Omgevingsrecht

Bij brief van 5 april 2023 heeft [wederpartij] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van de…

Raad van State, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
202403869/1/R3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:6322
E-mail

Samenvatting

Bij brief van 5 april 2023 heeft [wederpartij] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van de volgens hem van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het legaliseren van de walbeschoeiing op het perceel aan de [locatie] in Warten. [wederpartij] exploiteert de jachtwerf [bedrijf] op het adres [locatie] in Warten. In de brief van 10 juni 2022 heeft het college aan [wederpartij] medegedeeld dat het voornemens is om aan hem een last onder dwangsom op te leggen, omdat hij op de jachtwerf activiteiten heeft uitgevoerd zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Op 15 juli 2022 heeft [wederpartij] een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisatie van een deel van de activiteiten. Uit het aanvraagformulier blijkt dat de vergunning is aangevraagd voor de activiteit "bouwen", namelijk het bouwen van een walbeschoeiing. [wederpartij] heeft geen omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit "aanleggen". Dat betekent dat in de (hoger)beroepsprocedure over de vergunningaanvraag de aanlegactiviteit niet aan de orde kan zijn.

Uitspraak

202403869/1/R3.

Datum uitspraak: 28 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 april 2024 in zaak nr. 23/1599 in het geding tussen:

[wederpartij] h.o.d.n. [bedrijf]

en

het college.

Procesverloop

Bij brief van 5 april 2023 heeft [wederpartij] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van de volgens hem van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het legaliseren van de walbeschoeiing op het perceel aan de [locatie] in Warten.

Bij uitspraak van 24 april 2024 heeft de rechtbank het door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het college opgedragen om binnen twee weken na verzending van die uitspraak de van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekend te maken en bepaald dat het college een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[wederpartij] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door G.J.W. Spindelaar en mr. J.J. Hengst, en [wederpartij], bijgestaan door mr. S. Maakal, advocaat in Heerenveen, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 15 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       [wederpartij] exploiteert de jachtwerf [bedrijf] op het adres [locatie] in Warten. In de brief van 10 juni 2022 heeft het college aan [wederpartij] medegedeeld dat het voornemens is om aan hem een last onder dwangsom op te leggen, omdat hij op de jachtwerf activiteiten heeft uitgevoerd zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Op 15 juli 2022 heeft [wederpartij] een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisatie van een deel van de activiteiten. Uit het aanvraagformulier blijkt dat de vergunning is aangevraagd voor de activiteit "bouwen", namelijk het bouwen van een walbeschoeiing. [wederpartij] heeft geen omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit "aanleggen". Dat betekent dat in de (hoger)beroepsprocedure over de vergunningaanvraag de aanlegactiviteit niet aan de orde kan zijn.

Omdat het college niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, is er volgens [wederpartij] een vergunning van rechtswege gegeven die bekendgemaakt moet worden. In de e-mail van 10 februari 2023 heeft [wederpartij] het college in gebreke gesteld en verzocht om de omgevingsvergunning zo spoedig mogelijk bekend te maken. Omdat het college dat niet heeft gedaan, heeft [wederpartij] bij brief van 5 april 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig bekendmaken van de volgens hem van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

Aangevallen uitspraak

3.       De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] tegen het niet tijdig bekendmaken van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning gegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat op de aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. De rechtbank verwijst daarvoor naar een omgevingsvergunning die op 11 juli 2023 aan [wederpartij] is verleend voor onder andere het bouwen van een walbeschoeiing. De rechtbank overweegt dat voor deze vergunning kennelijk geen verklaring van geen bedenkingen was vereist. In de aanvraag van 15 juli 2022 gaat het volgens de rechtbank om vergelijkbare activiteiten in de omgeving van het Natura 2000-gebied Alde Feanen, namelijk om het bouwen van walbeschoeiing en het aanleggen van erfverharding. Omdat het om vergelijkbare activiteiten gaat, is er volgens de rechtbank voor het college geen reden om te veronderstellen dat de op 15 juli 2022 aangevraagde activiteiten wel significante gevolgen kunnen hebben voor het Natura 2000-gebied Alde Feanen. Een verklaring van geen bedenkingen is daarom volgens de rechtbank niet vereist, wat betekent dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is.

