Civiel recht overig

Eindvonnis na getuigenverhoor. Waardering van getuigenbewijs. Bewijs dat de schriftelijke…

Rechtbank Amsterdam, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/768441 / HA ZA 25-999
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. J. Meerman, mr. W.F. Wienen
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10605
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eindvonnis na getuigenverhoor. Waardering van getuigenbewijs. Bewijs dat de schriftelijke franchiseovereenkomst is ondertekend door franchisenemer is niet geleverd. Weliswaar is enig bewijs daarvan door eiseres bijgebracht, maar onvoldoende om te oordelen dat zij is geslaagd in het door haar te leveren bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/768441/ HA ZA 25-999

Vonnis van 4 november 2026

in de zaak van

OH MY SUSHI FRANCHISE B.V.,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: Oh My Sushi Franchise,

advocaat: mr. J. Meerman,

tegen

1 [gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats],
2. [gedaagde 2],

te [woonplaats],

gedaagde partijen,

hierna afzonderlijk aan te duiden als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en samen te noemen: [gedaagden],

advocaat: mr. W.F. Wienen.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 november 2025 en de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen;
- het getuigenverhoor van 24 maart 2026,
- de akte van Oh My Sushi Franchise van 8 april 2026 met een productie,

- het getuigenverhoor van 25 juni 2026

- de conclusie na getuigenverhoor van Oh My Sushi Franchise met producties,

- de antwoordconclusie van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 5 november 2025 (hierna: het tussenvonnis) is Oh My Sushi Franchise opgedragen te bewijzen dat de elektronische handtekening op het document getiteld ‘Franchiseovereenkomst tussen Oh My Sushi Franchise B.V. & M.B. transport’, gedateerd op 9 juni 2023, afkomstig is van [gedaagden]

De bewijslevering

2.2.

Oh My Sushi Franchise heeft in enquête als getuigen laten horen:
- [naam 1];

- [naam 2]
Verder heeft Oh My Sushi Franchise een schriftelijke verklaring overgelegd van [naam 3] (hierna: [naam 3]) van 31 maart 2026.

2.3.

[gedaagden] hebben in contra-enquête als getuigen laten horen:
- [gedaagde 2];

- [naam 4] (hierna: [naam 4]);

- [naam 5] (hierna: [naam 5]).

2.4.

[naam 1] heeft als getuige verklaard – kort gezegd – dat op 9 juni 2023 een bijeenkomst heeft plaatsgevonden waarbij aanwezig waren: hijzelf, [gedaagde 2] en [naam 3]. Tijdens die bijeenkomst heeft [gedaagde 2] volgens de getuigenverklaring van [naam 1] de franchiseovereenkomst namens [gedaagde 1] digitaal ondertekend. Verder heeft volgens de getuigenverklaring van [naam 1] diezelfde dag, na de bijeenkomst, een telefoongesprek plaatsgevonden tussen hem, [naam 3] en zijn broer en zakenpartner [naam 2]. Bij dat telefoongesprek is [naam 2] verteld dat de franchiseovereenkomst was ondertekend.

2.5.

[naam 3] heeft in zijn schriftelijke verklaring van 31 maart 2026 – kort gezegd – verklaard dat hij bij de bijeenkomst op 9 juni 2023 aanwezig was en dat [gedaagde 2] de franchiseovereenkomst toen heeft ondertekend.

2.6.

[naam 2] heeft in zijn getuigenverklaring – kort gezegd – bevestigd dat een telefoongesprek tussen hem, [naam 1] en [naam 3] heeft plaatsgevonden waarbij hem is verteld dat ondertekening van de franchiseovereenkomst had plaatsgevonden.

2.7.

[gedaagde 2] heeft als getuige verklaard – kort gezegd – dat inderdaad een bijeenkomst heeft plaatsgevonden tussen hem, [naam 1] en [naam 3], maar dat die bijeenkomst het karakter had van een “adviesgesprek” en dat de franchiseovereenkomst toen niet op een laptop is geopend en toen niet is ondertekend. De overeenkomst was hem daarvoor in concept toegezonden. [gedaagde 2] was sowieso niet van een plan om die franchiseovereenkomst te ondertekenen vanwege zijn persoonlijke aansprakelijkheid die in de overeenkomst was vastgelegd, aldus de getuigenverklaring van [gedaagde 2].

2.8.

[naam 4] heeft als getuige – kort gezegd – verklaard dat [naam 3] hem ergens in de laatste drie maanden heeft gezegd dat [gedaagde 2] nooit een schriftelijke franchiseovereenkomst op de computer heeft ondertekend.

2.9.

[naam 5] heeft als getuige – kort gezegd – verklaard dat [gedaagde 2] hem direct na een bijeenkomst met [naam 1] en [naam 3] heeft gebeld en hem daarbij heeft verteld dat hij geen contract heeft ondertekend en ook niet wilde ondertekenen omdat daarin zijn privé aansprakelijkheid was opgenomen.

2.10.

