Omgevingsrecht
Stichting Huifbedrijden Walcheren heeft op 21 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning…
Raad van State, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6320 · Raad van State · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/omgevingsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6320
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202405621/1/R1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6320
Samenvatting
Stichting Huifbedrijden Walcheren heeft op 21 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een opstapstation op het perceel ten behoeve van huifbedrijden. Bij brief van 28 juni 2023 heeft Stichting Huifbedrijden Walcheren het college van burgemeester en wethouders van Veere in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een besluit op de aanvraag. Op 4 augustus 2023 heeft Stichting Huifbedrijden Walcheren wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag beroep ingesteld en hierbij de rechtbank verzocht om de hoogte van de dwangsom vast te stellen. Tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het college alsnog beslist op de aanvraag en bij besluit van 21 december 2023 de omgevingsvergunning verleend. De rechtbank heeft in de uitspraak van 8 juli 2024 overwogen dat de Stichting Huifbedrijden Walcheren nog procesbelang heeft, onder meer omdat zij heeft verzocht om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.
Uitspraak
202405621/1/R1.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Huifbedrijden Walcheren, gevestigd in Veere,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juli 2024 in zaak nr. 23/8890 in het geding tussen:
Stichting Huifbedrijden Walcheren
en
het college van burgemeester en wethouders van Veere.
Procesverloop
Op 21 juli 2022 heeft Stichting Huifbedrijden Walcheren bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een huifbedopstapstation op het perceel Kraaienestweg 1 in Veere.
Stichting Huifbedrijden Walcheren heeft op 2 augustus 2023 wegens niet tijdig beslissen op haar aanvraag beroep ingesteld bij de rechtbank.
Bij uitspraak van 8 juli 2024 heeft de rechtbank het door Stichting Huifbedrijden Walcheren ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Stichting Huifbedrijden Walcheren hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Stichting Huifbedrijden Walcheren heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 22 september 2026, waar Stichting Huifbedrijden Walcheren, vertegenwoordigd door A.H. van Leeuwen, rechtsbijstandverlener in Veere, en het college van burgemeester en wethouders van Veere, vertegenwoordigd door mr. L.A. Kaan en C. Maranus, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Stichting Huifbedrijden Walcheren heeft op 21 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een opstapstation op het perceel ten behoeve van huifbedrijden. Bij brief van 28 juni 2023 heeft Stichting Huifbedrijden Walcheren het college in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een besluit op de aanvraag. Op 4 augustus 2023 heeft Stichting Huifbedrijden Walcheren wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag beroep ingesteld en hierbij de rechtbank verzocht om de hoogte van de dwangsom vast te stellen.
Tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het college alsnog beslist op de aanvraag en bij besluit van 21 december 2023 de omgevingsvergunning verleend. De rechtbank heeft in de uitspraak van 8 juli 2024 overwogen dat de Stichting Huifbedrijden Walcheren nog procesbelang heeft, onder meer omdat zij heeft verzocht om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.
Naar aanleiding van het desbetreffende verzoek heeft de rechtbank overwogen dat Stichting Huifbedrijden Walcheren heeft ingestemd met het aanhouden van haar aanvraag, waardoor de beslistermijn was opgeschort. Omdat als gevolg van de opschorting de beslistermijn volgens de rechtbank nog niet was verstreken, was het college niet in gebreke om tijdig een besluit te nemen. Het beroepschrift voldeed daarom niet aan de indieningsvereisten van artikel 6:12, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom heeft de rechtbank het beroep van Stichting Huifbedrijden Walcheren niet-ontvankelijk verklaard.
Goede procesorde
3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de door Stichting Huifbedrijden Walcheren ingediende nadere stukken van 18 september 2026 zeer omvangrijk zijn en te kort voorafgaand aan de zitting zijn ingediend. Volgens het college moeten die stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.
3.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.
