Civiel recht overig
Kort geding. Gedaagde heeft een vordering op eiseres op grond van een vonnis uit januari 2025. Gedaagde heeft…
Rechtbank Amsterdam, 4 november 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10885 · Rechtbank Amsterdam · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2026-10885
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- C/13/795424 / KG ZA 26-913
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. B. van Mieghem, mr. R. Stekelenburg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10885
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Gedaagde heeft een vordering op eiseres op grond van een vonnis uit januari 2025. Gedaagde heeft uit hoofde daarvan executoriaal beslag gelegd op een pand van eiseres en heeft de executoriale verkoop van dat pand aangezegd. De vordering van eiseres om de tenuitvoerlegging van het vonnis tijdelijk te schorsen en gedaagde te verbieden het pand executoriaal te verkopen wordt afgewezen, omdat geen sprake is van misbruik van recht.
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/795424 / KG ZA 26-913 MK/KH
Vonnis in kort geding van 4 november 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1] (Italië),
eisende partij bij conceptdagvaarding,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B. van Mieghem,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 2] (Zwitserland),
2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 3] (Zwitserland),
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] (mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. R. Stekelenburg,
vrijwillig verschenen.
1 De procedure
Ter zitting van 28 oktober 2026 heeft [eiser] de vorderingen in haar dagvaarding toegelicht. [gedaagden] heeft verweer gevoerd. Partijen hebben beide producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na inhoudelijk debat is vonnis bepaald op vandaag.
Ter zitting waren, voor zover relevant, aanwezig:
-
[eiser] (digitaal) met I. Huigens (tolk Engels, digitaal) en mr. Van Mieghem
-
namens [gedaagden] : [gemachtigde] (gemachtigde) met mr. Stekelenburg.
2 De feiten
[eiser] en haar ex-man zijn gezamenlijk bestuurders en beiden voor 50% aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ).
Op 7 november 2022 heeft [gedaagden] een lening verstrekt aan [bedrijf 2] van € 100.000 voor de maximumduur van 180 dagen en tegen een rente van € 5.000 per maand.
In een door [gedaagden] gestart kort geding tegen [bedrijf 2] heeft de voorzieningenrechter op 4 augustus 2023 vonnis gewezen. Daarin is [bedrijf 2] uit hoofde van de geldlening veroordeeld tot betaling aan [gedaagden] van zijn vordering van – toen – € 124.000, vermeerderd met rente en kosten.
Omdat [bedrijf 2] ondanks sommatie niet tot betaling overging, heeft [gedaagden] verschillende executoriale (derden)beslagen gelegd onder [bedrijf 2] , [bedrijf 1] , [eiser] en haar ex-man, zonder resultaat.
[bedrijf 1] heeft op 25 januari 2024 ten laste van [eiser] voor een bedrag van € 8.717.900 conservatoir beslag gelegd op een pand aan [adres] (hierna: het pand), waarvan [eiser] eigenaar is. Het pand wordt momenteel verhuurd tot en met augustus 2027.
Bij akte van 1 maart 2024 is ten behoeve van [bedrijf 1] en ten laste van [eiser] een hypotheekrecht op het pand gevestigd, tot zekerheid van een bedrag van
€ 7.625.407, voortvloeiend uit een geldleningsovereenkomst tussen hen.
[gedaagden] heeft op 15 maart 2024 ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd op het pand voor zijn vordering, inmiddels opgelopen tot € 294.980.
Bij vonnis van 15 januari 2025 van deze rechtbank zijn [bedrijf 1] , [eiser] en haar ex-man als (indirect) bestuurders van [bedrijf 2] ( [eiser] en haar ex-man bij verstek) hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de vordering van [gedaagden] inclusief rente en kosten. Daarnaast is de ten behoeve van [bedrijf 1] gevestigde hypotheek waardeloos verklaard. Tegen het vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
In februari 2025 hebben [eiser] en [gedaagden] vervolgens een regeling getroffen inhoudende dat [eiser] – onmiddellijk na doorhaling van de hypotheek van [bedrijf 1] – een hypotheek op het pand zou vestigen ten behoeve van [gedaagden] Zodra het pand zou worden verkocht, zou het hypotheekrecht worden doorgehaald mits de vordering zou worden voldaan. In dat kader werd ook een stand still afgesproken op grond waarvan [gedaagden] geen executiemaatregelen tegen [eiser] zou treffen.
[eiser] heeft ondanks de gemaakte afspraak en diverse sommaties niet meegewerkt aan de vestiging van het hypotheekrecht. Om die reden heeft [gedaagden] op 4 september 2026 de regeling van februari 2025 partieel en per direct ontbonden, alleen voor zover deze betrekking heeft op de stand still.
