Bestuursrecht overig

Verzoek om voorlopige voorziening. Afwijzing aanvraag (nood)opvang. Belangenafweging. Minderjarig kind (nu 8…

Rechtbank Amsterdam, 4 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 4 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
4 augustus 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
AMS 26/4122
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7887
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening. Afwijzing aanvraag (nood)opvang. Belangenafweging. Minderjarig kind (nu 8 jaar). Veilige en stabiele plek om te verblijven is van belang. Verzoek toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/4122


uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

(gemachtigden: mr. M.M. Janssens en mr. F.R. Lunshof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Kras).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om in de kortdurende (nood)opvang te mogen verblijven. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, in die zin dat voor dit specifieke geval bevolen wordt dat verweerder voor opvang voor verzoekster en haar minderjarige kind moet zorgen, tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor toelating tot de kortdurende (nood)opvang in Amsterdam. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van
7 juli 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de zoon van verzoekster ( [minderjarige] ), de gemachtigden van verzoekster, [persoon 1] als begeleider van verzoekster, de gemachtigde van verweerder en [persoon 2] namens de GGD.

Totstandkoming

3. In december 2022 is verzoekster met [minderjarige] (nu 8 jaar) vanuit Suriname naar Nederland gekomen en ingetrokken bij haar ex-partner/de vader van [minderjarige] in de echtelijke woning aan de [adres 1] in [woonplaats] . Bij beschikking van 8 mei 2023 is door de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij eiseres bepaald. Na het verlaten van de echtelijke woning heeft verzoekster met [minderjarige] op verschillende adressen in [woonplaats] gewoond. [minderjarige] gaat sinds december 2022 in [woonplaats] naar school. Omdat verzoekster geen zelfstandige woonruimte kon vinden en omdat zij steeds de tijdelijke adressen moest verlaten, heeft zij per 1 juni 2025 een tijdelijke huurovereenkomst voor de duur van één jaar geaccepteerd voor een woning aan de [adres 2] in [plaats] . De verhuurder besloot vervolgens de woning te verkopen met als gevolg dat de huurovereenkomst per 31 mei 2026 is geëindigd. Verzoekster heeft zich vervolgens op 5 juni 2026 en 7 juli 2026 gemeld met een noodopvangvraag in Amsterdam.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster en [minderjarige] de afgelopen vier jaar niet in Amsterdam hebben gewoond. Zij voldoen dus niet aan de zogenoemde bindingseis. Verweerder wijst er daarbij op dat verzoekster dakloos is geworden in de gemeente [gemeente] en daar de voorgaande twaalf maanden heeft gewoond. Dit is daarom de aangewezen gemeente waar verzoekster zich zou moeten melden. Verzoekster is ook reeds door de gemeente [gemeente] gescreend voor maatschappelijke opvang en zij is daarbij als voldoende zelfredzaam beoordeeld. Tegen dit besluit staat bezwaar open en verzoekster is op deze mogelijkheid gewezen maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Daarnaast loopt er nog een urgentieverzoek in de gemeente [gemeente] . Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die maken dat Amsterdam verantwoordelijk is voor de opvang.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang

5. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

6. Verzoekster voert aan dat zij samen met [minderjarige] dakloos is en sinds 7 juli 2026 samen met hem in een hotel verblijft, geregeld door het Rode Kruis. Dit verblijf is van tijdelijke duur en is geregeld om te voorkomen dat zij op straat moesten slapen. Zodra er uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter, zullen zij het hotel moeten verlaten en komen zij opnieuw op straat te staan. Verzoekster heeft eerder bij een kennis in een schuurtje geslapen maar kon daar niet blijven. Zonder noodopvang zal verzoekster dus opnieuw op straat staan. Zij heeft geen financiële middelen om anderszins onderdak te regelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster hiermee voldoende spoedeisend belang bij een beslissing op haar verzoek.

Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?

