Civiel recht overig
Bevel tot specifieke wetgeving en daarmee samenhangende vorderingen afgewezen.
Rechtbank Den Haag, 4 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32359 · Rechtbank Den Haag · 4 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32359
Zaakgegevens
Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- C/09/712566 / KG ZA 26-989
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.H.T. van Gijssel
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32359
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bevel tot specifieke wetgeving en daarmee samenhangende vorderingen afgewezen.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/712566 / KG ZA 26-989
Vonnis in kort geding van 4 november 2026
in de zaak van
NEDERLANDSE VERENGING VAN PEDAGOGEN EN ONDERWIJSKUNDIGEN te Utrecht,
eiseres,
advocaat: mr. A.H.T. van Gijssel,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT) te Den Haag,
gedaagde,
advocaten: mrs. C.G. Top en H.M. den Herder.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de NVO’ en ‘de Staat’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 september 2026 met producties 1 tot en met 22;
- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord;
- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.
Op 21 oktober 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Met ingang van 1 januari 2020 is het beroep orthopedagoog-generalist (hierna: OG) opgenomen in artikel 3 van de Wet BIG.
Bij brief van 9 januari 2020 aan de Staat heeft de NVO een verzoek ingediend om de opleiding tot OG centraal door de Staat te laten bekostigen. Bij brief van 11 november 2020 hebben de brancheverenigingen Jeugdzorg Nederland (hierna: JN), Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (hierna: VGN), Vereniging Orthopedagogische Behandelcentra (hierna: VOBC) en de Nederlandse ggz hierna: (NL ggz) hun steun betuigd aan het verzoek van de NVO.
Bij brief van 17 augustus 2021 heeft de Staat de NVO bericht dat een aantal in die brief vermelde vragen beantwoord moet worden voordat een besluit kan worden genomen over de centrale bekostiging van de opleiding tot OG.
Bij brief van 12 november 2021 heeft de NVO de vragen van de Staat beantwoord, betoogd dat de OG ten opzichte van andere beroepsgroepen een zelfstandige meerwaarde heeft en gemeld dat een gedeelte van de vragen niet beantwoord kan worden zonder een raming van het Capaciteitsorgaan.
Op 30 maart 2023 hebben de NVO, JN en VGN een brief naar de Staat gezonden waarmee zij de Staat verzoeken om aan het Capaciteitsorgaan opdracht te geven tot een tussentijdse raming van de behoefte aan het beroep OG.
In 2024 heeft de NVO onderzoeksbureau Nivel opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de rol en toegevoegde waarde van OG’s vanuit het perspectief van hun werkgevers. In maart 2024 heeft het Nivel een rapport, genaamd ‘De meerwaarde van de orthopedagoog-generalist, Nut en noodzaak van de beroepsgroep bezien vanuit werkgeverperspectief’(hierna: het Nivel-rapport) uitgebracht. Het Nivel-rapport vermeldt onder meer:
“5.1.1 Financiering als reden om voor de GZ-opleiding te kiezen
Uit de focusgroepen met werkgevers bleek dat de verschillen in financiering tussen de opleiding tot GZ-psycholoog en orthopedagoog-generalist leiden tot ongewenste verschillen tussen werknemers. De opleidingen zijn in de ogen van werkgevers en werknemers gelijkwaardig en de meeste werkgevers hebben beide functies in dienst. Echter is er voor de werknemers die willen doorstromen naar een functie van orthopedagoog-generalist of voor werkgevers die gegeven hun doelgroep en doelstelling meer orthopedagogen-generalist in dienst willen hebben nu lastiger. Medewerkers die willen doorstromen naar de functie van orthopedagoog-generalist hebben hier, doordat het niet vergoed wordt, minder kans op. Daarnaast moeten zij nu bij veel werkgevers bijdragen in de kosten voor de opleiding. Voor de opleiding tot GZ-psycholoog is dit niet het geval. Hierdoor worden er door sommige werkgevers GZ-psychologen opgeleid om hun werknemers toch een doorstroomkans te bieden en om hen te behouden voor de organisatie.
