Bestuursrecht overig
Rechtsbijstand; bedrijfsmatig belang. Gelet op de wetshistorie, zoals bevestigd in de jurisprudentie, is…
Rechtbank Amsterdam, 2 november 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:8335 · Rechtbank Amsterdam · 2 november 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2015-8335
Zaakgegevens
Op 2 november 2015 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 november 2015
- Datum publicatie
- 25 november 2015
- Zaaknummer
- ams 15/1867
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2015:8335
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Rechtsbijstand; bedrijfsmatig belang. Gelet op de wetshistorie, zoals bevestigd in de jurisprudentie,
is beslissend of het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft is ontstaan in het kader van de uitoefening van een zelfstandig beroep of een beroep. Om na te gaan wat het rechtsbelang is waarop de aanvraag betrekking heeft, moet dus worden teruggegaan in de causale keten van gebeurtenissen. Onderscheid tussen enerzijds natuurlijke en anderzijds rechtspersonen in artikel 12, tweede lid sub e onder 1° van de Wrb gerechtvaardigd.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 15/1867
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2015 in de zaak tussen
[eiser] , te Nieuwegein, eiser
(gemachtigde: mr. drs. M.H.G. Plieger),
en
Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).
Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen.
Bij besluit van 9 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2015. De gemachtigde van eiser is door de rechtbank op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld telefonisch deel te nemen aan de behandeling ter zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft een toevoeging aangevraagd met het oog op het in kort geding - naar de rechtbank begrijpt - doen staken van de executie van dwangsommen.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat het rechtsbelang waarop deze betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft. Verweerder heeft daarbij verwezen naar artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en naar zijn beleid zoals opgenomen in het Handboek Toevoegen 2007 (Handboek).
3. Ingevolge het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de Wrb wordt rechtsbijstand uitsluitend verleend ter zake van in de Nederlandse rechtssfeer liggende rechtsbelangen aan natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in artikel 34 genoemde bedragen niet overschrijdt.
Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:
1º. voortzetting van het beroep of bedrijf voorzover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of
2º. het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij een procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed.
Eiser betwist dat het rechtsbelang waarop zijn verzoek om een toevoeging betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft. Het rechtsbelang ziet volgens hem op het tegengaan van een aan hem in privé opgelegde dwangsom. Eiser is als privépersoon veroordeeld om aandelen [bedrijfsnaam] te leveren. Verweerder stelt eiser in persoon ten onrechte gelijk aan een rechtspersoon. Bezwaarlijk kan echter worden gezegd dat eisers beroep of bedrijf het houden van aandelen inhoudt, aldus eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt. Blijkens de aanhef van artikel 12 van de Wrb wordt rechtsbijstand verleend aan natuurlijke of rechtspersonen. Voor zover eiser dan ook aanvoert dat verweerder hem als meerderheidsaandeelhouder van een rechtspersoon ten onrechte gelijkstelt aan een rechtspersoon, heeft dit geen relevantie. Het maakt immers voor het verkrijgen van gesubsidieerde rechtsbijstand in beginsel niet uit of de belanghebbende een natuurlijk persoon of een rechtspersoon is.
Verweerder baseert zich op de uitzondering in het tweede lid onder e. Dit betreft de situatie waarin het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft. Verweerder voert bij de toepassing van de Wrb beleid, onder meer neergelegd in het Handboek. Daarin wordt de volgende uitwerking gegeven aan genoemd artikellid:
"Voor de beantwoording van de vraag of een rechtsbelang de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, is de oorsprong van het rechtsbelang bepalend. (...) Het criterium is zowel van toepassing ten aanzien van natuurlijke personen die een zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen als ten aanzien van bedrijven of organisaties met rechtspersoonlijkheid. (...) Bepalend is slechts de vraag of sprake is van deelname aan het economisch verkeer."
In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 12, tweede lid, aanhef
en onder e, van de Wrb (Kamerstukken II 1992/93, 22 609, nr. 6, blz. 12) is onder meer het volgende vermeld:
"Het kan naar ons oordeel niet zo zijn dat de rechtsbijstandkosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van de rechtzoekende worden afgewenteld op de overheid. Deelname aan het economisch leven brengt nu eenmaal risico's met zich. De ondernemer, of deze zelfstandige is of niet, kan voor dit soort risico's reserveren of zich verzekeren. Voor hem zijn de kosten van rechtsbijstand bovendien een fiscale aftrekpost. Om deze redenen worden, zoals ook thans het geval is, rechtsbelangen die de zelfstandige beroeps- of bedrijfsuitoefening betreffen, van rechtsbijstand uitgesloten. Deze bepaling geldt zowel voor de natuurlijke persoon als de rechtspersoon."
