Strafrecht overig
Schuldwitwassen van auto door tenaamstelling auto afkomstig uit faillissementsfraude, art. 420quater.1.b Sr…
ECLI:NL:HR:2026:79 · Hoge Raad · 20 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-79
Zaakgegevens
Op 20 januari 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 januari 2026
- Datum publicatie
- 20 januari 2026
- Zaaknummer
- 23/04938
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:79
Samenvatting
Schuldwitwassen van auto door tenaamstelling auto afkomstig uit faillissementsfraude, art. 420quater.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten m.b.t. witwashandelingen t.a.v. auto.
HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof is van oordeel dat verdachte de auto heeft verworven en voorhanden gehad doordat hij deze op zijn naam heeft laten zetten. Tenaamstelling van voertuig brengt nog niet mee dat degene op wiens naam dit voertuig staat, feitelijke beschikkingsmacht hierover heeft. ’s Hofs oordeel is daarmee ontoereikend gemotiveerd. Dit tast echter bewezenverklaring niet aan, nu ook is bewezenverklaard dat verdachte heeft verhuld wie rechthebbende op een of meer van bewezenverklaarde voorwerpen was, terwijl uit bewijsvoering blijkt dat verdachte op verzoek van zijn vader (i.v.m. diens faillissement) de auto op zijn naam heeft laten zetten, waarmee is verhuld wie rechthebbende op dit voertuig was (te weten zijn vader).
Volgt verwerping. Samenhang met 23/04826, 23/04870, 23/04893 en 23/04940.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 5 december 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:3643Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 november 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1229Hoge Raad · 20 januari 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:79
Uitspraak
Inhoudsopgave
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04938
Datum 20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023, nummer 23-000601-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring van het tenlastegelegde schuldwitwassen van de Audi A4.
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de omstandigheid dat de verdachte strafbaar is verklaard maar dat geen straf of maatregel is opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.