[…]
Vervolgens laat tabel 4 zien hoe de gewenste ontwikkelingen zouden zijn voor de drie verschillende scenario’s, die als doelstelling kent dat de verhouding tussen het aantal orthopedagogen-generalist en GZ-psychologen over 10 jaar gelijk zal zijn. Gegeven de aannames die in drie scenario’s hiervoor zijn beschreven, is dan de doorrekening dat er 232 orthopedagogen-generalist per jaar moeten worden opgeleid voor scenario 1, 296 per jaar voor scenario 2, en 262 per jaar voor scenario 3. Deze scenario’s geven een range van 232 tot 296 op te leiden orthopedagogen-generalist per jaar, voor de drie sectoren (jeugdzorg, gehandicaptenzorg en ouderenzorg). Hierbij is het belangrijk te benadrukken dat zowel de haalbaarheid van de scenario’s (een 50/50 verdeling tussen beide beroepsgroepen op macroniveau), de aangenomen 10-jaarsperiode en de aannames over in- en uitstroom met grote onzekerheden zijn omgeven. Het is daarmee ook duidelijk dat voor een meer onderbouwde en gedetailleerder doorrekening van het aantal benodigde plaatsen voor de OG-
opleiding een capaciteitsraming benodigd is zoals het Capaciteitsorgaan die uitvoert.
[…]
Conclusie
Op basis van dit onderzoek onder werkgevers kunnen we concluderen dat zij binnen de gehandicaptenzorg, jeugdzorg en ouderenzorg, duidelijk de toegevoegde waarde, het nut en de noodzaak van de orthopedagoog-generalist voor hun organisatie benoemen. Orthopedagogen-generalist vullen andere zorgverleners expliciet aan, en geven met hun systemische en integrale benadering een waardevolle bijdrage aan de zorg en het functioneren van veel cliënten. Werkgevers geven met name aan dat orthopedagogen-generalist de rol van de GZ-psycholoog aanvullen, door dezelfde cliënten en problematiek vanuit een ander perspectief te benaderen, waardoor de zorg optimaal en beter passend bij de situatie van de cliënten wordt geleverd.”
Bij brief van 14 mei 2024 heeft de NVO de Staat verzocht om het Capaciteitsorgaan opdracht te geven om een raming te maken voor het benodigde aantal instroomplekken voor de opleiding tot OG. Het Nivel-rapport is meegezonden.
Bij brief van 8 juli 2024 heeft de Staat de NVO bericht dat het Capaciteitsorgaan pas een opdracht tot raming krijgt nadat een positief besluit is genomen over de centrale bekostiging van een opleiding, maar dat in dit geval een uitzondering wordt gemaakt. De Staat heeft het Capaciteitsorgaan daarom verzocht om de OG eenmalig mee te nemen in de raming van 2027 – 2030. De Staat heeft daarnaast te kennen gegeven dat zij inzicht nodig heeft in de bereidheid van relevante partijen zoals zorgaanbieders en financiers in de zorg, om centrale financiering en sturing van opleidingsplaatsen mogelijk te maken en daarvoor structureel middelen in te leveren. De Staat heeft in dit verband aangestuurd op een gesprek met de NVO en de brancheorganisaties.
In mei 2025 heeft SiRM een rapport genaamd ‘Terug naar de bedoeling van het instrument, Evaluatie van het instrument beschikbaarheidbijdrage’ (hierna: SiRM-rapport) uitgebracht. De hoofdaanbevelingen van het rapport zijn dat de beschikbaarheidsbijdrage zorgvuldiger moet worden toegepast, dat het beoordelingskader voor de inzet van de beschikbaarheidbijdrage aangescherpt moet worden, en dat voor (medische) vervolgopleidingen en academische zorg de keuze voor de beschikbaarheidsbijdrage nader bezien moet worden.