Gelet op de hierboven weergegeven wetshistorie, zoals bevestigd in de jurisprudentie, zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)
25 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:572) is beslissend of het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft is ontstaan in het kader van de uitoefening van een zelfstandig beroep of een beroep. Om na te gaan wat het rechtsbelang is waarop de aanvraag betrekking heeft, moet dus worden teruggegaan in de causale keten van gebeurtenissen. Uit de stukken in het dossier is genoegzaam naar voren gekomen dat eiser enig bestuurder en meerderheidsaandeelhouder was van [bedrijfsnaam] ., een in Nederland gevestigde vennootschap, opgericht naar het recht van het Verenigd Koninkrijk. [bedrijfsnaam] . werkte samen op de Nederlandse markt met een Chileense onderneming (CLC), die een minderheidsbelang in [bedrijfsnaam] . hield. CLC kocht hout in en leverde het aan [bedrijfsnaam] . [bedrijfsnaam] verkocht het hout door aan derden in Nederland. In 2006 heeft eiser 75% van de aandelen in [bedrijfsnaam] . aan CLC verkocht. Deze heeft de koopsom voor de aandelen aan eiser voldaan. Eiser heeft de aandelen niet aan CLC geleverd. Eiser is in verband daarmee bij vonnis van 20 februari 2013 van de rechtbank Midden Nederland veroordeeld tot het leveren van aandelen van [bedrijfsnaam] . aan CLC op straffe van een dwangsom. De procedure waarvoor eiser een toevoeging aanvraagt, betreft een executie kort geding om de opgelegde dwangsommen op te heffen, omdat eiser naar zijn zeggen de aandelen niet kan leveren.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eisers belang bij het tegengaan van het verbeuren van de dwangsommen is ontstaan in het kader van de uitoefening van eisers bedrijf. Het feit dat sprake is van een geschil tussen aandeelhouders en het geschil thans gaat over het schorsen van de dwangsom, maakt dit niet anders. Het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, vloeit voort uit de deelname van eiser als zelfstandig ondernemer aan het economisch verkeer. Blijkens de wet is het geen taak van de overheid om (een deel van) de kosten van rechtsbijstand, die ten gevolge van problemen die uit de beroeps- of bedrijfsactiviteiten voortvloeien, voor zijn rekening te nemen. Deze kosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van de rechtzoekende dienen voor rekening en risico van de ondernemer te komen, omdat zij kunnen worden gerekend tot de normale risico's verbonden aan de deelname aan het economisch verkeer als ondernemer. Verweerder heeft zich dan ook met juistheid op het standpunt gesteld dat de uitzondering van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb op eiser van toepassing is.
Eiser voert subsidiair aan dat verweerder niet consistent is in zijn bestreden besluit, door de uitzondering van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb onder 1° niet op eiser van toepassing te achten op de grond dat zijn beroep of bedrijf in de vorm van een rechtspersoon werd/wordt gevoerd. Voor artikel 12, tweede lid sub e, van de Wrb wordt eiser als privépersoon met [bedrijfsnaam] . vereenzelvigd. Voor de uitzondering onder 1° wordt eiser rechtspersoonlijkheid toegedicht. Dit acht eiser tegenstrijdig.
De rechtbank overweegt dienaangaande dat wat er ook zij van deze beweerdelijke tegenstrijdigheid, het betoog van eiser niet kan slagen. De uitzondering genoemd onder 1º betreft het geval dat voortzetting van het beroep of bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand. Het lag dan op de weg van eiser als aanvrager van rechtsbijstand om aannemelijk te maken dat een dergelijke situatie zich voordoet. Met eisers ter zitting ingenomen stelling dat het evident is dat zijn bedrijf op het spel staat door de dwangsomoplegging heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de voortzetting van zijn bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand.
6. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het onderscheid tussen enerzijds natuurlijke en anderzijds rechtspersonen in artikel 12, tweede lid sub e onder 1° van de Wrb niet geoorloofd is wegens strijd met het discriminatieverbod als neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (BUPO), overweegt de rechtbank als volgt. Mede met het oog op de financiële beheersbaarheid van het systeem van rechtsbijstandsverlening moet het gerechtvaardigd worden geacht rechtsbijstandskosten in civiele procedures die voortvloeien uit beroep of bedrijf in beginsel voor rekening van de ondernemer te laten. De wetgever heeft ervoor gekozen de bedoelde uitzondering op de uitzondering alleen voor eenmanszaken te laten gelden. De keuze voor een bepaalde rechtsvorm om ondernemingsactiviteiten in te ontwikkelen is aan de ondernemer. Hij kan kiezen tussen een eenmanszaak of een rechtspersoon. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb onder 1° een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen natuurlijke personen en rechtspersonen.
Eiser voert meer subsidiair aan dat de tweede uitzondering van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, zich voordoet (wel toevoeging indien het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij een procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed). [bedrijfsnaam] . is sinds het in rechtsoverweging 4.5 genoemde vonnis van de rechtbank Midden Nederland van 20 februari 2013 geëindigd. [bedrijfsnaam] . is door het bevoegde register het Companies Registration Office te Cardiff, Verenigd Koninkrijk uitgeschreven, aldus eiser.
Verweerder heeft bij de stukken een uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) Van [bedrijfsnaam] . van 17 april 2015 overgelegd. Hieruit blijkt dat [bedrijfsnaam] . ten tijde van belang nog bestond. Dit betekent dat het bedrijf van eiser niet is beëindigd, aldus verweerder.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder hanteert bij de toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb beleid, neergelegd in de werkinstructie "Bedrijfsmatig handelen", gepubliceerd op kenniswijzer.rvr.org. Volgens deze werkinstructie is voor het antwoord op de vraag of het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd de uitschrijving uit het handelsregister van de KvK leidend. Het leidend zijn van de gegevens uit de KvK wordt niet anders door de stelling van eiser dat [bedrijfsnaam] . een vennootschap is, die naar het recht van het Verenigd Koninkrijk is opgericht. Aangezien eiser een beroep doet op de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de Wrb, lag het op zijn weg bij de aanvraag aannemelijk te maken dat die situatie zich voordeed. Met de enkele verwijzing naar de uitschrijving bij het “Companies House” heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de uitzondering als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de Wrb zich in zijn geval voordoet.
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten de aanvraag van eiser om een toevoeging af te wijzen. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding tot vergoeding van het griffierecht dan wel tot een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2015.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Conc.: MvdB
Coll.: FZ
D: B
VK
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.