Bestuursrecht overig

DT&V heeft voldaan aan AVG verzoek door overzicht te verstrekken. Verder is het verzoek niet specifiek genoeg…

Rechtbank Amsterdam, 25 januari 2023

Zaakgegevens

Op 25 januari 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
25 januari 2023
Datum publicatie
3 februari 2023
Zaaknummer
AMS 20/2476
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:491
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

DT&V heeft voldaan aan AVG verzoek door overzicht te verstrekken. Verder is het verzoek niet specifiek genoeg zodat niet andere diensten betrokken hadden hoeven te worden. Ongegrond. Wel overschrijding redelijke termijn

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/2476


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2023 in de zaak tussen


[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach).

Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek van eiseres tot inzage op grond van artikel 12 en 15, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

1.2.

Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 13 januari 2020 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 maart 2020 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van dat verzoek gebleven.

1.3.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Vrijstelling griffierecht

2. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe, omdat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan de voorwaarden voldoet. Dit betekent dat eiseres geen griffierecht hoeft te betalen.

Totstandkoming van het besluit

3.1.

Eiseres is een niet-toegelaten vreemdeling die verblijft in een opvang in Amsterdam. De gemeente biedt eiseres sinds 1 oktober 2015 opvang op grond van buiten wettelijk begunstigend beleid. Deze opvang is overgegaan in de Landelijke Voorziening Vreemdelingen (LVV).

3.2.

Op 25 juli 2019 heeft eiseres bij verweerder verzocht om hem inzage te verlenen in haar bij verweerder verwerkte persoonsgegevens. Eiseres heeft in haar verzoek – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“ (…) U verwerkt persoonsgegevens van cliënt. Ik vraag u mij aan te geven om welke

gegevens het gaat; wat het doel is van het gebruik; aan wie u de gegevens eventueel heeft verstrekt; welke passende waarborgen voor doorgifte u heeft aangetroffen als u deze gegevens heeft doorgegeven aan een ander land of aan een internationale organisatie; wat de herkomst is van de gegevens, als deze bekend is en hoe lang de gegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen.

Ik verzoek u om een kopie van de door u verwerkte persoonsgegevens te overleggen. ik verzoek u uitdrukkelijk ook om kopie van e-mails, (telefoon)verslagen en messenger-berichten die betrekking hebben op mijn cliënt. Ik verzoek u om inzage in de gegevens die u zelf verwerkt als ook de gegevens die zijn verwerkt door u of uw medewerkers bij derden-verwerkers (met inbegrip van bijvoorbeeld diensten als Microsoft [Office 365, Exchange], Facebook [WhatsApp, Messenger], Telegram, Signal et cetera). Dit verzoek ziet op alle

diensten, afdelingen, onderaannemers en gemachtigden die onder u ressorteren.

Ik beroep me voor mijn verzoek op artikel 12 en 15 eerste lid van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). (…)”.

3.3.

Met het primaire besluit van 13 januari 2020 heeft verweerder een beslissing genomen op eiseres’ verzoek op grond van artikel 12 en 15, eerste lid, van de AVG. Verweerder is deels tegemoet gekomen aan het verzoek van eiseres. Verweerder heeft een volledig overzicht van de persoonsgegevens binnen de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) overgelegd, van een drietal verwerkingsactiviteiten, namelijk vreemdelingenadministratie, afhandeling Wob/AVG-verzoeken en klachten en communicatiebestanden DT&V. Dit betreft de volgende informatie: de doeleinden van de verwerkingsactiviteiten, de categorieën van persoonsgegevens en om welke categorieën van persoonsgegevens het gaat, de categorieën ontvangers aan wie de persoonsgegevens worden verstrekt, de bewaartermijn van de persoonsgegevens, de herkomst van de persoonsgegevens en de passende waarborgen in het geval van internationale doorgifte. Verweerder is niet tegemoet gekomen aan het verzoek van eiser voor zover het de verwerking van persoonsgegevens bij andere onderdelen dan DT&V betreft. Verweerder is tevens niet tegemoet gekomen aan het verzoek van eiser om inzage van de verwerking van persoonsgegevens bij Facebook en Whatsapp, omdat Facebook en Whatsapp zijn aan te merken als zelfstandig verwerkingsverantwoordelijk. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat de aanvraag van eiseres ongericht, onvoldoende specifiek en te breed geformuleerd is.

3.4.