In december 2025 heeft het Capaciteitsorgaan een rapport, genaamd ‘Capaciteitsplan 2027 – 2030, Verantwoording Beroepen Geestelijke Gezondheid’ (hierna: het Capaciteitsplan) uitgebracht. In het Capaciteitsplan is een raming opgenomen voor zes beroepen (GZ-psycholoog, psychotherapeut, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog, verpleegkundig specialist ggz en verslavingsarts KNMG). Het Capaciteitsplan vermeldt dat op verzoek van de Staat ook een eenmalige raming is uitgevoerd voor de OG en dat hiervoor gelijktijdig een losstaand rapport is gepubliceerd, genaamd ‘Kernrapport orthopedagoog-generalist, eenmalige raming’ (hierna: het Kernrapport OG’). Het Capaciteitsplan vermeldt onder andere:
“Voor de orthopedagogen-generalist geldt dat er een groot aantal masterorthopedagogen en master- psychologen werkzaam zijn die mogelijk in aanmerking zouden komen voor de opleiding tot OG. Er zijn geen indicaties dat het animo binnen deze groep te laag zou zijn.
De opleidingscapaciteit is ook bevraagd bij de jeugd- en GGZ instellingen. Bij de bevraagde instellingen waren in 2024 in totaal 75 personen in opleiding. Tegelijkertijd geven ze aan dat er ruimte was voor 143 personen in opleiding.
Wanneer deze trend wordt doorgetrokken naar alle instellingen, waar in 2024 160 personen zijn gestart met de opleiding, zouden er dus iets meer dan 300 personen per jaar kunnen starten met de opleidingen bij praktijkopleidingsinstellingen.
Instellingen geven momenteel wel aan dat de financiering een beperking is om OG op te leiden. Bij sommige instellingen verschuift daarmee de focus naar de GZ-psycholoog, waarvoor wel centrale bekostiging is, alhoewel hiervoor ook meer aanvragen worden gedaan dan er opleidingsplekken beschikbaar zijn. Het komt daarbij ook voor dat de opleiding wordt uitgesteld of ervan wordt afgezien.”
Verder vermeldt het Kernrapport OG, voor zover relevant:
“1 Conclusie en instroomadvies
De orthopedagoog-generalist is veelal werkzaam in de gehandicaptenzorg en de jeugdzorg, maar ook in het onderwijs, GGZ, ziekenhuiszorg of de VVT. Er is in deze sectoren extra behoefte aan BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren. Dit komt voornamelijk voort uit de wens om de eigen werknemers verder op te leiden. Deze behoefte is er ook voor de orthopedagoog-generalist, waar een aanzienlijk tekort aan wordt ervaren. Daartoe wordt er geadviseerd 184 personen per jaar op te leiden. Dit is hoger dan de 160 personen die starten met de opleiding in 2024.
[…]
Evenwichtsperiode
Voor de orthopedagoog-generalist wordt uitgegaan van een evenwichtsperiode van 12 jaar, waarmee het instroomadvies uitkomt op 184. Hiervoor is gekozen vanwege het eenmalige karakter van de raming en de onzekerheden die daarbij horen. Een langere evenwichtsperiode geeft daarbij meer kansen op stabiliteit. Het instroomadvies is daarbij hoger dan de 160 personen die in 2024 zijn gestart met de opleiding.”
Als onderdeel van de raming is door bureau HHM een onderzoek gericht op de taakverdeling orthopedagoog-generalist, de GZ-psycholoog en aanverwante beroepen uitgevoerd. In het rapport uit 2025 (hierna: het HHM-rapport) is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“Invloed van bekostiging en arbeidsmarkt
Hierbij is van belang om op te merken dat de keuze van zorgaanbieders voor welke professionals ze in dienst hebben en opleiden, voor een groot deel pragmatisch is. De krapte op de arbeidsmarkt speelt een rol; de keuze voor welke professionals ze inzetten is steeds vaker ingegeven door ‘wat heb ik beschikbaar’ in plaats van op inhoudelijke gronden. Het ontbreken van bekostiging voor de OG-opleiding speelt ook een nadrukkelijke rol. Als er een beschikbaarheidsbijdrage zou zijn, zouden jeugddomein en gehandicaptenzorg, en mogelijk ook GGZ 18+ (meer) OG gaan opleiden. Er is behoefte aan een meer 50-50 of zelfs 75-25 verhouding tussen OG en GZ in jeugddomein en gehandicaptenzorg. Voor professionals zelf spelen wat de opleidingskeuze betreft interesse in een doelgroep of benadering en doorgroeimogelijkheden een rol.”