Omdat de beslistermijn die geldt voor de reguliere voorbereidingsprocedure is verstreken, is er volgens de rechtbank een vergunning van rechtswege verleend voor het bouwen van de walbeschoeiing en het aanleggen van erfverharding. Het college had deze vergunning binnen twee weken bekend moeten maken. De rechtbank draagt het college op om dat alsnog te doen en verbindt daar een dwangsom aan.

4.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Ontvankelijkheid

Is het hoger beroep ingediend door een bevoegde ambtenaar?

5.       [wederpartij] stelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het hoger beroep is ingediend door een onbevoegde ambtenaar. Zo staat in het Mandaatoverzicht 2024 dat alleen strategisch managers I, II en III de bevoegdheid hebben om hoger beroep in te dienen. In dit geval is het hoger beroep ingediend door de Teamleider Plannen & Vergunningen. Volgens [wederpartij] volgt uit het functieboek van de gemeente Leeuwarden (functieboek) dat een teamleider geen strategisch manager I, II of III is.

5.1.    Uit de tabel Mandaatoverzicht Concernbreed Algemeen, nr. 23 van het Mandaatoverzicht 2024 volgt dat de strategisch managers I, II en III het mandaat hebben om namens het college (eventueel pro forma) bezwaar of (hoger) beroep in te dienen. In het functieboek staan de functieomschrijvingen van onder andere de functies strategisch manager I, II en III.

5.2.    De Afdeling overweegt dat de in het Mandaatoverzicht 2024 genoemde functies strategisch manager I, II en III algemene functieprofielen zijn. De functie Teamleider Plannen & Vergunningen is een specifieke functie binnen de gemeente. Omdat het functieboek uitsluitend de algemene functieprofielen beschrijft en niet expliciet vermeldt welke specifieke gemeentelijke functies hieronder vallen, kan uit het functieboek niet worden afgeleid dat de Teamleider Plannen & Vergunningen geen strategisch manager I, II of III kan zijn. Daarnaast overweegt de Afdeling dat uit de functieomschrijvingen in het functieboek volgt dat een strategisch manager I, II of III onder andere leiding geeft aan een groep medewerkers binnen (een deel van) de organisatie. Omdat aannemelijk is dat een teamleider leiding geeft aan een groep medewerkers binnen (een deel van) de organisatie en dus onder het algemene functieprofiel van strategisch manager I, II of III valt, ziet de Afdeling ook daarom geen reden om te twijfelen aan de bevoegdheid van de Teamleider Plannen & Vergunningen om het hoger beroep in te stellen.

Is het hoger beroep tijdig ingediend?

6.       [wederpartij] stelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet kan worden vastgesteld dat het hogerberoepschrift uiterlijk op 5 juni 2024 ter post is bezorgd en dus tijdig is ingediend. De poststempel ontbreekt namelijk.

6.1.    De rechtbankuitspraak is op 24 april 2024 aan partijen verzonden. Op grond van artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is de termijn van zes weken om hoger beroep in te stellen dus begonnen op 25 april 2024. De laatste dag van de termijn was 5 juni 2024.

6.2.    Uit de dossierstukken blijkt dat de rechtbank onder haar uitspraak van 24 april 2024 een onjuiste rechtsmiddelenclausule had opgenomen, waarin stond dat verzet kon worden gedaan tegen de uitspraak. Als gevolg daarvan heeft het college een verzetschrift bij de rechtbank ingediend. Het verzetschrift is, anders dan [wederpartij] veronderstelt, niet per post verstuurd, maar op 5 juni 2024 via e-mail bij de rechtbank binnengekomen. De rechtbank heeft het verzetschrift aangemerkt als hogerberoepschrift en heeft de ontvangst van het stuk op 6 juni 2024 aan het college bevestigd. Omdat de rechtbank niet bevoegd was om kennis te nemen van het hoger beroep, heeft zij het hoger beroep op 18 juni 2024 doorgezonden aan de Afdeling.

6.3.    Op grond van artikel 6:15, derde lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het hogerberoepschrift tijdig is ingediend, behoudens in het geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Nu het college het hogerberoepschrift binnen de beroepstermijn op 5 juni 2024 heeft ingediend bij de rechtbank en zich geen kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht voordoet, is het hogerberoepschrift dus tijdig ingediend.

Heeft het college procesbelang?

7.       Volgens [wederpartij] heeft het college geen procesbelang meer bij een beoordeling van het hoger beroep. Hij voert daartoe aan dat het college in de brief van 8 augustus 2024 heeft erkend dat er sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning en dat het college deze vergunning alsnog heeft bekendgemaakt. De vergunning is inmiddels onherroepelijk.

