Strafrecht overig

Computervredebreuk, meermalen gepleegd (art. 138ab.1 Sr), schending van ambtsgeheim, meermalen gepleegd (art…

Zaakgegevens

Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 april 2026
Datum publicatie
16 april 2026
Zaaknummer
24/01875
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:675
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Computervredebreuk, meermalen gepleegd (art. 138ab.1 Sr), schending van ambtsgeheim, meermalen gepleegd (art. 272.1 Sr) en aanwezig hebben van cocaïne en fenacetine (art. 2.C Opiumwet). Vrijspraak in eerste aanleg van computervredebreuk (o.g.v. uitleg tll.) en aanwezig hebben van cocaïne en fenacetine. 1. Bewijsklacht schending van ambtsgeheim. Kon hof oordelen dat persoon achter account de informatie uit politiesystemen heeft verkregen van verdachte? 2. Bewijsklacht computervredebreuk. Kon hof oordelen dat het verdachte is geweest die bevragingen in politiesystemen heeft gedaan? 3. Bewijsklacht computervredebreuk. Verweer dat verdachte mogelijk informatie heeft opgevraagd op verzoek van andere politiemedewerker. 4. Bewijsklacht aanwezig hebben van fenacetine. Kan stelling dat OM heeft nagelaten om fenacetine nader te laten onderzoeken door NFI, worden aangemerkt als middel a.b.i. wet?

Ad 1., 2. en 3. HR: art. 81.1 RO.

Ad 4. Als cassatierechter onderzoekt HR alleen middelen a.b.i. wet. Als zodanig middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over schending van bepaalde rechtsregel en/of verzuim van toepasselijk vormvoorschrift door rechter die bestreden uitspraak heeft gewezen. In middel aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 30 april 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:758
  2. Conclusie A-G · 31 maart 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:309
  3. Hoge Raad · 21 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:675

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01875

Datum 21 april 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 april 2024, nummer 22-001592-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A. Jhingoer bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De in het vierde cassatiemiddel aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.