Strafrecht overig
Poging tot doodslag door met mes in bovenlichaam van ander te steken na ruzie op feest over betaling voor…
ECLI:NL:HR:2025:637 · Hoge Raad · 22 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2025-637
Zaakgegevens
Op 22 april 2025 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 april 2025
- Datum publicatie
- 17 april 2025
- Zaaknummer
- 23/03356
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:637
Samenvatting
Poging tot doodslag door met mes in bovenlichaam van ander te steken na ruzie op feest over betaling voor gebruik van lachgas (art. 287 Sr) en dragen van machete (art. 27.1 WWM). Vrijspraak in eerste aanleg t.a.v. poging tot doodslag. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep t.a.v. dragen van machete, art. 427.2 Sv. 2. Bewijsklacht poging tot doodslag. Verweer t.a.v. betrouwbaarheid van verklaringen van aangever en 2 getuigen.
Ad 1. ’s Hofs uitspraak heeft wat betreft feit 2 betrekking op overtreding (art. 27.1 jo. 54 en 56 WWM). Hof heeft voor dat feit een geldboete van € 225, subsidiair 4 dagen hechtenis opgelegd. O.g.v. art. 427 Sv staat tegen ‘s hofs uitspraak t.a.v. feit 2 geen cassatieberoep open. Om die reden kan HR wat betreft dat feit het cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen.
Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: I.h.k.v. bewijsvraag komt hof tot oordeel dat samenstel van beschikbaar materiaal een consistent beeld oplevert m.b.t. hetgeen is voorgevallen. Verklaringen van getuigen in samenhang bezien met verklaring van aangever en verklaring van verdachte zelf, zijn volgens hof bruikbaar v.zv. het eigen waarnemingen betreft. Dat getuige tussen hetgeen is voorgevallen en het afleggen van verklaring met anderen heeft gesproken, maakt diens verklaring niet helemaal onbruikbaar. Verklaring van getuige (inhoudende dat jongen die heeft gestoken best wel lang was en enige op feest met dreadlocks was) is niet méér belastend dan wat voortvloeit uit wat getuige zelf heeft waargenomen (en behoeft geen trekken te hebben van het “interessant” vinden om, om reden dat het een bekende drillrapper betreft, verdachte te beschuldigen). Dergelijke verklaring is immers ook te geven als het daadwerkelijk steken niet zelf is waargenomen en los daarvan geeft verklaring inzicht in uiterlijke kernmerken van iemand die is betrokken bij schermutseling en die o.b.v. dan wel in samenhang bezien met ander bewijs kan worden aangewezen als degene die heeft gestoken. Met aandacht voor omstandigheden die van invloed kunnen zijn op authenticiteit en betrouwbaarheid van beschikbaar bewijsmateriaal heeft hof (uitdrukkelijk) de nodige behoedzaamheid betracht bij beantwoording van bewijsvraag. Hof heeft daarbij ook inconsistenties en verschillen tussen verklaringen expliciet en op niet onbegrijpelijke wijze in zijn overwegingen besproken en beoordeeld. Tegen deze achtergrond en mede gelet op afwezigheid van aanwijzingen dat ander dan verdachte zou hebben gestoken is hof niet onbegrijpelijk tot bewezenverklaring (van daderschap) gekomen. ’s Hofs oordeel is ook toereikend gemotiveerd.
Volgt verwerping.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 29 augustus 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:1988Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 maart 2025
ECLI:NL:PHR:2025:384Hoge Raad · 22 april 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:637
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03356
Datum 22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 augustus 2023, nummer 23-001878-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie ten aanzien van feit 2 en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De uitspraak van het hof heeft wat betreft feit 2 betrekking op een overtreding (artikel 27 lid 1 in samenhang met artikel 54 en 56 van de Wet wapens en munitie). Het hof heeft voor dat feit een geldboete van € 225, subsidiair 4 dagen hechtenis opgelegd. Op grond van artikel 427 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen de uitspraak van het hof ten aanzien van feit 2 geen cassatieberoep open. Om die reden kan de Hoge Raad wat betreft dat feit het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen.
3 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde poging tot doodslag.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk wat betreft de beslissingen met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.