Als gevolg van het vonnis van 15 januari 2025 is het conservatoire beslag van [gedaagden] executoriaal geworden. Op grond daarvan heeft [gedaagden] een executieverkoop van het pand in gang gezet, die gepland staat op 24 november 2026.
Uit een overgelegd uittreksel uit het kadaster volgt dat er meerdere beslagen (zowel conservatoir als executoriaal) op het pand rusten.
3 Het geschil
[eiser] vordert om – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis – [gedaagden] per direct en tot 24 maart 2027 te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 januari 2025 door de executoriale verkoop van het pand, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagden] in de kosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
[gedaagden] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4 De beoordeling
Partijen zijn in het buitenland gevestigd. Om die reden moet worden beoordeeld of de Amsterdamse voorzieningenrechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Dat is het geval op grond van artikel 438 jo. artikel 103 Rv, nu het gaat om een executiegeschil ten aanzien van een pand in [plaats] . Niet ter discussie staat verder dat Nederlands recht van toepassing is.
De vordering van [eiser] houdt in dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 januari 2025 tijdelijk wordt geschorst, tot 24 maart 2027. Zij wil van die tijd gebruik maken om het pand onderhands te verkopen in plaats van via een executieverkoop, om een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren.
Schorsing van de executie in kort geding op grond van artikel 438 Rv is in het geval dat geen rechtsmiddel meer openstaat alleen mogelijk als sprake is van misbruik van (executie)recht als bedoeld in artikel 3:13 BW. Dat kan aan de orde zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien door feiten die na het vonnis zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen klaarblijkelijk een noodtoestand voor de geëxecuteerde ontstaat, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is (HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, Ritzen/Hoekstra).
[eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat zij formeel weliswaar betrokken was bij de lening als (indirect) bestuurder, maar dat zij geen zicht had op de activiteiten en de financiële administratie van de vennootschappen. Omdat zij als gevolg van haar formele betrokkenheid aansprakelijk is gesteld en haar pand het enige verhaalsobject is, komen de consequenties van het aangaan van die lening nu volledig bij haar terecht. Zij begrijpt dat [gedaagden] zijn vordering betaald wil hebben en zij is daartoe ook alleszins bereid, maar zij heeft iets meer tijd nodig. Het pand staat sinds september 2026 te koop, de makelaar is actief bezig met de verkoop, er hebben bezichtigingen plaatsgevonden en er is ook een tweede bezichtiging aangevraagd door een geïnteresseerde partij. De makelaar acht een verkoopperiode van drie tot zes maanden realistisch voor een pand in dit segment en verwacht – als er voldoende tijd beschikbaar is – een verkoopopbrengst tussen de € 7 miljoen en € 8 miljoen te kunnen realiseren. In lijn daarmee vraagt zij vier maanden uitstel.
Hoewel begrijpelijk is dat [eiser] liever onderhands verkoopt, maken de door haar aangevoerde omstandigheden niet dat [gedaagden] in dit geval zijn recht misbruikt bij voortzetting van de executieverkoop. In dat verband is van belang dat [eiser] ruim de tijd heeft gehad om onderhands te verkopen (of anderszins een oplossing te zoeken) nu zij al bij vonnis van 15 januari 2025 hoofdelijk is veroordeeld tot betaling. Ook is relevant dat zij de na het vonnis gemaakte afspraak met [gedaagden] tot het vestigen van hypotheekrecht – ondanks herhaalde verzoeken – niet nakwam. Zij zegt dat dit kwam omdat zij verwachtte dat [gedaagden] en haar ex-man op het punt stonden een regeling te treffen, maar waar zij ook bij het herhaalde verzoek niet heeft meegewerkt komt dat voor haar risico. Zij heeft uiteindelijk tot september 2026 gewacht met het ondernemen van concrete actie. Het pand staat sindsdien te koop en er hebben enkel bezichtigingen plaatsgevonden; een concrete koper is nog niet in beeld. [gedaagden] wacht aldus al lang op terugbetaling van zijn vordering en van hem kan in de gegeven omstandigheden nader uitstel niet worden gevergd.
Hoewel [gedaagden] dus niet gehouden kan worden tot nader uitstel, is denkbaar dat partijen in overleg treden om te kijken wat nodig is om tot opbrengstmaximalisatie te komen en daar afspraken over te maken. Onderdeel van die afspraken kan zijn dat nog enige tijd gekeken wordt of onderhandse verkoop een hoge opbrengst oplevert. Dat is immers in het belang van beide partijen, mede gelet op de gelegde beslagen op het pand.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
341 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.177 |
|
|
- nakosten |
€ |
189 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.707 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vandaag zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,
|
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2026. |
||