Bestuursrecht overig
In het besluit van 11 augustus 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk geweigerd…
Raad van State, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6337 · Raad van State · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6337
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202405002/1/R4
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6337
Samenvatting
In het besluit van 11 augustus 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk geweigerd handhavend op te treden tegen Veco Industriële Lakspuiterij B.V.. Veco exploiteert een lakspuiterij op het bedrijventerrein Leemskuilen in Westerhoven. In de lakspuiterij worden coatings op metalen, aluminium, hout, kunststoffen en interieuronderdelen aangebracht. Dit gebeurt in speciale spuitcabines waarbij de lucht wordt afgezogen en door een waterscherm/demister pakket wordt geleid. Vervolgens wordt de lucht naar buiten geëmitteerd. [appellant] en anderen wonen in de omgeving van het bedrijventerrein. Volgens hen overschrijdt Veco de emissiegrenswaarde voor totaal organisch koolstof van 100 mg-C/Nm3 die in tabel 2.28a van het Activiteitenbesluit is opgenomen en die Veco op grond van artikel 2.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit in acht moet nemen. Zij hebben het college daarom verzocht om handhavend op te treden tegen Veco. Het college heeft dat verzoek afgewezen.
Uitspraak
202405002/1/R4.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, allen wonend in Westerhoven, gemeente Bergeijk,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 juni 2024 in zaak nr. 22/2915 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk.
Procesverloop
In het besluit van 11 augustus 2020 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen Veco Industriële Lakspuiterij B.V..
In het besluit van 9 maart 2021 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en aan Veco een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding van artikel 4.64, vierde lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer ongedaan te maken.
In de uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2878, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 maart 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
In het besluit van 18 oktober 2022 heeft het college het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 11 augustus 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
In de uitspraak van 28 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college en Veco hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 oktober 2026, waar [appellant], mr. I.T.F. van den Heuvel, mede als advocaat van de andere appellanten, vergezeld door [persoon A] en [persoon B], en het college, vertegenwoordigd door E.L.A. Kramer en J.F.H.M. van der Velden, zijn verschenen. Verder is op de zitting Veco, vertegenwoordigd door mr. P.L.M.F. Roosendaal, advocaat in Oss, en [gemachtigde], vergezeld door ing. R.M.E. Ploum, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van het Activiteitenbesluit milieubeheer is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van het Activiteitenbesluit is gedaan op 10 februari 2020. Dat betekent dat in dit geval het Activiteitenbesluit, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Veco exploiteert een lakspuiterij op het bedrijventerrein Leemskuilen in Westerhoven. In de lakspuiterij worden coatings op metalen, aluminium, hout, kunststoffen en interieuronderdelen aangebracht. Dit gebeurt in speciale spuitcabines waarbij de lucht wordt afgezogen en door een waterscherm/demister pakket wordt geleid. Vervolgens wordt de lucht naar buiten geëmitteerd.
[appellant] en anderen wonen in de omgeving van het bedrijventerrein. Volgens hen overschrijdt Veco de emissiegrenswaarde voor totaal organisch koolstof van 100 mg-C/Nm3 die in tabel 2.28a van het Activiteitenbesluit is opgenomen en die Veco op grond van artikel 2.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit in acht moet nemen. Zij hebben het college daarom verzocht om handhavend op te treden tegen Veco. Het college heeft dat verzoek afgewezen.
In de uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2878, heeft de rechtbank overwogen dat het college onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht of sprake is van een overschrijding van de emissiegrenswaarde voor totaal organisch koolstof. De rechtbank heeft het college daarom opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank zijn in de periode van 22 augustus 2022 tot en met 8 september 2022 metingen verricht. Die metingen hebben geleid tot het rapport "Inspectie van de emissie m.b.t. het totaal organisch koolstof Leemskuilen 28A te Westerhoven; VECO Industriële lakspuiterij B.V." van 13 oktober 2022 van het Team Metingen en Onderzoek van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (het TMO-rapport). Het college heeft zich op grond van dit rapport op het standpunt gesteld dat de emissiegrenswaarden van tabel 2.28a van het Activiteitenbesluit niet worden overschreden. Volgens het college is het daarom niet bevoegd om handhavend op te treden. Daarom heeft het college het bezwaar van [appellant] en anderen bij het besluit van 18 oktober 2022 ongegrond verklaard.
