Strafrecht overig

Werkzaam in maatschappelijke zorg ontucht plegen met cliënte door als masseur haar te betasten, art. 249.2.3…

Hoge Raad, 31 maart 2026

Zaakgegevens

Op 31 maart 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31 maart 2026
Datum publicatie
26 maart 2026
Zaaknummer
23/03178
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:496
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Werkzaam in maatschappelijke zorg ontucht plegen met cliënte door als masseur haar te betasten, art. 249.2.3 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Ontvankelijkheid OM in vervolging, verdachte overleden (art. 69 Sr).

HR ambtshalve: Volgens een aan HR overgelegd, door ambtenaar van burgerlijke stand van gemeente gewaarmerkt afschrift van akte van burgerlijke stand van die gemeente is verdachte overleden. Daarom is o.g.v. art. 69 Sr recht tot strafvordering vervallen.

OM n-o in vervolging.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 7 augustus 2023

    ECLI:NL:GHAMS:2023:1905
  2. Conclusie A-G · 2 december 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1321
  3. Hoge Raad · 31 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:496

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/03178

Datum 31 maart 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 augustus 2023, nummer 23-003219-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.C. Meijer een schriftuur ingediend.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft bij conclusie van 2 december 2025 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep en bij aanvullende conclusie van 10 maart 2026 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam en van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2021 en tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

2 Overlijden van de verdachte

Volgens een aan de Hoge Raad overgelegd, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam gewaarmerkt afschrift van een akte van de burgerlijke stand van die gemeente is de verdachte op 30 augustus 2025 overleden.

Daarom is op grond van artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht in deze zaak het recht tot strafvordering vervallen.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2021;

- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.