Omgevingsrecht
Bij besluit van 23 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht geweigerd om…
Raad van State, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6210 · Raad van State · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/omgevingsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6210
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202403898/1/R1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6210
Samenvatting
Bij besluit van 23 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht geweigerd om aan [partij] een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van een appartement in de schuur van het perceel aan de [locatie 1] in Maastricht. Nadat het college had geweigerd om aan [partij], de toenmalige bewoner van [locatie 1] in Maastricht, een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van een appartement in de schuur, heeft het college deze vergunning naar aanleiding van het door [partij] gemaakte bezwaar alsnog verleend. [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 2] en [appellante sub 1] was mede-eigenaresse van dit perceel. Volgens hen kon de omgevingsvergunning niet in stand blijven en daarom hebben zij beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante sub 1] en [appellant sub 2] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt en dat daarom niet wordt toegekomen aan de vraag of het college vergunning mocht verlenen. In hoger beroep bestrijden de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dit oordeel. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellante sub 1] en/of het hoger beroep [appellant sub 2] gegrond is.
Uitspraak
202403898/1/R1.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. de erven van [appellante sub 1], wonend in Maastricht,
2. [appellant sub 2], wonend in Maastricht,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 mei 2024 in zaken nrs. 21/1976 en 21/1973 in het geding tussen:
[appellante sub 1] en [appellant sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2021 heeft het college geweigerd om aan [partij] een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van een appartement in de schuur van het perceel aan de [locatie 1] in Maastricht.
Bij besluit van 14 juni 2021 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning herroepen. Het college heeft alsnog een omgevingsvergunning verleend.
Bij uitspraak van 17 mei 2024 heeft de rechtbank de door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] daartegen afzonderlijk ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] afzonderlijk hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep is [appellante sub 1] overleden. Dit beroep wordt voortgezet door de erven van [appellante sub 1].
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben beiden afzonderlijk een zienswijze ingediend over het incidenteel hoger beroep.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 september 2026. Het college, vertegenwoordigd door mr. M. Vorstermans, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 10 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Nadat het college had geweigerd om aan [partij], de toenmalige bewoner van [locatie 1] in Maastricht, een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van een appartement in de schuur, heeft het college deze vergunning naar aanleiding van het door [partij] gemaakte bezwaar alsnog verleend.
[appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 2] en [appellante sub 1] was mede-eigenaresse van dit perceel. Volgens hen kon de omgevingsvergunning niet in stand blijven en daarom hebben zij beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante sub 1] en [appellant sub 2] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt en dat daarom niet wordt toegekomen aan de vraag of het college vergunning mocht verlenen. In hoger beroep bestrijden de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dit oordeel. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellante sub 1] en/of het hoger beroep [appellant sub 2] gegrond is.
Bespreking van de hoger beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2]
3. De erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank de beroepen ten onrechte heeft afgedaan op de grond dat [appellante sub 1] en [appellant sub 2] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Hiertoe voeren de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] aan dat zich gelet op de beperkte tussengelegen afstand, het zicht en de gevolgen van de vergunningverlening voor de verkeers- en parkeerproblematiek, gevolgen van enige betekenis zullen voordoen.
Volgens hen is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van een tussengelegen afstand van 130 meter. De erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat die afstand in werkelijkheid 123 meter bedraagt. Zij betogen dat uit rechtspraak volgt dat men bij een afstand van 120 tot 125 meter als belanghebbende kan worden aangemerkt in gevallen waarin er sprake is van zicht en/of ruimtelijke gevolgen.
De erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] voeren verder aan dat de rechtbank ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat er vanaf het perceel [locatie 2] geen relevant zicht bestaat op het pand aan de [locatie 1] waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft.
Daarnaast betogen de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dat vanwege de consequenties van de vergunningverlening voor de verkeers- en parkeerproblematiek in de omgeving, gevolgen van enige betekenis worden ondervonden en zich daarom belanghebbendheid voordoet. Volgens hen maakt de vergunning intensiever gebruik van het perceel mogelijk, wat leidt tot meer verkeersgeneratie en een aanvullende parkeerbehoefte. Gelet op de huidige verkeers- en parkeerproblematiek zal de situatie daarom met de vergunningverlening verslechteren. Volgens de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] volgt uit rechtspraak dat een verhoogde parkeerdruk gevolgen van enige betekenis oplevert. De rechtbank gaat hier volgens hen ten onrechte aan voorbij door te beoordelen of er op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden, iets wat tussen partijen ter discussie staat. Hierbij is naar hun mening een verkeerde toets uitgevoerd door een inhoudelijk standpunt te betrekken bij de beoordeling of [appellante sub 1] en [appellant sub 2] als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.