Bij brief van 6 februari 2026 heeft de Staat de NVO bericht dat mede op basis van het advies van het Capaciteitsorgaan centrale bekostiging van de opleiding tot OG niet aan de orde is. De brief vermeldt verder:
“Voorop staat dat er een aantoonbare noodzaak moet zijn om over te gaan tot centrale bekostiging van de OG-opleiding. In geval van de OG kan deze noodzaak niet worden onderbouwd.
Dat de noodzaak niet kan worden onderbouwd heeft onder meer te maken met het feit dat bekostiging vanuit de Rijksbegroting alleen kan worden ingezet als bekostiging in de markt niet of onvoldoende tot stand komt of kan komen, terwijl de beroepsbeoefenaar waartoe wordt opgeleid wel noodzakelijke zorg levert in het licht van een van de geldende zorgwetten die niet of onvoldoende door een andere beroepsbeoefenaar geboden kan worden. De bekostiging van de opleiding tot OG wordt reeds in de praktijk door het veld zelf gerealiseerd. Daarmee is geen sprake van marktfalen. Zo komt uit het CO-advies geen overtuigend bewijs naar voren dat sprake is van een structureel, landelijk tekort aan OG's dat niet binnen het bestaande stelsel kan worden opgevangen. De capaciteitsraming laat verder zien dat het verschil tussen de huidige instroom (160) en de geraamde benodigde instroom (circa 184) beperkt is. Daarbij constateert het CO dat de opleidingscapaciteit bij instellingen ruimer is dan momenteel wordt benut en dat er voldoende potentiële opleidelingen beschikbaar zijn. Dit laat zien dat het veld in staat is gebleken om nagenoeg conform de raming op te leiden, wat als een positief en bemoedigend signaal wordt beschouwd.
Daarnaast zijn er geen signalen dat kwaliteit en patiëntveiligheid onder druk staan door decentrale bekostiging. De huidige wettelijke kaders, zoals de Wet BIG, professioneel toezicht en het beroepscompetentieprofiel dragen hier voldoende aan bij.
Hier komt bij dat de middelen voor opleiden schaars zijn en bekostiging van de OG-opleiding ten koste zou gaan van andere (medische) vervolgopleidingen waarvoor bekostiging vanuit de overheid primair is bedoeld. Centrale bekostiging van de OG-opleiding door de overheid zou daarmee kunnen leiden tot nieuwe marktverstoringen, ondoelmatigheden en onwenselijke precedentwerking voor andere (medische) opleidingen die heden ook decentraal bekostigd worden.
Gegeven het bovenstaande is centrale overheidsbekostiging van de opleiding tot OG niet aan de orde, ook niet in de vorm van de beschikbaarheidbijdrage, zoals door de NVO eerder gesuggereerd is. Dit besluit doet geen afbreuk aan de professionele en maatschappelijke meerwaarde van de OG.”
De NVO heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de Staat om de opleiding tot OG niet centraal te bekostigen. Bij e-mail van 7 april 2026 heeft de Staat de NVO bericht dat tegen de beslissing geen bezwaar en beroep openstaat, maar dat de Staat bereid is om de beslissing in een gesprek nader toe te lichten.
Bij brief van 4 mei 2026 heeft de NVO de Staat bericht dat de Staat op basis van het advies van het Capaciteitsorgaan ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat er geen grondslag is voor een beschikbaarheidsbijdrage en dat de beslissing om de opleiding tot OG niet in aanmerking te laten komen voor centrale bekostiging niet gestoeld is op een zorgvuldig en serieus onderzoek. De NVO heeft daarom om een gesprek verzocht.
Bij brief van 18 juni 2026 heeft de NVO nogmaals aangedrongen om op korte termijn in gesprek te treden over de beslissing om de opleiding tot OG niet centraal te bekostigen.
Op 2 juli 2026 heeft een gesprek tussen de Staat en de NVO plaatsgevonden, waarbij de Staat de beslissing om de opleiding tot OG niet centraal te bekostigen heeft toegelicht. De NVO heeft vervolgens bij brief van 7 juli 2026 aangekondigd dat zij een procedure zal starten.