7. Noodopvang voor dakloze gezinnen is geen algemene voorziening op grond van de Wmo, maar buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet toetsen of verweerder het beleid consistent heeft toegepast en of de fundamentele rechten van in dit geval verzoekster en [minderjarige] niet zijn geschonden. Verweerder heeft in het beleid de toegang tot noodopvang beperkt tot Amsterdamse gezinnen die in ieder geval vier jaar in Amsterdam hebben gewoond en die feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden. Het doel van de noodopvang is om deze Amsterdamse gezinnen een plek te geven van waaruit zij mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat verzoekster en [minderjarige] niet voldoen aan de bindingseis omdat zij niet direct voorafgaand aan de aanvraag gedurende vier jaar woonachtig zijn geweest in Amsterdam met een inschrijving in de Basisregistratie Personen. In die zin is het besluit in overeenstemming met het beleid van verweerder en consistent toegepast.

9. Wat betreft de belangen van [minderjarige] , is de voorzieningenrechter van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit summier is en dat daarin het belang van [minderjarige] niet kenbaar is betrokken, terwijl dit op grond van het IVRK wel had gemoeten. De besluitvorming bevat op dit punt een gebrek. Maar dit motiveringsgebrek kan verweerder in de bezwaarfase herstellen. De gestelde onrechtmatigheid van het bestreden besluit is dus geen reden voor de toewijzing van de gevraagde voorziening.

Belangenafweging

10. De voorzieningenrechter zal ten slotte op grond van een belangenafweging beoordelen of er reden bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Zij constateert daarbij allereerst dat verzoekster en [minderjarige] op dit moment feitelijk in Amsterdam verblijven en dat [minderjarige] in [woonplaats] naar school gaat. Verzoekster heeft jarenlang in Amsterdam gewoond en is daar eerder dakloos geraakt, totdat zij een tijdelijke woning in [plaats] accepteerde om haar dakloosheid tijdelijk op te heffen. Daarnaast stelt de gemeente [gemeente] in de afwijzing van de aanvraag voor maatschappelijke opvang dat verzoekster geen binding heeft met [gemeente] en blijkt uit de e-mail van [stichting] dat beide gemeenten aangeven dat verzoekster ‘niet bij hen hoort’.

11. De voorzieningenrechter betrekt bij haar afweging het belang van verweerder dat de beperkte mogelijkheden voor noodopvang in de gemeente Amsterdam eerlijk en volgens de regels moeten worden verdeeld.

12. Het belang van verzoekster is dat zij met haar jonge kind niet op straat zal moeten slapen. De voorzieningenrechter overweegt dat het niet goed gaat met [minderjarige] en dat dit ook is onderbouwd met stukken. Zo blijkt uit de medische gegevens van de huisarts dat [minderjarige] sinds kort geen eetlust meer heeft, slecht drinkt en dat verzoekster achter hem aan moet met eten en drinken. Ook de brugfunctionaris van de basisschool geeft in een e-mail aan gedragsveranderingen te zien bij [minderjarige] . Hij wordt snel boos, lijkt weinig te verdragen van zijn klasgenoten en reageert prikkelbaar. De brugfunctionaris maakt zich zorgen over het welzijn en de veiligheid van verzoekster en [minderjarige] . Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat moeder het eenhoofdig gezag heeft en zij eerder met [minderjarige] noodgedwongen in een schuur heeft geslapen, hieruit volgt dat verzoekster en [minderjarige] geen passend alternatief voor huisvesting hebben.

13. Op dit moment acht de voorzieningenrechter het belangrijk dat [minderjarige] een veilige en stabiele plek heeft om te verblijven en dat wordt voorkomen dat hij op straat moet slapen. Om die reden weegt het belang van verzoekster en [minderjarige] zwaarder dan het belang van verweerder en zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening om die reden toewijzen. Verzoekster heeft laten zien dat zij actief reageert op woningaanbod buiten Amsterdam en in heel Nederland. Zo heeft zij onder meer in Limburg reeds een woning bezichtigd. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verzoekster deze inzet voortzet en daardoor de opvang binnen afzienbare tijd zal verlaten.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter beveelt verweerder om voor opvang te zorgen voor verzoekster en haar minderjarige kind, tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Dit hoeft geen noodopvang te zijn. Het mag ook een andere vorm van opvang zijn, mits de opvang maar kind veilig is. Daarnaast geldt de verplichting voor het verzorgen van opvang uitsluitend voor zover niet op een andere wijze in opvang voor verzoekster en haar zoon kan worden voorzien.

15. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- beveelt verweerder om voor opvang te zorgen voor verzoekster en haar minderjarige kind, tot vier weken na de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.