Bestuursrecht overig

Mondelinge uitspraak. Wmo 2015. Eiser heeft recht op beschermd wonen maar staat hiervoor op een wachtlijst…

Rechtbank Amsterdam, 16 juni 2026

Zaakgegevens

Op 16 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 juni 2026
Datum publicatie
23 juni 2026
Zaaknummer
AMS 26/1095
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6369
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mondelinge uitspraak. Wmo 2015. Eiser heeft recht op beschermd wonen maar staat hiervoor op een wachtlijst. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom eisers verblijf in het Passantenhotel daarom wordt beeindigd. Eiser is immers kwetsbaar. De rechtbank ziet reden om te bepalen dat verweerder zorg moet dragen voor een passende overbruggingsplek zolang eiser op een wachtlijst staat. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/1095


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen


[eiser] , uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. L. Veenman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Smit).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 19 januari 2026 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder heeft eiser toegang verleend tot beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Omdat er echter nog geen plek beschikbaar is in een passende opvanglocatie, staat eiser op een wachtlijst.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, [de persoon] werkzaam als [functie] bij de [bedrijf] en de gemachtigde van verweerder.

1.2.

Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat partijen het eens zijn over het recht van eiser op beschermd wonen. Hiertegen zijn geen gronden gericht. Eiser staat echter op een wachtlijst en zijn verblijf in het [locatie] is beëindigd. Het [locatie] is namelijk bedoeld voor mensen die wel zelfredzaam zijn en eiser is dat niet.

3. Verweerder heeft in het bestreden besluit het volgende overwogen:

“Omdat eiser toegang heeft gekregen voor beschermd wonen, vervalt het recht om te verblijven in het [locatie]. Een (tijdelijke) toewijzing tot de dag/nachtopvang biedt wel een mogelijkheid.”

4. De rechtbank vindt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom dit in de situatie van eiser toereikend is, gelet op zijn kwetsbaarheid. Verweerder heeft immers onderkend dat eiser niet-zelfredzaam is op meerdere leefgebieden op basis van de screening van 6 januari 2026 van de GGD. Een plek is de dag- en nachtopvang is gelet op de problematiek van eiser ook niet passend, nu deze vorm van opvang is bedoeld voor mensen die wel zelfredzaam zijn.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege een motiveringsgebrek en vernietigt dit deel van het bestreden besluit en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Gelet op het feit dat eiser recht heeft op een plek in een beschermd wonen locatie in combinatie met zijn kwetsbaarheid, ziet de rechtbank reden om te bepalen dat verweerder moet zorgen voor een passende overbruggingsplek zolang eiser op een wachtlijst voor beschermd wonen staat. De rechtbank denkt daarbij aan een plek in de dag- en nachtopvang op de locatie [naam] van het Leger des Heils met 24-uurs begeleiding of op een plek met een zogenoemd traject-bed in een soortgelijke voorziening.

6. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 19 januari 2026 voor zover daarin is beslist dat het verblijf in het [locatie] wordt beëindigd en eiser wordt verwezen naar een plek in de dag- en nachtopvang;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026 door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.