Bestuursrecht overig

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag op grond van artikel 26 van de Wet waardering…

Rechtbank Amsterdam, 16 maart 2023

Zaakgegevens

Op 16 maart 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 maart 2023
Datum publicatie
15 maart 2023
Zaaknummer
AWB - 22 _ 5471
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:1425
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag op grond van artikel 26 van de Wet waardering onroerende zaken. Machtiging meer dan twee jaar oud. Geen recente machtiging overgelegd ondanks verzoek daartoe. Kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 22/5471

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

[gem. eiser] (hierna: [gem. eiser] ) heeft op 13 november 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag.

Verweerder heeft, ondanks een verzoek daartoe van de rechtbank, geen stukken en ook geen verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Met een brief van 14 augustus 2022 heeft [gem. eiser] namens eiser een aanvraag gedaan op grond van artikel 26 van de Wet waardering onroerende zaken.

3. [gem. eiser] heeft op 13 november 2022 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag onder overlegging van een schriftelijke machtiging gedateerd 30 juli 2020.

4. De rechtbank heeft [gem. eiser] in de gelegenheid gesteld om een recente machtiging te overleggen. Daaronder verstaat de rechtbank een machtiging die niet ouder is dan één jaar. [gem. eiser] heeft de rechtbank opnieuw de machtiging met dagtekening 30 juli 2020 toegestuurd en stelt zich daarbij op het standpunt dat er sprake is van een doorlopende machtiging.

5. Op grond van artikel 8:24, tweede lid van de Awb, kan de rechter een schriftelijke machtiging verlangen van een gemachtigde die geen advocaat is, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is. [gem. eiser] heeft een machtiging overgelegd van bijna twee jaar oud op de aanvraagdatum. De rechtbank is van oordeel dat uit deze machtiging onvoldoende blijkt dat [gem. eiser] daadwerkelijk wettelijk bevoegd is tot het voeren van de onderhavige procedure. De rechtbank wijst op een recente uitspraak van de Hoge Raad waarbij is geoordeeld dat de rechtbank een machtiging kan verlangen die niet ouder is dan één jaar. [gem. eiser] heeft ondanks het verzoek daartoe van de rechtbank geen machtiging opgestuurd die hieraan voldoet.

6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Uitspraak van 28 oktober 2022 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2022:1558.