Omgevingsrecht
Bij besluit van 2 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk aan [persoon]…
Raad van State, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6226 · Raad van State · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/omgevingsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6226
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202402723/1/R4
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6226
Samenvatting
Bij besluit van 2 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk aan [persoon] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en gebruiken van een woning en voor een uitweg op het perceel [locatie] in Nijkerk (het perceel). [persoon] heeft op 23 december 2021 een aanvraag ingediend voor het bouwen van een woning met uitweg op het perceel. Het perceel waarop de woning is voorzien heeft in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nijkerkerveen en Holkerveen" (het bestemmingsplan) de bestemming "Wonen" en dubbelbestemming "Archeologie". De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan, omdat op het deel van het perceel waarop de woning is voorzien geen bouwvlak aanwezig is. [appellant] en anderen wonen in de directe omgeving van het perceel. Bij uitspraak van 21 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 2 november 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] en anderen kunnen zich niet met de uitspraak verenigen en hebben daartegen hoger beroep ingesteld.
Uitspraak
202402723/1/R4.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, allen wonend in Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 maart 2024 in zaak nr. 22/5965 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk.
Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en gebruiken van een woning en voor een uitweg op het perceel [locatie] in Nijkerk (het perceel).
Bij uitspraak van 21 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door A.G.J. Polman is verschenen. Verder is op de zitting [partij] gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij] heeft op 23 december 2021 een aanvraag ingediend voor het bouwen van een woning met uitweg op het perceel.
Het perceel waarop de woning is voorzien heeft in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nijkerkerveen en Holkerveen" (het bestemmingsplan) de bestemming "Wonen" en dubbelbestemming "Archeologie". De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan, omdat op het deel van het perceel waarop de woning is voorzien geen bouwvlak aanwezig is. Het college heeft bij besluit van 2 november 2022 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
[appellant] en anderen wonen in de directe omgeving van het perceel. Bij uitspraak van 21 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 2 november 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] en anderen kunnen zich niet met de uitspraak verenigen en hebben daartegen hoger beroep ingesteld.
Het hoger beroep
Geen nieuwe grond in hoger beroep
3. [appellant] en anderen voeren aan dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Dit hebben zij niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.
Mocht de omgevingsvergunning voor de woning worden verleend?
4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning voor de woning heeft kunnen verlenen. Zij voeren hiertoe aan dat met de vergunde woning geen sprake is van een in het straatbeeld passende bebouwing. Zij wijzen erop dat gebouwd had moeten worden in de tweede lijn en dat tweedelijnsbebouwing recentelijk ook is toegestaan. Ook leidt de vergunde woning tot een aantasting van privacy, vanwege inkijk in hun tuinen. Verder vrezen zij voor een afname van de opbrengst van hun zonnepanelen.
4.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
4.2. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan het straat- en bebouwingsbeeld op onaanvaardbare wijze zal aantasten. Het college heeft in aanmerking mogen nemen dat in de ruimtelijke onderbouwing staat dat de bebouwing aansluit op de aangrenzende percelen en ook dat uit het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit volgt dat de woning een bescheiden uitdrukking heeft die goed past in de dorpse omgeving. Dat wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd over de tweedelijnsbebouwing die recentelijk is toegestaan, geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank, alleen al omdat zij die stelling niet nader hebben onderbouwd.
Verder heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de woning leidt tot een onevenredige aantasting van de privacy van [appellant] en anderen. Weliswaar zal de bouw van de woning tot enig verlies van privacy in de tuinen leiden, maar zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college bij de beoordeling kunnen betrekken dat het vaste rechtspraak van de Afdeling is dat aan het wonen in een stedelijke omgeving, zoals in dit geval, inherent is dat er enige inkijk is. De Afdeling wijst in dit verband op haar uitspraak van 27 mei 2020, (ECLI:NL:RVS:2020:1285).Wat betreft de gestelde afname van de opbrengst van de zonnepanelen blijkt uit de bezonningsstudie van Selekthuis, die is uitgevoerd ten behoeve van het bouwplan, dat door realisering van het bouwplan geen sprake is van onevenredige schaduwwerking op de zonnepanelen op de daken van de woningen van [appellant] en anderen.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college geen omgevingsvergunning voor de woning had mogen verlenen.
Voor zover [appellant] en anderen een beroep doen op de "Beleidsregels Planologische Afwijkingsmogelijkheid artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 2° van de Wabo" (de beleidsregels), heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen betekenis toekomt aan die beleidsregels. De beleidsregels hebben betrekking op artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4 van de bij het Besluit omgevingsrecht behorende bijlage II. Maar in dit geval heeft het college de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo.
Het betoog slaagt niet.
Mocht de omgevingsvergunning voor de uitweg worden verleend?
5. [appellant] en anderen betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning voor de uitweg in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening Nijkerk 2021 (de APV Nijkerk) heeft verleend. Zij voeren daarvoor aan dat de uitweg leidt tot een verkeersgevaarlijke situatie. Auto’s kunnen vanwege de draaicirkel, de inrit alleen op en af rijden door gebruik te maken van het tegenovergelegen trottoir. Verder voeren zij aan dat het een tweede uitweg betreft en dat door de uitweg ook het openbaar groen wordt aangetast.
5.1. Artikel 2.12 van de APV Nijkerk luidt:
"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
[…]."
5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen van de in de APV Nijkerk genoemde weigeringsgronden zich voordoen. Anders dan [appellant] en anderen betogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de uitweg leidt tot gevaar voor het verkeer op de weg. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat, gelet op de tekening van de draaicirkels, de aanwezige breedte van de uitweg voldoende is om daarop de draai te kunnen maken. Bovendien ligt voor de uitweg een fietspad dat wordt gebruikt voor bestemmingsverkeer, waardoor het aantal verkeersbewegingen beperkt is.
Een onaanvaardbare aantasting van het openbaar groen doet zich evenmin voor. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat het gaat om een korte groenstrook met een beperkte breedte. Bovendien is het inrichtingsplan zodanig gewijzigd ten opzichte van de vorige situatie dat er meer ruimte voor groen is ontstaan.
Verder is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat met de aangevraagde uitweg geen sprake is van een tweede uitweg. Hierbij is van belang dat met de omgevingsvergunning een woning op een eigen perceel mogelijk wordt gemaakt. De aangevraagde uitweg is uitsluitend bestemd voor dat perceel, omdat dat nog geen uitweg heeft. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het geen tweede uitweg betreft.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college geen omgevingsvergunning voor de uitweg had mogen verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
776-1096