3.2. De Afdeling betrekt de nadere stukken van de Stichting Huifbedrijden Walcheren niet bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat zij van oordeel is dat de goede procesorde zich daartegen verzet. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de nadere stukken zijn ingediend op 18 september 2026 en daarmee slechts enkele dagen voor de zitting op 22 september 2026. De nadere stukken zijn zo omvangrijk dat voor het college te weinig tijd resteerde om zich er inhoudelijk over uit te laten. Dat de nadere stukken onder andere bestaan uit stukken die afkomstig zijn van het college of het college die al in zijn bezit had, maakt dit niet anders. De goede procesorde strekt er ook toe om de bestuursrechter gelegenheid te bieden kennis te nemen van stukken.
De Afdeling ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden, zodat de stukken alsnog bij de procedure kunnen worden betrokken. Als hier alsnog de mogelijkheid voor zou worden geboden, dan zou dat leiden tot een onaanvaardbare vertraging van de procedure. De Afdeling betrekt daarbij dat de stukken eerder hadden kunnen worden ingediend.
Zijn er dwangsommen verbeurd?
4. Stichting Huifbedrijden Walcheren betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er aanleiding bestond het bedrag aan verbeurde dwangsommen vast te stellen wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. Volgens haar gold een beslistermijn van acht weken en niet van zes maanden, waarvan de rechtbank en het college zijn uitgegaan. Stichting Huifbedrijden Walcheren voert aan dat zij, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet heeft ingestemd met het opschorten van de beslistermijn. Uit een e-mail van 16 december 2022 van de opsteller van het stuk "ruimtelijke onderbouwing", die op geen enkele manier betrokken is geweest bij de aanvraag, kan dat niet worden afgeleid. De daarin gedane suggestie om dat stuk te betrekken bij de in voorbereiding zijnde zesde herziening van het bestemmingsplan is niet gelijk te stellen aan de instemming van de Stichting Huifbedrijden Walcheren met opschorting van de beslistermijn. De opsteller van het stuk "ruimtelijke onderbouwing" was volgens Stichting Huifbedrijden Walcheren niet bevoegd om namens haar te handelen.
4.1. De Stichting Huifbedrijden Walcheren heeft op 21 juli 2022 de aanvraag ingediend. Er zijn geen aanwijzingen dat deze aanvraag onvolledig was. De beslistermijn is daarom op 22 juli 2022 gestart.
De opsteller van het tot de aanvraag behorende stuk "ruimtelijke onderbouwing" heeft in een e-mail van 16 december 2022 aan de contactpersoon van het college de suggestie gedaan om dat stuk te betrekken bij de zesde herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. In reactie hierop heeft de contactpersoon aan de opsteller per e-mail van 22 december 2022 bericht dat de suggestie is besproken en dat wordt gekeken of die kan worden meegenomen. Alleen is er dan een collegebesluit nodig, dus qua tijd moet worden bekeken of het haalbaar is, zo staat in de e-mail. Het college heeft op 21 maart 2023 de raad geadviseerd om in te stemmen met het meenemen van het huifbedopstapstation in de zesde herziening van het bestemmingsplan.
Uit deze feitelijke gang van zaken heeft het college, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet mogen afleiden dat Stichting Huifbedrijden Walcheren heeft ingestemd met uitstel van de beslissing op de aanvraag. Als er al binnen de beslistermijn een instemming uit zou zijn af te leiden, wat de Afdeling in het midden laat, dan is deze niet schriftelijk verleend. Instemming met opschorting van de beslistermijn moet op grond van artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb schriftelijk worden verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2098), is de eis van schriftelijkheid opgenomen om interpretatieverschillen ten aanzien van het al of niet instemmen met uitstel van de beslistermijn zoveel mogelijk te voorkomen (Kamerstukken II, 2005/06, 29 934, nr. 10).
Voor zover het college uit de e-mail van 16 december 2022 van de opsteller van het stuk "ruimtelijke onderbouwing" heeft afgeleid dat Stichting Huifbedrijden Walcheren schriftelijk heeft ingestemd met uitstel van de beslissing op de aanvraag, overweegt de Afdeling als volgt. Nog daargelaten of de in de e-mail gedane suggestie kan worden geacht te zijn gedaan namens Stichting Huifbedrijden Walcheren, is met het doen van die suggestie niet ingestemd met de opschorting van de beslistermijn. De suggestie heeft namelijk daarop geen betrekking.
