Bestuursrecht overig
Mondelinge uitspraak. Wegslepen voertuig. Griffierecht niet betaald. Beroep niet-ontvankelijk.
Rechtbank Amsterdam, 28 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7790 · Rechtbank Amsterdam · 28 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-7790
Zaakgegevens
Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Datum publicatie
- 31 juli 2026
- Zaaknummer
- AMS 25/3450
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7790
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mondelinge uitspraak. Wegslepen voertuig. Griffierecht niet betaald. Beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3450
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
28 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
Verweerder heeft met het primaire besluit van 5 december 2024 met toepassing van bestuursdwang het voertuig van eiseres laten wegslepen, omdat het geparkeerd stond op een parkeerplaats die alleen bestemd is voor het opladen van elektrische voertuigen aan de [adres].
Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres was niet aanwezig.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
2. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, ziet zij zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep ontvankelijk is.
3. Wie beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit bedrag moet binnen een door de griffier gestelde termijn volledig zijn voldaan op de rekening of bij de griffie van de rechtbank. Bij niet of te laat betalen verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, tenzij er een gegronde reden is voor het verzuim.
4. De rechtbank constateert dat er een nota voor het griffierecht is gestuurd naar eiseres op 11 juni 2025 met een termijn van vier weken om het griffierecht te betalen. Daarna is er op 10 juli 2025 een herinnering gestuurd met nogmaals een termijn van vier weken voor het betalen van het griffierecht. Vervolgens is er op 9 juli 2026 een brief naar eiseres gestuurd om haar in de gelegenheid te stellen om aan te geven waarom zij het griffierecht niet heeft betaald. Tot slot heeft de rechtbank op 23 juli 2026 nog een e-mail naar eiseres gestuurd met de vraag of zij de brieven van de rechtbank heeft ontvangen en of zij bij de zitting aanwezig zou zijn.
5. Eiseres heeft niet gereageerd op de brieven en de e-mail en zij is ook niet op de zitting verschenen. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor het niet betalen van het griffierecht. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk zal worden behandeld.
6. De rechtbank heeft gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026 door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.