Omgevingsrecht
Bij besluit van 6 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht aan [partij] een…
Raad van State, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6209 · Raad van State · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/omgevingsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2026-6209
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over omgevingsrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202403900/1/R1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Omgevingsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:6209
Samenvatting
Bij besluit van 6 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een woonhuis in een voormalige schuur en twee zogenoemde guesthouses aan de voorzijde van de woning aan de [locatie 1] in Maastricht. Het college heeft aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een woonhuis in de voormalige schuur en twee guesthouses aan de voorzijde van de woning aan de [locatie 1] in Maastricht. [appellant sub 2] woont op het perceel aan de [locatie 2] en [appellant sub 1] was mede-eigenaresse van dit perceel. De erven van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wijzen erop dat de afstand tussen de percelen [locatie 2] en [locatie 1] slechts 53 tot 56 meter bedraagt en dat er vanaf [locatie 2] zicht is op het perceel [locatie 1]. Verder heeft het verlenen van de vergunning volgens hen consequenties voor de verkeers- en parkeerproblematiek ter plaatse die maken dat bewoners van het perceel [locatie 2] gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden. In verband daarmee had het college [appellant sub 1] en [appellant sub 2] als belanghebbenden moeten aanmerken, zo betogen zij. De rechtbank heeft dit volgens hen niet onderkend.
Uitspraak
202403900/1/R1.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. de erven van [appellant sub 1], wonend in Maastricht,
2. [appellant sub 2], wonend in Maastricht,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 mei 2024 in zaken nrs. 21/3309 en 21/3310 in het geding tussen:
[appellant sub 1] en [appellant sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2021 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een woonhuis in een voormalige schuur en twee zogenoemde guesthouses aan de voorzijde van de woning aan de [locatie 1] in Maastricht.
Bij afzonderlijke besluiten van 3 november 2021 heeft het college de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen afzonderlijk gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 17 mei 2024 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen afzonderlijk ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] afzonderlijk hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep is [appellant sub 1] overleden. Dit hoger beroep wordt voortgezet door de erven van [appellant sub 1].
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2026. Het college, vertegenwoordigd door mr. M. Vorstermans, en [partij] hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college heeft aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een woonhuis in de voormalige schuur en twee guesthouses aan de voorzijde van de woning aan de [locatie 1] in Maastricht. [appellant sub 2] woont op het perceel aan de [locatie 2] en [appellant sub 1] was mede-eigenaresse van dit perceel.
Het college heeft de bezwaren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet-ontvankelijk verklaard omdat zij volgens het college niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. De rechtbank heeft de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard, omdat naar haar oordeel het college terecht heeft geconcludeerd dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen belanghebbenden zijn. In hoger beroep bestrijden de erven van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat oordeel.
Bespreking van de hoger beroepen
3. De erven van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wijzen erop dat de afstand tussen de percelen [locatie 2] en [locatie 1] slechts 53 tot 56 meter bedraagt en dat er vanaf [locatie 2] zicht is op het perceel [locatie 1]. Verder heeft het verlenen van de vergunning volgens hen consequenties voor de verkeers- en parkeerproblematiek ter plaatse die maken dat bewoners van het perceel [locatie 2] gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden. In verband daarmee had het college [appellant sub 1] en [appellant sub 2] als belanghebbenden moeten aanmerken, zo betogen zij. De rechtbank heeft dit volgens hen niet onderkend.
3.1. Het college wijst er in reactie op het hoger beroep op dat de vergunning nagenoeg niet voorziet in het vergroten van de bouwmassa op het perceel [locatie 1]. Verder brengt het college naar voren dat de afstand tussen de percelen [locatie 2] en [locatie 1] weliswaar 56 meter is, maar dat de afstand tussen het eerstgenoemde perceel en de gevel van de bebouwing op het laatstgenoemde perceel 66 meter bedraagt. Ook wijst het college erop dat de percelen aan dezelfde kant van de straat liggen en dat tussen de percelen verscheidene panden liggen die ook uitbouwen aan de achterzijde hebben. Daardoor is er volgens hem vanaf de [locatie 2] hooguit beperkt zicht op het perceel [locatie 1]. Het college stelt zich verder op het standpunt dat bewoners het perceel [locatie 2] geen gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden op het gebied van verkeer en parkeren. In dat verband brengt het college naar voren dat de parkeerbehoefte die ontstaat door het realiseren van het bouwplan, wordt opgevangen op eigen terrein. Om deze redenen stelt het college zich op het standpunt dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen belanghebbenden waren bij het besluit waarbij vergunning is verleend, zodat hun bezwaren daartegen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. In het verlengde daarvan acht het college de hoger beroepen van de erven van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond.
3.2. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
3.3. De Afdeling stelt vast dat de relevante tussengelegen afstand in dit geval ruimschoots korter is dan 100 meter, ook wanneer de metingen van het college tot uitgangspunt worden genomen. Verder moet worden aangenomen dat er vanaf [locatie 2] enig zicht is op [locatie 1], al is dat zicht beperkt. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden volgehouden dat zich geen gevolgen van enige betekenis voor bewoners van het perceel [locatie 2] kunnen voordoen, ook niet wanneer in aanmerking wordt genomen dat de verleende vergunning het niet mogelijk maakt om de bouwmassa aan de [locatie 1] sterk te vergroten. Daarbij kan in het midden blijven of zich ook gevolgen van enige betekenis kunnen voordoen op het gebied van verkeer of parkeren en of de rechtbank in dat opzicht een juiste maatstaf heeft aangelegd. Dit betekent dat het college [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten onrechte niet als belanghebbenden heeft aangemerkt en dat de rechtbank de besluiten waarbij het college hun bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard, ten onrechte in stand heeft gelaten.
De betogen slagen.
Conclusie
4. Het voorgaande leidt de Afdeling tot de slotsom dat de hoger beroepen gegrond zijn en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 3 november 2021 alsnog gegrond verklaren. Die besluiten moeten worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. Dat artikellid bepaalt dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op de grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb het college op te dragen binnen de hieronder vermelde termijn met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op de bezwaren te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.
Dit betekent dat de Afdeling in deze procedure niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren. Daarbij is van belang dat het op de weg van het college ligt zijn besluit op de grondslag van de gemaakte bezwaren te heroverwegen.
Judiciële lus
5. Ingevolge artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, kan, indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.
Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van dat artikellid te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar over de omgevingsvergunning slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten
6. Het college moet op na te melden wijze de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 mei 2024, in zaken nrs. 21/3309 en 21/3310;
III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Maastricht van 3 november 2021, kenmerken 21-0444BB en 21-0445BB, gegrond;
IV. vernietigt de onder III genoemde besluiten;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Maastricht op om binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maastricht tot vergoeding van bij de erven van [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maastricht tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Maastricht aan de erven van [appellant sub 1] het voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 460,00 vergoedt;
X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Maastricht aan [appellant sub 2] het voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 460,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
195-1185