Gelet op het voorgaande heeft Stichting Huifbedrijden Walcheren niet schriftelijk ingestemd met het opschorten van de beslistermijn en is de beslistermijn dus niet opgeschort.
4.2. Vervolgens is van belang binnen welke termijn het college moest beslissen op de aanvraag. Daarvoor is bepalend met welke procedure een besluit voorbereid diende te worden. Dat is afhankelijk van de vraag met welke bevoegdheid van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo het college vergunning kon verlenen. Dat het college op 21 december 2023 omgevingsvergunning heeft verleend zonder afwijking van het toen geldende bestemmingsplan "6e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied", zoals Stichting Huifbedrijden Walcheren betoogt, is hierbij niet van belang. Dat bestemmingsplan is op 28 september 2023 vastgesteld. Op het van belang zijnde moment gold op het perceel het bestemmingsplan "5e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied". De bouw van het huifbedopstapstation is in strijd met dit bestemmingsplan, omdat aan het perceel geen bouwvlak is toegekend. De Afdeling constateert dat de planregels niet voorzien in een geschikte afwijkingsmogelijkheid. Ook biedt artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht geen grondslag voor afwijking. Dat betekent dat, zoals het college terecht heeft geconstateerd in een brief van 9 september 2023, alleen artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder 3°, van de Wabo een bevoegdheid geeft om af te wijken van het bestemmingsplan. Dat betekent dat op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb geldt. Op grond van artikel 3:18, eerste lid, van de Awb geldt een beslistermijn van zes maanden. Uitgaande van deze beslistermijn moest het college uiterlijk op 22 januari 2023 op de aanvraag beslissen.
4.3. Door pas op 21 december 2023 te beslissen op de aanvraag heeft het college niet tijdig op de aanvraag beslist. De beslistermijn is met ten minste elf maanden overschreden. Bij brief van 28 juni 2023 heeft Stichting Huifbedrijden Walcheren het college in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een besluit op de aanvraag. Omdat er meer dan 42 dagen zijn verstreken na de datum van ontvangst van de ingebrekestelling tot aan de datum waarop het college bij besluit op de aanvraag heeft beslist, is de maximale dwangsom verbeurd. Op grond van artikel 8:55c, gelezen in samenhang met artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, stelt de Afdeling de door het college verbeurde dwangsom daarom vast op een bedrag van € 1.442,00.
Het betoog slaagt.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover aangevallen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren voor zover het de verbeurte van dwangsommen betreft.
Proceskosten
6. Het college moet de proceskosten vergoeden. Daarbij zal de Afdeling een wegingsfactor van 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juli 2024 in zaak nr. 23/8890, voor zover de rechtbank de hoogte van verbeurde dwangsommen niet heeft vastgesteld;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;
IV. stelt de door het college van burgemeester en wethouders van Veere verbeurde dwangsom, als bedoeld in artikel 8:55c, gelezen in verbinding met artikel 4:17 van de Awb vast op een bedrag van € 1.442,00;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere tot vergoeding van bij Stichting Huifbedrijden Walcheren in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veere aan Stichting Huifbedrijden Walcheren het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
163-1188
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Afdeling 3.4 Uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Artikel 3:10
1. Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.
[…].
Artikel 3:18
1. Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
[…].
Artikel 4:15
1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
b. de aanvrager mededeelt dat voor de beschikking op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is.
2. De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort:
a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd,
[…].
Paragraaf 4.1.3.2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.
5. Geen dwangsom is verschuldigd indien:
a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
6 Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.
Artikel 4:19
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
2. De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
3. In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist.
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.
Artikel 6:12
[…].
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
[…].
Artikel 8:55c
Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. […].
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Paragraaf 3.4 De reguliere voorbereidingsprocedure
Artikel 3.7
1. Deze paragraaf is van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3 daarop van toepassing is.
[…].
Artikel 3.9
1. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. […];
[…].
Paragraaf 3.3 De uitgebreide voorbereidingsprocedure
Artikel 3.10
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;
[…].