Omgevingsrecht

Bij besluit van 21 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne aan New-ton B.V…

Raad van State, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
202505135/1/R2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6343
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 21 december 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne aan New-ton B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 10 appartementen in een monumentaal pand aan de Visser 25 in Deurne (het perceel). Het college heeft een omgevingsvergunning verleend aan New-ton B.V. voor het bouwen van 10 appartementen in een monumentaal pand op het perceel. Deze omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bouwwerk, het wijzigen van een monument en het handelen in strijd met de regels op het gebied van de ruimtelijke ordening. Het bouwplan voldoet namelijk niet aan de regels van het bestemmingsplan "Centrum Deurne". Het perceel is daarin bestemd voor dienstverlening. Het bouwplan behelst de bouw van woningen en wijkt daar dus van af. [appellante] woont in de buurt van het bouwplan en is het niet eens met de verleende vergunning. Zij vreest met name voor een aantasting van het rijksmonument. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de gronden die zij in hoger beroep heeft aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

202505135/1/R2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Deurne,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 30 juli 2025 in zaak nrs. 24/750 en 24/2407 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2023 heeft het college aan New-ton B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 10 appartementen in een monumentaal pand aan de Visser 25 in Deurne (het perceel).

Bij uitspraak van 30 juli 2025 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 september 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. van de Joode, is verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 april 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het college heeft een omgevingsvergunning verleend aan New-ton B.V. voor het bouwen van 10 appartementen in een monumentaal pand op het perceel. Deze omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bouwwerk, het wijzigen van een monument en het handelen in strijd met de regels op het gebied van de ruimtelijke ordening. Het bouwplan voldoet namelijk niet aan de regels van het bestemmingsplan "Centrum Deurne". Het perceel is daarin bestemd voor dienstverlening. Het bouwplan behelst de bouw van woningen en wijkt daar dus van af.

[appellante] woont in de buurt van het bouwplan en is het niet eens met de verleende vergunning. Zij vreest met name voor een aantasting van het rijksmonument. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de gronden die zij in hoger beroep heeft aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft een nieuwe beroepsgrond over ecologisch onderzoek die is opgenomen in een nader stuk dat [appellante] een dag voor de zitting heeft ingediend, wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Verder heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] zich niet kan beroepen op het behoud van het monument, omdat zij hiervoor niet aan het relativiteitsvereiste voldoet. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat het bouwplan niet hoeft te voldoen aan de nieuwbouwregels uit het Bouwbesluit 2012, omdat sprake is van verbouw. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren. Voor het benutten van parkeerplaatsen in de openbare ruimte is een parkeerdrukonderzoek uitgevoerd waaruit volgt dat aan de Regeling parkeernormen Deurne 2019 is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank was dit onderzoek ten tijde van het verlenen van de vergunning niet achterhaald.

Toetsingskader

4.       Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Ecologisch onderzoek

5.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgrond dat geen ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen, wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten. [appellante] voert aan dat de rechtbank het onderzoek na de zitting had moeten heropenen, zodat het college na de zitting nog schriftelijk op deze beroepsgrond had kunnen reageren. Zij voert deze grond in hoger beroep opnieuw aan, met de aanvullende motivering dat uit haar verzoek op grond van de Wet open overheid blijkt dat het college geen ecologisch onderzoek heeft uitgevoerd.

5.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellante] op 1 februari 2024 pro forma beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. Zij heeft haar beroepsgronden aangevuld met nadere stukken van 1 maart 2024 en 17 juni 2025. De zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 18 juni 2025. Het nadere stuk van 17 juni 2025 is dus een dag voor de zitting ingediend. Partijen zijn het erover eens dat het nadere stuk van 17 juni 2025 een nieuwe beroepsgrond over het ontbreken van een ecologisch onderzoek bevat.

5.2.    Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goed rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.

5.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank de op 17 juni 2025 ingediende nieuwe beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde terecht buiten beschouwing gelaten. Het college heeft hier namelijk onvoldoende op kunnen reageren en [appellante] heeft niet gemotiveerd waarom zij de beroepsgrond niet eerder heeft kunnen aanvoeren. De rechtbank hoefde het onderzoek dan ook niet te heropenen na de zitting om het college in de gelegenheid te stellen op deze beroepsgrond te reageren. Omdat de rechtbank de nieuwe beroepsgrond terecht buiten beschouwing heeft gelaten, zal de Afdeling deze beroepsgrond in hoger beroep ook niet inhoudelijk bespreken. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5799), onder 3.2.

Het betoog slaagt niet.

Overige gronden

6.       De gronden die [appellante] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.8.2, 3.8.3, 3.10, 3.11.3, 3.12.3 en 3.12.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze uitspraak is aangevallen.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Kuijer

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

531-1212