7.1.    Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de appellant voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft de appellant die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of (hoger) beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.

7.2.    De rechtbank heeft het college opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. De rechtbank heeft daaraan een dwangsom verbonden voor elke dag waarmee de genoemde termijn wordt overschreden. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het college de verlening van de omgevingsvergunning bekendgemaakt. In de brief van 8 augustus 2024 heeft het college [wederpartij] hierover geïnformeerd.

De Afdeling overweegt dat het louter uitvoering geven aan een rechterlijke uitspraak om het verbeuren van dwangsommen te voorkomen, niet impliceert dat in die uitspraak wordt berust. Het college heeft de beslissing van de rechtbank in hoger beroep gemotiveerd bestreden. Het doel dat het college met het rechtsmiddel voor ogen staat, kan bovendien nog worden bereikt. In hoger beroep kan namelijk worden geoordeeld dat er geen omgevingsvergunning van rechtswege is verleend die bekendgemaakt moest worden. Die vergunning kan dan met terugwerkende kracht ook niet onherroepelijk zijn. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college procesbelang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.

Strijd met de goede procesorde

8.       Op de zitting heeft het college in de overgelegde pleitnota voor het eerst de hogerberoepsgrond naar voren gebracht dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat de beslistermijn is opgeschort met 23 dagen, in plaats van met 41 dagen. Volgens [wederpartij] is deze nieuwe grond te laat ingediend.

Ook de quickscan "Ecologische beoordeling Wet natuurbescherming" van Successie Natuurzaken van juli 2022 (quickscan) die het college een aantal dagen voor de zitting heeft ingediend, moet volgens [wederpartij] vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.

8.1.    Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.

Deze twee vragen hanteert de Afdeling ook om te beoordelen of het aanvoeren van nieuwe argumenten of het inbrengen van nieuw bewijs na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb in strijd is met de goede procesorde.

8.2.    De Afdeling overweegt dat de hogerberoepsgrond van het college dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste opschortingsperiode voor het eerst op de zitting naar voren is gebracht. De Afdeling ziet daarom aanleiding om deze grond wegens strijd met de goede procesorde bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak buiten beschouwing te laten. Hierbij is van belang dat [wederpartij] door het in deze fase van de procedure inbrengen van deze grond belemmerd is om hierop adequaat te reageren. Ook heeft het college niet onderbouwd waarom het deze grond niet eerder naar voren had kunnen brengen.

De Afdeling ziet geen aanleiding om de door het college ingediende quickscan wegens strijd met de goede procesorde bij de beoordeling buiten beschouwing te laten. Hoewel deze quickscan kort voor de zitting is ingediend, betreft het de quickscan die [wederpartij] zelf bij zijn vergunningaanvraag heeft overgelegd. [wederpartij] is dus bekend met de inhoud ervan.

Hoger beroep college

9.       Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is op de aanvraag van [wederpartij]. Volgens het college is voor de aanvraag namelijk een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo vereist. Dat betekent dat op de aanvraag moet worden beslist met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb en dat geen vergunning van rechtswege kan zijn verleend die bekendgemaakt moest worden.

Ter onderbouwing hiervan voert het college aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen relevant verschil bestaat tussen de aanvraag van 15 juli 2022 en de vergunning van 11 juli 2023. De aanvraag van 15 juli 2022 betreft volgens het college een project met walbeschoeiing die zich uitstrekt tot in het beschermde Natura 2000-gebied Alde Feanen. Dit project leidt tot een rechtstreekse aantasting van de natuur, omdat in het onbebouwde natuurgebied wordt ingegrepen met het plaatsen van een betonnen walbeschoeiing. Het project dat op 11 juli 2023 is vergund, levert volgens het college geen strijd op met de Wet natuurbescherming (Wnb). De daarmee vergunde walbeschoeiing is aanzienlijk korter en strekt zich, anders dan de walbeschoeiing waarop de aanvraag van 15 juli 2022 ziet, niet uit tot in het beschermde Natura 2000-gebied. Dat het college voor de vergunning van 11 juli 2023 heeft geconstateerd dat er geen verklaring van geen bedenkingen is vereist, betekent dus niet dat voor de aanvraag van 15 juli 2022 ook geen verklaring is vereist.