3 Het geschil
De NVO vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. de Staat gebiedt de opleiding tot OG te plaatsen op onderdeel B aanhef, onder 1, sub a van de Bijlage bij het Besluit Beschikbaarheidsbijdrage Wmg en in artikel 1 aanhef onder k van de Subsidieregeling Opleidingen Jeugd GGZ;
II. de Staat gebiedt de NZa een aanwijzing te geven op grond van artikel 7 Wmg voor het verdelen van de instroomplekken voor 2027 en volgende jaren waarin de Minister de verdeelcriteria en het totale aantal instroomplekken vastlegt met inachtneming van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure;
III. de Staat gebiedt in bijlage 1 bij de Subsidieregeling het subsidiebedrag per opleidingsplaats voor de OG in jeugd-ggz te bepalen voor de jaren 2027 en volgende jaren;
IV. de Staat gebiedt het totale aantal instroomplekken te laten aansluiten op het instroomadvies van het Capaciteitsorgaan;
V. de Staat gebiedt om de aspirant-OG’s die vanaf september 2026 een opleiding tot OG starten volledig financieel te compenseren voor de opleidingskosten die zij daarvoor moeten betalen totdat de werkgevers van de aspirant-OG een aanvraag kunnen doen voor een beschikbaarheidsbijdrage respectievelijk subsidie;
VI. de Staat gebiedt het Capaciteitsorgaan opdracht te geven de opleiding tot OG standaard mee te nemen in de capaciteitsramingen voor de GZ-beroepen;
subsidiair
VII. de Staat gebiedt de NZa binnen twee maanden opdracht te geven een marktverstoringstoets uit te voeren waarin eveneens aandacht wordt besteed aan verstoringen op de arbeidsmarkt en het externe effect en dit onderzoek te delen met de NVO;
VIII. de Staat gebiedt de Tweede Kamer te informeren dat de beslissing van 6 februari 2026 wordt teruggedraaid en de noodzaak tot de bekostiging van de OG nader wordt onderzocht;
meer subsidiair
IX. een zodanige voorziening treft die de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht;
zowel primair als (meer) subsidiair
X. de Staat veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Daartoe voert de NVO – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt onmiskenbaar onrechtmatig jegens de (aspirant-)OG’s door de opleiding tot OG niet centraal te bekostigen. De OG vervult een essentiële rol in het Nederlandse zorgstelsel en heeft een meerwaarde ten opzichte van verwante beroepen. De borging van kwaliteit van de beroepsgroep van OG’s valt onder de verantwoordelijkheid van de Staat. Opleiden tot OG is daarvoor een randvoorwaarde. Het valt daarom ook onder de verantwoordelijkheid van de Staat om de opleiding tot OG te financieren. Uit diverse onderzoeken volgt dat instellingen minder OG’s opleiden dan gewenst wegens een gebrek aan (centrale) bekostiging. Ondertussen wordt de GZ-opleiding wel centraal bekostigd. Instellingen kiezen er daarom voor om GZ-psychologen op te leiden in plaats van OG’s, terwijl er behoefte is aan meer OG’s. (Aspirant-)OG’s worden hierdoor onevenredig benadeeld. Uit de onderzoeken volgt verder dat er momenteel een landelijk tekort aan OG’s is van 20%, terwijl er wel voldoende opleidingscapaciteit is. Er zouden meer dan 300 OG per jaar kunnen starten met de opleiding, maar het gebrek aan bekostiging vormt een belemmering om deze capaciteit te kunnen benutten. Daarnaast volgt uit de onderzoeken dat binnen 10 jaar 52% meer OG’s nodig zijn dan er nu werkzaam zijn. Hoewel de Staat beleidsruimte heeft op grond van artikel 56a Wmg, moet de Staat binnen de grenzen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur handelen. Met de beslissing om de opleiding tot OG niet centraal te bekostigen heeft de Staat echter in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, de motiveringsplicht, het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur gehandeld. Ook is het beleid van de Staat in strijd met het in de Grondwet (Gw) en het Europees Sociaal Handvest (ESH) vastgelegde grondrecht op vrije arbeidskeuze. De beslissing van de Staat is dan ook onmiskenbaar onrechtmatig.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid NVO
Tegen de beslissing van de Staat van 6 februari 2026 om de opleiding tot OG niet centraal te bekostigen staat voor de NVO en haar achterban geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel open. Voor de achterban van de NVO is het daarnaast niet mogelijk om zelf een beschikbaarheidsbijdrage aan te vragen. Ook zij kunnen de rechtmatigheid van de regelgeving waarop de beslissing van 6 februari 2026 is gebaseerd daarom niet laten toetsen, terwijl de belangen van aspirant-OG’s wel door de beslissing worden geraakt. De NVO is in dat geval ontvankelijk bij de burgerlijke rechter nu zij opkomt voor de belangen van personen voor wie geen rechtsgang openstaat bij de bestuursrechter.