De verklaringen van [naam 1] en [naam 2] stemmen in grote lijnen met elkaar overeen. Beiden verklaren over de bijeenkomst van 9 juni 2023 en dat de franchiseovereenkomst toen door [gedaagde 2] is ondertekend. [naam 1] doet dat uit eigen waarneming omdat hij zelf bij die bijeenkomst aanwezig was, ook volgens de verklaring van [gedaagde 2]. [naam 2] was echter niet bij die bijeenkomst aanwezig. Hij kan daarover dus niet uit eigen waarneming verklaren. Zijn getuigenverklaring is uitsluitend gebaseerd op hetgeen hij nadien in een telefoongesprek van [naam 1] en [naam 3] heeft gehoord over de bijeenkomst.

2.11.

Op de keper beschouwd verklaart dus alleen [naam 1] uit eigen waarneming over de ondertekening van de franchise-overeenkomst door [gedaagde 2]. De getuigenverklaring van [gedaagde 2] staat op dat punt evenwel lijnrecht tegenover die van [naam 1], zij het dat de verklaring van [naam 1] over de ondertekening van de franchischeovereenkomst door [gedaagde 2] dus in enige mate wordt gesteund door die van [naam 2].

2.12.

[naam 3] is de enige andere die (afgezien van [naam 1] en [gedaagde 2] die haaks op elkaar staande verklaringen hebben afgelegd) uit eigen waarneming kan verklaren over hetgeen wel of niet is gebeurd bij de bijeenkomst van 9 juni 2023. [naam 3] was immers volgens de verklaringen van [naam 1] en [gedaagde 2] aanwezig bij de bijeenkomst. [naam 3] is echter niet als getuige gehoord. Oh My Sushi Franchise heeft hem weliswaar als getuige opgeroepen, maar [naam 3] is niet verschenen. Oh My Sushi Franchise, op wie de bewijslast rust, heeft vervolgens ervan afgezien hem als getuige te horen. Dat is een manco en hiaat in de bewijslevering door Oh My Sushi Franchise.

2.13.

Anders dan Oh My Sushi kennelijk meent, is de schriftelijke verklaring van 31 maart 2026 van [naam 3] van relatieve betekenis. Op de eerste plaats omdat die verklaring niet onder ede is afgelegd en op de tweede plaats omdat [gedaagde 2] niet in de gelegenheid is geweest om [naam 3] te bevragen. [naam 3] verklaart in zijn schriftelijke verklaring van 31 maart 2026 verder ook niets over het telefoongesprek dat volgens de getuigenverklaringen van [naam 1] en [naam 2] tussen hen drieën is gevoerd waarbij door [naam 1] en [naam 3] aan [naam 2] zou zijn verteld dat [gedaagde 2] de franchise-overeenkomst bij de bijeenkomst van 9 juni 2023 heeft ondertekend. De getuigenverklaringen van [naam 1] en [naam 2] vinden op dat punt dus geen steun in de schriftelijke verklaring van [naam 3].

2.14.

De getuigenverklaringen van [naam 1] en [naam 2] moeten naar het oordeel van de rechtbank bovendien (extra) kritisch worden beschouwd. Aan hun verklaringen kan slechts met terughoudendheid overtuigingskracht worden toegekend omdat [naam 1] bestuurder is van Oh My Sushi Franchise en [naam 2] zijn broer en zakenpartner die ook betrokken was bij de exploitatie van de onderneming van Oh My Sushi Franchise.

2.15.

Weliswaar is door Oh My Sushi Franchise dus enig bewijs bijgebracht voor de ondertekening van de franchiseovereenkomst door [gedaagde 2], maar in onvoldoende mate om te concluderen dat zij is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs. Dat is dan ook niet het geval.

De verdere beslissing op de vorderingen

2.16.

Omdat Oh My Sushi Franchise niet is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs, is niet komen vast te staan dat met [gedaagde 1] is overeengekomen dat [gedaagde 2] persoonlijk aansprakelijk zal zijn voor de verplichtingen van die vennootschap uit de franchiseovereenkomst. Om dezelfde reden is evenmin komen vast te staan dat een non-concurrentiebeding voor de duur van de franchiseovereenkomst is overeengekomen. De daarop gebaseerde vorderingen van Oh My Sushi Franchise zijn dus niet toewijsbaar.

2.17.

In het tussenvonnis is al overwogen dat de vorderingen van Oh My Sushi Franchise die gebaseerd waren op een overeengekomen postcontractueel non-concurrentie beding evenmin toewijsbaar zijn.

2.18.

Verder is in het tussenvonnis overwogen dat de vordering tot betaling van de franchise fees vanaf juli 2024 tot en met maart 2025 – het betreft een bedrag van
€ 22.021,48 – wel toewijsbaar zijn. Dat bedrag wordt vermeerderd met de niet-weersproken wettelijke handelsrente. Omdat Oh My Sushi Franchise daarover niets heeft gesteld, zal vergoeding van de wettelijke handelsrente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

2.19.

Beide partijen zijn gedeeltelijk in het (on)gelijkgesteld. De proceskosten zullen daarom tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde 1] (dat is: [gedaagde 1] B.V.) tot betaling aan Oh My Sushi Franchise van een bedrag van € 22.021,48, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de algehele betaling;

3.2.

verklaart deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2026.