sturen van berichten, heeft in periode van ruim een maand aangeefster en haar dochter ruim 20 berichten gestuurd. Hof heeft geoordeeld dat verdachte op indringende wijze heeft geprobeerd (zowel direct bij aangeefster als via haar dochter) te bewerkstelligen dat zij niet meer naar koor zou gaan en dat hij en zijn familieleden haar niet meer zouden zien. ’s Hofs oordeel dat sprake is van “stelselmatige” inbreuk op persoonlijke levenssfeer van aangeefster, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Klacht gaat uit van veronderstelling dat hof met oogmerk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of vrees aan te jagen, uitsluitend heeft gedoeld op het wegblijven bij koor. Los van vraag of die veronderstelling juist is (uit bewijsmotivering blijkt dat hof daarop “met name” heeft gedoeld en dus niet uitsluitend), volgt dit oogmerk zonder meer uit inhoud van de voor bewijs gebruikte berichten van verdachte.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 januari 2023
ECLI:NL:GHSHE:2023:77Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 januari 2025
ECLI:NL:PHR:2025:110Hoge Raad · 8 april 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:499
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00210
Datum 8 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 januari 2023, nummer 20-003024-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Straten bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
Het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte ‘stelselmatig’ inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het tweede cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer ‘met het oogmerk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of vrees aan te jagen’.
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 95 uren beloopt, subsidiair 47 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2025.