9.1.    Op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo, is op een aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing, tenzij de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt. De beantwoording van de vraag welke voorbereidingsprocedure van toepassing is, is afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. Dat is geregeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo. De Wabo schrijft dwingend voor welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin dus geen keuze, maar moet de voorbereidingsprocedure toepassen die de Wabo voorschrijft. Bij de ene voorbereidingsprocedure kan wel een vergunning van rechtswege zijn gegeven, bij de andere kan dat niet. In paragraaf 4.1.3.3 van de Awb is de beschikking van rechtswege geregeld. Die paragraaf geldt ook voor vergunningen van rechtswege. Als de Wabo bepaalt dat de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, dan kan geen omgevingsvergunning van rechtswege zijn gegeven. In artikel 3:10, vierde lid, van de Awb is namelijk bepaald dat paragraaf 4.1.3.3 van die wet niet van toepassing is als afdeling 3.4 moet worden toegepast. Als de reguliere voorbereidingsprocedure moet worden toegepast, dan is een omgevingsvergunning van rechtswege gegeven als het bestuursorgaan niet binnen de wettelijk gestelde termijn een besluit op de aanvraag heeft genomen. Dat is geregeld in artikel 3.9, derde lid, van de Wabo in combinatie met artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb.

9.2.    Op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder e, in samenhang gelezen met artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing als de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een geval waarin een verklaring van geen bedenkingen is vereist.

Op grond van artikel 6.10a, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is een verklaring van geen bedenkingen vereist voor projecten die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, indien voor dat project niet reeds een vergunning op grond van de Wnb is aangevraagd of verleend.

9.3.    De Afdeling stelt vast dat er geen vergunning op grond van de Wnb is aangevraagd of verleend. Dat betekent dat, indien de door [wederpartij] aangevraagde walbeschoeiing significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied Alde Feanen, een verklaring van geen bedenkingen is vereist.

9.4.    De Afdeling stelt vast dat in de aanvraag van 15 juli 2022 een walbeschoeiing is aangevraagd van 60 m. In de omgevingsvergunning van 11 juli 2023 is een walbeschoeiing vergund van 40 m. Het college heeft toegelicht dat de walbeschoeiing van 60 m zich, anders dan de walbeschoeiing van 40 m, uitstrekt tot in het Natura 2000-gebied Alde Feanen. Dat volgt ook uit paragraaf 3.1.1 van de quickscan die onderdeel uitmaakt van de aanvraag. Omdat bouwen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied een andere impact kan hebben dan bouwen buiten een Natura 2000-gebied, had de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling op basis van een vergelijking tussen de aanvraag van 15 juli 2022 en de vergunning van 11 juli 2023 niet zonder meer tot het oordeel kunnen komen dat voor de aanvraag van 15 juli 2022 geen verklaring van geen bedenkingen is vereist.

De Afdeling overweegt daarnaast dat uit paragraaf 3.1.1 van de quickscan blijkt dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de door [wederpartij] aangevraagde walbeschoeiing van 60 m significante effecten heeft op de habitattypen in het Natura 2000-gebied Alde Feanen. Gelet op het in overweging 9.2 weergegeven toetsingskader was voor het project dan ook een verklaring van geen bedenkingen vereist. Dat betekent dat op de aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing was zodat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen omgevingsvergunning van rechtswege kon zijn gegeven die bekendgemaakt moest worden.

Het betoog slaagt.

Conclusie

10.     Gelet op het voorgaande is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing op de aanvraag van [wederpartij]. Dat betekent dat geen vergunning van rechtswege is gegeven. Voor [wederpartij] stond dan ook geen rechtsmiddel open tegen het niet tijdig bekendmaken van een beschikking van rechtswege als bedoeld in artikel 8:55f van de Awb. De rechtbank had zich daarom onbevoegd moeten verklaren.

11.     Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De Afdeling zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren. Het college moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag met toepassing van de voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Awb.

12.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 april 2024 in zaak nr. 23/1599;

III.      verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G.M. Schoonbrood, griffier.

w.g. Hoekstra

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schoonbrood

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026

867-1116

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:7

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

Artikel 6:8

1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

[…]

Artikel 6:15

1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

[…]

3. Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in het geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Artikel 6:24

Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.27

1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

[…]

Artikel 3.10

1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:

[…]

e. een geval waarin een verklaring vereist is, als bedoeld in artikel 2.27;

[…]

Wet natuurbescherming

Artikel 2.7

[…]

2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

[…]

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.2aa

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

a. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend;

[…]

Artikel 6.10a

1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

[…]