Mocht tot de conclusie worden gekomen dat dit wel bij de beoordeling mag worden betrokken, dan is volgens de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] het parkeren op eigen terrein onvoldoende geborgd. Volgens hen blijkt uit luchtfoto’s dat er onvoldoende ruimte is op het perceel en is er geen voorschrift in de omgevingsvergunning opgenomen waarin staat dat de parkeerplaatsen volgens de bijgevoegde tekening moeten worden uitgevoerd. Ook staan er geen afmetingen op de tekening. Hier komt bij dat de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] betwijfelen of in relatie tot de geldende parkeernormen van het juiste aantal parkeerplaatsen wordt uitgegaan.
Verder betogen de erven van [appellante sub 1] dat de [locatie 2] binnen een aanvaardbare loopafstand ligt van [locatie 1] en dat dus niet kan worden uitgesloten dat er nabij hun woning zal worden geparkeerd ten behoeve van het vergunde appartement.
Ten slotte voeren zij aan dat als er twijfel is of een rechtzoekende als belanghebbende kan worden aangemerkt, er in het voordeel van de rechtzoekende moet worden beslist.
3.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
3.2. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
3.3. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank [appellante sub 1] en [appellant sub 2] terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. In dat verband is het volgende van belang.
Partijen zijn verdeeld over de exacte tussengelegen afstand. Volgens de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] is dit 123 meter en volgens het college, daarin gevolgd door de rechtbank, is dit 130 meter. Wat de afstand echter ook is, het is hoe dan ook ruimschoots meer dan 100 meter vanaf het perceel van de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2]. Dit is, gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, een ruime afstand waarbij het onwaarschijnlijk is dat er gevolgen van enige betekenis op of bij het perceel zijn waar te nemen. Hierbij is mede van belang dat de ontwikkeling plaatsvindt in een bestaande schuur.
Voor zover er vanaf [locatie 2] al zicht is op het pand aan de [locatie 1], is dit zicht mede gelet op de aanzienlijke tussengelegen afstand zeer beperkt. Dit is ook te zien op de door de door de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] in hoger beroep overgelegde foto, waarbij zij het beeld hebben moeten inzoomen om het zicht duidelijk te maken. Het zicht kan, voor zover aanwezig, daarom niet worden geacht gevolgen van enige betekenis op te leveren.
De Afdeling is van oordeel dat er ook vanwege de verkeers- en parkeerontwikkelingen geen gevolgen van enige betekenis zijn te verwachten. Ook daarbij is van belang dat het gaat om een kleinschalige ontwikkeling op geruime afstand van het perceel van de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2]. Verder zal, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de ontstane parkeerbehoefte naar verwachting op eigen terrein worden opgevangen. Hierdoor heeft dit geen invloed op de verkeers- en parkeersituatie op de weg. Hierbij is van belang dat de bij aanvraag gevoegde tekening voor het realiseren van de parkeerplaatsen deel uitmaakt van de omgevingsvergunning. De Afdeling volgt niet het standpunt van de erven van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] dat dit niet mag worden betrokken bij de beoordeling of omwonenden als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. In het verlengde daarvan onderschrijft de Afdeling ook niet het standpunt dat de rechtbank bij het beoordelen van de belanghebbendheid te diep in de inhoud van de zaak is getreden. Daarbij is van belang dat de uitspraak van de rechtbank er geen blijk van geeft dat zij de criteria voor het aannemen van belanghebbendheid gelijk heeft getrokken met de criteria die gelden voor het al dan niet kunnen verlenen van een vergunning als hier aan de orde. Dat die criteria niet behoren samen te vallen, heeft de Afdeling overwogen in de uitspraak van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1066, onder 2.3. Dat neemt niet weg dat als mogelijke gevolgen niet zijn te verwachten, dit betekent dat er ook geen gevolgen van enige betekenis kunnen zijn en dit mag worden meegenomen in de beoordeling van de belanghebbendheid.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. De hoger beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de voorwaarde waaronder het college incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, niet is vervuld. Het incidenteel hoger beroep van het college is daarom vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan wordt dus niet toegekomen.
Omdat [appellante sub 1] en [appellant sub 2] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, komt de Afdeling ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen.
Proceskosten
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
195-1185