Met het bestreden besluit van 23 maart 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de AVG primair is gericht op de mogelijkheid van een betrokkene om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld in te zien, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Het is niet noodzakelijk om een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens. Het kopiëren van de persoonsgegevens in een document volstaat ook, dit blijkt uit jurisprudentie. Daarnaast zijn de gegevens over de pogingen die zijn ondernomen om terugkeer te bewerkstelligen benoemd als 'documenten'. Een vreemdeling krijgt al standaard alle afschriften van de vertrekgesprekken. In het primair proces kunnen besluiten naar aanleiding van aanvragen over onderdak en verslagen van vertrekgesprekken door de procesadvocaat worden opgevraagd bij de regievoerder. Verweerder overweegt verder dat op grond van het mandaatbesluit de beslissing voor opvang wordt genomen door de gemeente. In dit besluit worden de rollen en taken van verschillende partners duidelijk omschreven. In het geval van eiseres dient de aanvraag voor opvang te worden gedaan bij de gemeente Amsterdam. Omdat de gemeente Amsterdam de verwerkingsverantwoordelijke is, moet eiser bij hen de verzochte informatie opvragen over de opvang met betrekking tot de LVV.

Beoordeling door de rechtbank

4.1

De rechtbank beoordeelt of verweerder heeft voldaan aan het AVG-verzoek van eiseres.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseres zich op de zitting heeft neergelegd bij de mededeling van verweerder dat DT&V niet meer persoonsgegevens heeft verwerkt dan in het overzicht zijn opgenomen. De gemachtigde van eiseres heeft ermee ingestemd dat verweerder kon volstaan met het verstrekken van die gegevens zoals in het overzicht is gedaan.

4.3.

De gemachtigde van eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zijn AVG-verzoek gericht was aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) en zodoende ook ziet op de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verwerkte persoonsgegevens. Het gaat eiseres dan met name om de input die de IND heeft geleverd ten behoeve van de bespreking van haar casus in het kader van haar plaatsing in de LVV.

4.4.

Verweerder heeft op de zitting bevestigd dat eventuele door de IND verwerkte persoonsgegevens van eiseres niet zijn meegenomen bij de behandeling van het AVG-verzoek, omdat dit verzoek aan DT&V is verzonden en verweerder niet gehouden was om door andere onder de staatssecretaris vallende diensten verwerkte gegevens te verstrekken.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee heeft kunnen volstaan. Het AVG-verzoek van eiser, zoals beschreven onder 3.2. is heel ruim geformuleerd en weliswaar gericht aan de staatssecretaris, maar per fax verzonden aan DT&V. De inhoud van het AVG-verzoek geeft nauwelijks enige richting aan verweerder om te bepalen om welke informatie of verwerkingsactiviteit het gaat. Om die reden heeft verweerder ook – overeenkomstig rechtsoverweging 63 van de AVG – op 6 augustus 2019 aan eiser verzocht om nader te specificeren “op welke diensten of organisaties met betrekking tot vreemdelingenzaken of migratie, en waarvoor de Staatssecretaris als verwerkingsverantwoordelijke kan worden aangemerkt, het verzoek betrekking heeft”.

4.6.

Eiseres heeft daarop op 22 augustus 2019 geantwoord met:

“Daarnaast heeft u mij gevraagd het verzoek nader te specificeren. Het verzoek heeft betrekking op de directies op het Ministerie die ressorteren onder de Staatsecretaris alsmede de Dienst Terugkeer en Vertrek, voor de periode van 25 januari 2018 tot en met heden.”

De rechtbank is van oordeel dat eiseres met deze reactie het verzoek op geen enkele wijze specifieker heeft gemaakt. Daarom heeft verweerder in redelijkheid ervan mogen afzien om andere diensten die vallen onder de staatssecretaris, waaronder de IND, bij de afhandeling van het AVG-verzoek te betrekken. Het beroep is dan ook ongegrond.

Is de redelijke termijn overschreden?

5.1.

Eiseres heeft de rechtbank op de zitting verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

5.2.

De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.

5.3.

Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De rechtbank moet beoordelen op welke manier de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan of, als de overschrijding van de termijn heeft plaatsgevonden in beroep, ten laste van de Staat.

5.4.

Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend op 3 februari 2020. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, had in deze procedure uiterlijk op 3 februari 2022 uitspraak moeten worden gedaan. Gelet op de datum van deze uitspraak doet zich een overschrijding van de redelijke termijn voor met een periode van iets minder dan een jaar. Een rechtvaardiging van de overschrijding van deze termijn is de rechtbank niet gebleken. Uitgaande van een schadebedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank eiseres een schadevergoeding van € 1.000,- toekennen.

5.5.

De bezwaarfase heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 3 februari 2020 tot de datum van het bestreden besluit, 23 maart 2020, minder dan een half jaar geduurd. De termijnoverschrijding wordt dus volledig toegerekend aan de beroepsfase. Hieruit volgt dat de Staat der Nederlanden (de minister van rechtsbescherming) € 1.000,- dient te vergoeden.

5.6.

Omdat de Staat wordt veroordeeld tot deze schadevergoeding wordt zij in deze zaak als partij aangemerkt. Omdat sprake is van een gering bedrag en naar het oordeel van de rechtbank geen belangrijke nieuwe rechtsvragen ten aanzien van de toekenning van immateriële schadevergoeding aan de orde zijn, heeft de rechtbank met inachtneming van artikel 1, eerste en tweede lid, van de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 ervan afgezien de Staat gelegenheid te bieden verweer te voeren ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

6.1.

Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Wel dient de staat aan eiseres dus een schadevergoeding te betalen van € 1.000,-.

6.2.

Voor een proceskostenveroordeling of het vergoeden van griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • veroordeelt de Staat om aan eiseres een schadevergoeding van € 1.000,- te betalen;

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Ferdinandusse, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2023.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

VERORDENING (EU) 2016/679 (algemene verordening gegevensbescherming)

Artikel 12 Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene

1.De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is.

2.De verwerkingsverantwoordelijke faciliteert de uitoefening van de rechten van de betrokkene uit hoofde van de artikelen 15 tot en met 22. In de in artikel 11, lid 2, bedoelde gevallen mag de verwerkingsverantwoordelijke niet weigeren gevolg te geven aan het verzoek van de betrokkene om diens rechten uit hoofde van de artikelen 15 tot en met 22 uit te oefenen, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke aantoont dat hij niet in staat is de betrokkene te identificeren.

3.De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, wordt de informatie indien mogelijk elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt.

4.Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke geen gevolg geeft aan het verzoek van de betrokkene, deelt hij deze laatste onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek mee waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven, en informeert hij hem over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit en beroep bij de rechter in te stellen.

5.Het verstrekken van de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie, en het verstrekken van de communicatie en het treffen van de maatregelen bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 geschieden kosteloos. Wanneer verzoeken van een betrokkene kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, met name vanwege hun repetitieve karakter, mag de verwerkingsverantwoordelijke ofwel: a) een redelijke vergoeding aanrekenen in het licht van de administratieve kosten waarmee het verstrekken van de gevraagde informatie of communicatie en het treffen van de gevraagde maatregelen gepaard gaan; ofwel b) weigeren gevolg te geven aan het verzoek. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om de kennelijk ongegronde of buitensporige aard van het verzoek aan te tonen.

6.Onverminderd artikel 11 kan de verwerkingsverantwoordelijke, wanneer hij redenen heeft om te twijfelen aan de identiteit van de natuurlijke persoon die het verzoek indient als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 21, om aanvullende informatie vragen die nodig is ter bevestiging van de identiteit van de betrokkene.

7.De krachtens de artikelen 13 en 14 aan betrokkenen te verstrekken informatie mag worden verstrekt met gebruikmaking van gestandaardiseerde iconen, om de betrokkene een nuttig overzicht, in een goed zichtbare, begrijpelijke en duidelijk leesbare vorm, van de voorgenomen verwerking te bieden. Wanneer de iconen elektronisch worden weergegeven, zijn ze machineleesbaar.

8.De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 92 gedelegeerde handelingen vast te stellen om te bepalen welke informatie de iconen dienen weer te geven en via welke procedures de gestandaardiseerde iconen tot stand dienen te komen.

Artikel 15 Recht van inzage van de betrokkene

1.De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:

a. a) de verwerkingsdoeleinden;

b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;

f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;

g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;

h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.

2.Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene het recht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake de doorgifte.

3.De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.

4.Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.

Rechtsoverweging 63

Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Dit houdt ook in dat betrokkenen het recht dienen te hebben op inzage in hun persoonsgegevens betreffende hun gezondheid, zoals de gegevens in hun medisch dossier, dat informatie bevat over bijvoorbeeld diagnosen, onderzoeksresultaten, beoordelingen door behandelende artsen en verrichte behandelingen of ingrepen. Elke betrokkene dient dan ook het recht te hebben, te weten en te worden meegedeeld voor welke doeleinden de persoonsgegevens worden verwerkt, indien mogelijk hoe lang zij worden bewaard, wie de persoonsgegevens ontvangt, welke logica er ten grondslag ligt aan een eventuele automatische verwerking van de persoonsgegevens en, ten minste wanneer de verwerking op profilering is gebaseerd, wat de gevolgen van een dergelijke verwerking zijn. Indien mogelijk moet de verwerkingsverantwoordelijke op afstand toegang kunnen geven tot een beveiligd systeem waarop de betrokkene direct zijn persoonsgegevens kan inzien. Dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt. Die overwegingen mogen echter niet ertoe leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke een grote hoeveelheid gegevens betreffende de betrokkene verwerkt, moet hij de betrokkene voorafgaand aan de informatieverstrekking kunnen verzoeken om te preciseren op welke informatie of welke verwerkingsactiviteiten het verzoek betrekking heeft.

De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De LVV is een pilot, bedoeld voor vreemdelingen die geen recht meer hebben op verblijf, maar om uiteenlopende redenen niet zijn teruggekeerd naar hun land van herkomst. De LVV biedt deze groep onderdak in combinatie met begeleiding, mits aan toelatingscriteria is voldaan. Wet openbaarheid bestuur. Zie bijlage Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Zie onder meer de uitspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188. Zie de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 (nr. 436935), Staatscourant 2014, 20210.