Bestuursrecht overig

Nadeelcompensatie wegens infrastructurele werkzaamheden. Niet voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht die…

Rechtbank Amsterdam, 9 september 2026

Zaakgegevens

Op 9 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
9 september 2026
Datum publicatie
7 september 2026
Zaaknummer
AMS 25/2872
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:8974
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Nadeelcompensatie wegens infrastructurele werkzaamheden. Niet voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht die de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft als de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de bezwaaradviescommissie. Het beroep is om die reden gegrond. De gevolgen van de besluitvorming worden in stand te laten omdat de motivering wel aanwezig is in de onderliggende stukken en deze stukken ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Het college kon voor een concernbenadering kiezen en de gekozen omzetdrempel hanteren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/2872

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen


[eiseres] , gevestigd in [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. Ch. Lagerweij-Duits),

en

het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn , verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om nadeelcompensatie als gevolg van infrastructurele werkzaamheden in het dorpshart van [plaats 1] . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat het bestreden besluit onvoldoende motiveert waarom het advies van de bezwaaradviescommissie niet wordt gevolgd. De rechtbank laat wel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt dus gedeeltelijk gelijk, maar het college kon wel de nadeelcompensatie afwijzen Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor nadeelcompensatie. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: J.P. Westerbos (namens eiseres), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

3. In 2023 heeft de gemeente Uithoorn infrastructurele werkzaamheden laten uitvoeren in het kader van de herinrichting van het dorpshart van [plaats 1] . De onderneming van eiseres bestond ten tijde van de werkzaamheden en de besluitvorming uit twee vestigingen; een bakkerswinkel gevestigd op de [adres] in [plaats 1] en een nevenvestiging gevestigd in [plaats 2] . Eiseres stelt dat zij inkomensschade heeft geleden wegens de verslechterde bereikbaarheid tijdens de werkzaamheden van de vestiging in [plaats 1] . Zij heeft daarom een verzoek om schadevergoeding (nadeelcompensatie) ingediend voor de omzet- en inkomensderving die zij heeft geleden.

Besluitvorming

4. Van toepassing is de Nadeelcompensatieverordening Uithoorn 2012 (de verordening). Het college heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) als wettelijk adviseur aangewezen. Op basis van een advies van SAOZ van 28 juni 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat de berekende toerekenbare schade het normaal maatschappelijk risico van eiseres niet heeft overstegen. In bezwaar heeft de bezwaaradviescommissie van het college geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en de aanvraag opnieuw te beoordelen. Het college heeft dit advies niet gevolgd en is bij de afwijzing beleven. Eiseres is het hiermee oneens en heeft beroep ingesteld.

Beoordeling van de rechtbank

5. Eiseres stelt dat het college niet heeft voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht die de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft als de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de bezwaaradviescommissie. Op de zitting heeft het college erkend dat de motivering van het bestreden besluit niet aan dit voorschrift voldoet. De rechtbank volgt dit. Het college had aan eiseres moeten uitleggen waarom het advies van de bezwaaradviescommissie niet is gevolgd. De enkele stelling dat het college niet is overtuigd door het advies is hiervoor onvoldoende. Het beroep is om deze reden gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de gevolgen van de besluitvorming desondanks in stand te laten omdat de motivering wel aanwezig is in de onderliggende stukken en deze stukken ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. De rechtbank betrekt hierbij zowel de toelichting in het verweerschrift en op de zitting als ook de nadere advisering van SAOZ van 3 oktober 2024 waarin SAOZ kenbaar is ingegaan op de bezwaren van eiseres. De rechtbank zal hierna toelichten waarom de overige gronden van het beroep niet slagen en de besluitvorming in stand wordt gelaten.

6. Eiseres stelt dat haar verzoek om nadeelcompensatie op onjuiste gronden is afgewezen omdat ten onrechte een concernbenadering is gekozen en daarnaast dat ten onrechte een omzetdrempel is gehanteerd in plaats van (uitsluitend) een korting op de schade.

