Bestuursrecht overig
Rechtbank Amsterdam · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig
Rechtbank Amsterdam, 5 augustus 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:6033 · Rechtbank Amsterdam · 5 augustus 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2019-6033
Zaakgegevens
Op 5 augustus 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2019
- Datum publicatie
- 15 augustus 2019
- Zaaknummer
- AMS 18/5976
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:6033
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep niet-ontvankelijk
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 18/5976
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
5 augustus 2019 in de zaak tussen
[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] , te [woonplaats] en [eiser 5], te [woonplaats] , eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M.C. Duits).
Tevens heeft aan het geding deelgenomen:
[naam vergunninghouder] , te [woonplaats] , vergunninghouder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2018 (de omgevingsvergunning) heeft verweerder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor het vervangen van de woonboot [nummer woonboot] door de woonboot [naam woonboot] op de locatie [locatie woonboot] .
Eisers hebben tegen de omgevingsvergunning beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eisers zijn verschenen, tezamen met [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen, tezamen met
[naam 2] .
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eisers hebben geen zienswijze naar voren gebracht tegen het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning. [eiser 2] heeft na afloop van de termijn om een zienswijze naar voren te brengen telefonisch contact gehad met verweerder. De rechtbank is van oordeel dat voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat dit als een zienswijze was bedoeld, deze zienswijze buiten de termijn naar voren is gebracht. Uit de artikelen 6:13 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dan dat het beroep van eisers in principe niet-ontvankelijk is en dus niet inhoudelijk kan worden behandeld. Alleen indien het eisers niet verweten kan worden dat zij niet of te laat een zienswijze hebben ingediend, kan het beroep wel inhoudelijk worden beoordeeld.
3. Eisers stellen in dit verband dat zij nog in overleg waren met vergunninghouder en vergunninghouder achter hun rug om de omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Deze aanvraag is ook gedaan zonder de VvE hierover vooraf te informeren. Bovendien waren eisers, gezien de betreffende locatie, er ook niet op bedacht dat mogelijk een omgevingsvergunning aangevraagd zou worden. Eisers betwijfelen verder of een omgevingsvergunning wel nodig was. Daarom hebben zij niet opgelet of een aanvraag was ingediend. De rechtbank overweegt dat genoemde redenen op zich niet onbegrijpelijk zijn. Maar de rechtspraak is streng op dit gebied. Verwacht wordt dat burgers altijd opletten of een - in dit geval - aanvraag voor een omgevingsvergunning is gedaan. Alleen als iemand echt niet in staat was om een zienswijze in te dienen, kan dit niet worden tegengeworpen. Dat is bijvoorbeeld het geval als iemand zo ziek is dat hij het zelf niet kan doen en ook niet een ander kan inschakelen om het te doen. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in het geval van eisers geen sprake is.
4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.M.M. Schenk, griffier, op 5 augustus 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.