Strafrecht overig

Medeplegen poging tot diefstal d.m.v. braak, art. 311.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1…

Zaakgegevens

Op 16 juni 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16 juni 2026
Datum publicatie
15 juni 2026
Zaaknummer
24/00548
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:942
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen poging tot diefstal d.m.v. braak, art. 311.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat “nergens uit dossier blijkt dat verdachte ooit gewoond heeft bij verblijfadres waar telefoon aanstraalde en tevens uit dossier is gebleken dat verdachte in jaren voor incident geen vaste woon- en verblijfadres had in Nederland”, art. 359.2 Sv. 2. Steunt ’s hofs beslissing dat feit door verdachte is begaan op inhoud van de in arrest opgenomen bewijsmiddelen, nu arrest “geen opsomming van b.m. bevat”?

HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft standpunt van raadsman opgevat als verweer inhoudende dat verdachte niet gebruiker van telefoon was. Dat is niet onbegrijpelijk, omdat strekking van standpunt is dat, nu verdachte ergens anders stond ingeschreven, hij om die reden niet gebruiker van telefoon was. Hof heeft geoordeeld dat telefoon die in auto in beslag is genomen kennelijk is gebruikt door verdachte. Daarmee heeft hof het standpunt van raadsman verworpen. Gelet op ‘s hofs bewijsoverweging en door hof gebruikte b.m. in samenhang bezien, bevat ’s hofs arrest voldoende gegevens waarin nadere motivering ter verwerping van (zeer summier onderbouwd) standpunt besloten ligt. Ad 2. Middel berust op onjuiste lezing van arrest en mist daardoor feitelijke grondslag, nu in bijlage bij arrest b.m. zijn opgenomen.

Volgt verwerping. Samenhang met 24/00647 en 24/00676 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 15 februari 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:448
  2. Conclusie A-G · 12 mei 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:251
  3. Hoge Raad · 16 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:942

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00548

Datum 16 juni 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 februari 2024, nummer 22-003250-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L. Tricoli bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1

De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) de bewezenverklaring.

2.2

De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 4.

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2026.