Strafrecht overig
Medeplegen mishandeling door samen met zijn zoon (n.a.v. woordenwisseling over betaling van huur voor caravan…
ECLI:NL:HR:2026:216 · Hoge Raad · 10 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-216
Zaakgegevens
Op 10 maart 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 maart 2026
- Datum publicatie
- 6 februari 2026
- Zaaknummer
- 24/01700
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:216
Samenvatting
Medeplegen mishandeling door samen met zijn zoon (n.a.v. woordenwisseling over betaling van huur voor caravan aan ander) die ander een klap tegen zijn rechter slaap te geven en meerdere keren tegen zijn lichaam te slaan en te schoppen, art. 300.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Kon hof de verklaring van aangever voor bewijs gebruiken? 2. Verweer dat er onvoldoende buurtonderzoek is gedaan. 3. Verweer dat getuige niet is gehoord. 4. Verweer m.b.t. mogelijkheid dat letsel door val is ontstaan. 5. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangever voldoende steun in ander bewijsmateriaal?
HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft toereikend gemotiveerd waarom het (anders dan verdediging heeft betoogd) de verklaring van aangever tot uitgangspunt heeft genomen. Ad 2. Ttz. in hoger beroep is op dit punt geen verweer gevoerd en in cassatie is dit niet op enigerlei wijze onderbouwd. Ad 3. Hof heeft hetgeen ttz. in h.b. is aangevoerd niet als responsieplichtig verweer hoeven te beschouwen, nu verdediging slechts heeft geconstateerd dat betrokkene niet als getuige is gehoord, terwijl dat had gekund, in aanmerking genomen dat namens verdachte in h.b. geen verzoek is gedaan deze getuige te horen. Ad 4. Klacht dat hof niet is ingegaan op verweer m.b.t. mogelijkheid dat letsel door val is ontstaan, mist feitelijke grondslag. Hof heeft gemotiveerd waarom het heeft geoordeeld dat verklaring van aangever wordt ondersteund door geconstateerd letsel en waargenomen geschreeuw. Ad 5. Uit bewijsmotivering volgt dat verklaring van aangever wordt ondersteund door waargenomen letsel en gebonk en geschreeuw. Van schending van art. 342.2 Sv is derhalve geen sprake.
Volgt verwerping. Samenhang met 24/01708.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 26 april 2024
ECLI:NL:GHAMS:2024:1290Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 december 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1388Hoge Raad · 10 maart 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:216
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01700
Datum 10 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2024, nummer 23-000204-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S. Jankie bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De cassatiemiddelen zijn schriftelijk toegelicht.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.