Bestuursrecht overig

VOG-aanvraag voor de functie van buschauffeur. Subjectieve criterium. Strafbaar feit van lichte aard…

Rechtbank Amsterdam, 20 april 2026

Zaakgegevens

Op 20 april 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
20 april 2026
Datum publicatie
11 juni 2026
Zaaknummer
AMS 25 / 1432
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:5980
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

VOG-aanvraag voor de functie van buschauffeur. Subjectieve criterium. Strafbaar feit van lichte aard. Tijdsverloop. Persoonlijke gevolgen voor eiser. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 25/1432


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
20 april 2026 in de zaak tussen


[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. T. Novakovic),

en

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. A.L. de Gier).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een VOG voor de functie van buschauffeur bij [bedrijf] in [vestigingsplaats].

1.1.

De staatssecretaris heeft de aanvraag met het primaire besluit van 18 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

1.4.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris de aanvraag van eiser voor een VOG terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.

Besluitvorming

3. De staatssecretaris heeft de VOG-aanvraag van eiser afgewezen. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de staatssecretaris de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024. De aanvraag is beoordeeld op basis van het screeningsprofiel voor het algemene screeningsprofiel met de risicogebieden informatie, geld en proces. De staatssecretaris heeft hierbij betrokken dat ten aanzien van eiser binnen de terugkijktermijn van vier jaar de volgende feiten in het JDS zijn geregistreerd:

? Eiser is op [datum 1] 2024 veroordeeld wegens rijden onder invloed (artikel 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994) tot een geldboete van € 750,- subsidiair 15 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 179 dagen. Deze uitspraak is op [datum 2] 2024 onherroepelijk geworden.

? Bij strafbeschikking van [datum 3] 2024 is eiser een geldboete van € 630,- opgelegd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid (artikel 62 jo bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990).

Buiten de terugkijktermijn heeft de staatssecretaris strafbare feiten gevonden in de periode van 2008 tot 2019 voor gewelds-en vermogensdelicten, verkeersdelicten, vernieling, rijden onder invloed en het overtreden van de Wet wapens en munitie.

3.1.

Op grond van de in het JDS aangetroffen feiten heeft de staatssecretaris geoordeeld dat deze feiten, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor eiser de VOG heeft aangevraagd (het objectieve criterium). De staatssecretaris meent verder dat het belang van bescherming van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG (het subjectieve criterium).

Beoordeling van eiser zijn beroepsgronden

4. Tussen partijen staat niet ter discussie dat niet aan het objectieve criterium is voldaan. Wel staat ter discussie of aan het subjectieve criterium is voldaan.

4.1.

De rechtbank vindt dat de staatssecretaris voldoende heeft uitgelegd waarom hij op dit moment de belangen van de bescherming van de samenleving zwaarder vindt wegen dan de belangen van eiser bij het krijgen van een VOG. Er staan meerdere feiten op het strafblad van eiser die niet samen gaan met de functie van buschauffeur.

Heeft de staatssecretaris ten onrechte geen oog gehad voor het strafbare feit van relatief lichte aard?

4.2.

Eiser heeft aangevoerd dat de staatssecretaris geen oog ervoor heeft gehad dat het onder meer gaat om een snelheidsovertreding, en dus geen misdrijf. En dat het dus gaat om een strafbaar feit van relatief lichte aard. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Een buschauffeur is verantwoordelijk voor het vervoeren van personen. Verkeersgerelateerde strafbare feiten passen daar niet bij. De rechtbank is het met de staatssecretaris eens dat dit zeker geldt voor het misdrijf van rijden onder invloed, maar ook voor de snelheidsovertreding. In dat verband is relevant dat eiser ook buiten de terugkijktermijn strafbare feiten heeft gepleegd en dat er sprake is van recidive voor rijden onder invloed.

Heeft de staatssecretaris ten onrechte de straffen niet als licht aangemerkt?

4.3.