7. Allereerst zal de rechtbank bespreken of het college bij de beantwoording van de vraag of de gestelde schade voor vergoeding in aanmerking komt, in alle redelijkheid een concernbenadering kon kiezen. Eiseres stelt dat SAOZ uitsluitend de vestiging in [plaats 1] bij de berekening van de omvang van de schade heeft mogen betrekken. Eiseres wijst erop dat de jaarrekening is uitgesplitst per vestiging en dat er sprake is van verschillende werkzaamheden; de vestiging in [plaats 1] doet het brood en de vestiging in [plaats 2] doet het banket. De vestigingen hebben verschillende inkooplijsten en verschillen in omzet. SAOZ heeft deze omstandigheden bij het advies en het nadere advies betrokken en geadviseerd dat de vestiging van de bakkerij in [plaats 1] geen zelfstandige entiteit is, omdat deze zowel in economische als in juridische zin een onlosmakelijk onderdeel van de V.O.F vormt. De rechtbank volgt dit. De schade manifesteert zich namelijk, evenals een eventuele vergoeding ervan, op het niveau van V.O.F.. Dit betekent dat de V.O.F als juridische eenheid de schade moet dragen en dat het normaal maatschappelijk risico dient te worden gerelateerd aan (de omzet van) die juridische eenheid. De omstandigheden die eiseres aanvoert maken dat niet anders. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de gevolgen hiervan voor eiseres onevenredig zijn. De enkele (niet onderbouwde) stelling dat andere ondernemingen wel zijn gecompenseerd is hiervoor onvoldoende, omdat dit niets zegt over de situatie van eiseres. De schade, en het deel van de schade dat voor rekening van de ondernemer blijft, wordt immers op ondernemingsniveau berekend, en kan per onderneming verschillen. Dat het om twee kleine winkels gaat en geen landelijke opererende keten is niet doorslaggevend. Doorslaggevend is of de vestiging in [plaats 1] aangemerkt kan worden als zelfstandige entiteit. Deze grond slaagt daarom niet. Overigens merkt de rechtbankop dat de voorgaande beoordeling niet anders was geweest indien – zoals eiseres ter zitting suggereerde – de aanvraag niet namens de V.O.F. maar namens een afzonderlijke vennoot was gedaan. Ook dan zou geconcludeerd zijn dat de vestiging in [plaats 1] geen zelfstandige entiteit is.

8. Eiseres stelt verder dat uit de verordening volgt dat het college bij het vaststellen van het normaal maatschappelijk risico geen omzetdrempel heeft mogen hanteren maar uitsluitend een korting heeft mogen toepassen. Uit artikel 11 van de verordening volgt dat de adviseur vaststelt wat tot het normaal maatschappelijk risico behoort. Artikel 5 van de verordening geeft een kader voor welke schade in ieder geval tot het normaal maatschappelijk risico behoort, maar de deskundige moet per geval beoordelen wat passend is en daarbij alle omstandigheden betrekken. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen de tekst en de toelichting van artikel 5, tweede lid onder a van de verordening een discrepantie bestaat. SAOZ heeft daarom voor de vaststelling van het normaal maatschappelijk risico aansluiting gezocht bij de in de huidige rechtspraktijk gangbare berekening van het normaal maatschappelijk risico door een omzetdrempel van in beginsel 8% te hanteren en deze in het geval van eiseres te matigen naar 4%. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit als onredelijk aan te merken. Voor zover eiseres stelt dat een korting van 20% gangbaar was toen de verordening werd vastgesteld en dat de verordening in dat kader moet worden uitgelegd, volgt de rechtbank haar niet. Het gaat immers om de toepassing van de verordening naar het thans geldende recht. Deze grond slaagt niet.

9. Uit artikel 5, vierde lid van de verordening volgt tot slot dat kosten in de aanvraagfase door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand slechts bij toekenning van nadeelcompensatie worden vergoed. Bij deze uitkomst is geen aanleiding om te oordelen dat het verzoek om vergoeding van deze kosten had moeten worden toegekend.

Conclusie en gevolgen

10. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat de motivering wel aanwezig is in de onderliggende stukken en deze stukken ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.

11. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (2 punten, met wegingsfactor 1). Deze vergoeding bedraagt daarom in totaal € 1.868,-. De rechtbank bepaalt de overige proceskosten op € 11,90 te weten de door [naam] gemaakte reiskosten conform het op zitting overgelegde formulier proceskosten. De overige door eiseres opgegeven kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 8 april 2025;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres van € 1.868,- + € 11,90,
in totaal € 1.879,90;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. van der Kroft, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Als bedoeld in artikel 7:13 zevende lid van de Awb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:811.