In haar uitspraak van 28 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 18 oktober 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het college dat besluit op het TMO-rapport mocht baseren. Omdat uit het TMO-rapport volgt dat de emissiegrenswaarden uit tabel 2.28a van het Activiteitenbesluit niet worden overschreden, was het college volgens de rechtbank niet bevoegd om handhavend op te treden.
[appellant] en anderen zijn het hier niet mee eens. Volgens hen zijn de gedane metingen niet onder representatieve omstandigheden uitgevoerd. Daarom hebben zij hoger beroep ingesteld.
Beoordeling hoger beroep
3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn besluit op het TMO-rapport mocht baseren. Zij stellen zich onder verwijzing naar de "Rapportage berekening spuitdebiet VECO gedurende metingen Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant" van 15 november 2022 op het standpunt dat de gedane metingen niet onder representatieve omstandigheden hebben plaatsgevonden. In die rapportage is een vergelijking gemaakt tussen het ingestelde spuitdebiet tijdens de metingen en het gemiddeld ingestelde spuitdebiet in het jaar 2019. Volgens [appellant] en anderen was het ingestelde spuitdebiet tijdens de metingen zodanig veel lager dan het gemiddeld ingestelde spuitdebiet in 2019 dat de omstandigheden tijdens de metingen niet representatief zijn voor de normale bedrijfsvoering van Veco.
[appellant] en anderen wijzen er ook op dat het aantal en soort spuitorders dat Veco in een jaar ontvangt onvoorspelbaar is. Omdat de netto spuittijd en het spuitdebiet niet standaard worden gemeten, is niet duidelijk wat er door de afzuiging aan oplosmiddelen naar buiten gaat op een bepaald moment bij een bepaalde order. Daarom kan op basis van de gedane metingen niet geconcludeerd worden dat Veco onder de emissiegrenswaarden blijft. Om dat te kunnen concluderen moet volgens [appellant] en anderen worden uitgegaan van orders met een "worst case scenario" spuitdebiet.
3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college het besluit van 18 oktober 2022 op het TMO-rapport heeft mogen baseren. In de omstandigheid dat het gemiddeld ingestelde spuitdebiet in 2019 mogelijk (veel) hoger was dan het spuitdebiet tijdens de metingen in 2022, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de metingen door Veco zijn gemanipuleerd. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat het productieproces van Veco steeds anders is, afhankelijk van de opdracht die verwerkt wordt, zodat de gegevens uit 2019 niet als uitgangspunt kunnen worden gebruikt voor de beoordeling van de metingen in 2022. Er bestaat ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het college er rekening mee had moeten houden dat Veco het spuitdebiet mogelijk zou manipuleren en het college daarom het spuitdebiet nader had moeten monitoren. Daarbij neemt de Afdeling nog in aanmerking dat het college op de zitting heeft toegelicht dat het TMO een gespecialiseerde, geaccrediteerde onderzoeksafdeling van de Omgevingsdienst is die bestaat uit ervaren medewerkers die ingrijpen als zij afwijkende bedrijfssituaties constateren.
Verder wijst de Afdeling erop dat dit een handhavingszaak is. Niet van belang is of Veco in theorie de grenswaarde zou kunnen overschrijden, maar of zij dat in de praktijk doet. Dat kan alleen worden vastgesteld met metingen tijdens de feitelijke bedrijfssituatie. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat het college had moeten uitgegaan van een spuitdebiet in een worst case bedrijfssituatie.
Gelet op de aard van de norm, namelijk een emissiegrenswaarde waaraan op ieder moment moet worden voldaan, zal een meting altijd een momentopname zijn. Zoals [appellant] en anderen hebben opgemerkt, is daarom niet uitgesloten dat op een ander moment wel sprake is van een overtreding. Maar het college is alleen bevoegd om handhavend op te treden als een overtreding is geconstateerd. Omdat tijdens de gedane metingen geen overtreding is geconstateerd, heeft het college terecht geweigerd handhavend op te treden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Roessel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
457