Eiser heeft er ook op gewezen dat het hier om twee lichte straffen gaat. De staatssecretaris zegt dat het om twee niet-lichte straffen gaat, maar dat is een vaag criterium. Ook dit punt kan de rechtbank niet volgen. Een geldboete van € 630,- of € 750,- is niet gering. Bij een geringe geldboete denkt de rechtbank meer aan een geldboete van bijvoorbeeld €140,-, zoals eiser ook eerder opgelegd heeft gekregen. Bovendien is de geldboete voor het rijden onder invloed gecombineerd met ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden, waardoor deze zeker niet als gering kan worden aangemerkt. Eiser heeft nog opgemerkt dat het niet betekent dat het ernstig is als een geldboete op het JDS staat, omdat dan niemand meer een VOG zou kunnen krijgen. Daarover merkt de rechtbank op dat de staatssecretaris bedoeld heeft te zeggen, zoals ook in het verweerschrift is uitgelegd, dat snelheidsovertredingen onder de 30 km/h niet op het JDS komen, en dat de snelheidsovertreding van eiser, omdat deze wel in het JDS is gekomen, dus niet gering was.

Heeft de staatssecretaris ten onrechte het tijdsverloop te kort gevonden?

4.4.

De staatssecretaris heeft verder kunnen vinden dat het tijdsverloop sinds de laatste keer dat eiser met justitie in contact is gekomen nog te kort is om te concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen. Eiser is immers nog vrij recent voor de aanvraag met justitie in aanraking gekomen, hij is namelijk in juni 2024 nog veroordeeld. Het tijdsverloop van slechts één maand voor de aanvraag van de VOG en zeven maanden voor de beslissing op bezwaar is zeer gering. Ook als de daadwerkelijke pleegdatum in acht moet worden genomen zoals eiser stelt, geldt nog steeds dat die datum niet heel ver in het verleden ligt.

Heeft de staatssecretaris voldoende oog gehad voor de persoonlijke gevolgen voor eiser?

4.5.

Verder heeft de staatssecretaris in de door eiser naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om toch die VOG te verlenen. De rechtbank begrijpt dat het eiser zwaar valt dat hij de gemaakte kosten van € 4.100,- moet terugbetalen aan zijn werkgever als hij geen VOG krijgt. Maar de rechtbank is het met de staatssecretaris eens dat dit onvoldoende is voor afgifte van een VOG. Het kan niet zo zijn dat een aangegane betalingsverplichting maakt dat de screening niet goed kan worden uitgevoerd en dat tot afgifte van de VOG moet worden overgegaan. Op de zitting heeft eiser verteld dat hij geleerd heeft van zijn fouten, heel kort geleden vader is geworden en weer op het goede pad zit. Hij heeft de EMA-cursus met succes afgerond, heeft een tijdje werk als host gehad en is druk bezig om nu een baan bij de GVB als buschauffeur te krijgen. De rechtbank vindt het knap dat eiser op het goede pad zit en heeft op de zitting gezien hoe belangrijk het krijgen van een VOG voor eiser is. Maar de rechtbank moet kijken of een beslissing van een bestuursorgaan juridisch te volgen is en kijkt daarbij naar de datum van het bestreden besluit. Zoals de rechtbank hierboven heeft uitgelegd is dat het geval en kan de rechtbank daarom het standpunt van de staatssecretaris volgen dat het belang van het beschermen van de samenleving in dit geval zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser. Daarom slaagt de beroepsgrond van eiser niet.

Tot slot

5. Dat de staatssecretaris de VOG-aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen, betekent overigens niet dat eiser in de toekomst niet opnieuw in aanmerking kan komen voor de gevraagde VOG voor buschauffeur. Eiser kan altijd opnieuw een aanvraag doen. De staatssecretaris zal dan zijn aanvraag moeten beoordelen op basis van de dan geldende omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026 door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Verklaring omtrent het gedrag. Hierna: de Beleidsregels. Justitieel Documentatie Systeem. Zo volgt uit het Justitieel Documentatie Systeem (JSD). Gemeentevervoerbedrijf.