Bevel tot wetgeving
De NVO is het niet eens met de beslissing van de Staat om de opleiding tot OG niet centraal te gaan bekostigen en de manier waarop die beslissing is genomen. Zij vordert daarom primair, onder I, dat de voorzieningenrechter de Staat gebiedt om de opleiding tot OG te plaatsen op onderdeel B aanhef, onder 1, sub a van de Bijlage bij het Besluit Beschikbaarheidsbijdrage Wmg en in artikel 1 aanhef onder k van de Subsidieregeling Opleidingen Jeugd GGZ. Daarmee vordert de NVO dat de Staat wordt geboden om een algemeen verbindend voorschrift met een specifieke inhoud vast te stellen.
Uit vaste rechtspraak volgt echter dat de rechterlijke macht zich niet door het geven van een wetgevingsbevel dient te mengen in de politieke besluitvorming met betrekking tot het tot stand brengen van wetgeving met een bepaalde, concreet omschreven inhoud. Het is, gelet op de staatsrechtelijke verhoudingen, uitsluitend aan de wetgever zelf om te bepalen of wetgeving met een bepaalde inhoud tot stand komt. De rechter kan de Staat dus niet gebieden om bepaalde wetten en regels tot stand te brengen. Dat geldt temeer in kort geding vanwege de aard van deze procedure.
Onder omstandigheden kan de rechterlijke macht de Staat wel een bevel geven om maatregelen te nemen teneinde een bepaald doel – zoals een grotere beschikbaarheid van OG’s – te bereiken. Daarvoor moet duidelijk zijn dat een dergelijke verplichting voor de Staat bestaat. De rechter moet zich, zeker in kort geding, daarbij zeer terughoudend opstellen. De rechter kan slechts ingrijpen indien het handelen van de Staat onmiskenbaar onrechtmatig is.
In dit geval is de vordering niet gebaseerd op een verplichting van de Staat om maatregelen te nemen om een bepaald doel te bereiken. Gelet op artikel 56a Wmg en de uitkomsten van de onderzoeken van het Capaciteitsorgaan, HHM en het Nivel, is ook niet voldoende aannemelijk geworden dat de Staat de verplichting heeft om te zorgen voor een grotere beschikbaarheid van OG’s zoals door de NVO gesuggereerd. Binnen het bestek van dit kort geding kan dan ook niet worden geoordeeld dat de Staat, door de opleiding nu niet centraal te bekostigen, onmiskenbaar onrechtmatig handelt.
Dat neemt niet weg dat het wrang is voor de NVO en haar achterban dat de opleiding tot OG nu niet centraal wordt bekostigd terwijl dat wel zo is bij bijvoorbeeld de opleiding tot GZ-psycholoog en andere BIG geregistreerde beroepen binnen de GGZ, en niet ter discussie staat dat de OG van professionele en maatschappelijke meerwaarde is binnen de GGZ, de jeugdzorg en de gehandicaptenzorg. In dat verband heeft de NVO erop gewezen dat mensen die zouden willen worden opgeleid tot OG dat nu niet doen vanwege de kosten en/of kiezen voor een opleiding tot GZ-psycholoog omdat die wel centraal wordt bekostigd. Dat is volgens de NVO in strijd met het recht op vrije keuze van arbeid als bedoeld in artikel 19 lid 3 van de Grondwet (Gw) en artikel 1 van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Het beleid van de Staat is volgens de NVO willekeurig en belemmert de kansen van de orthopedagogen om te worden opgeleid tot OG. De voorzieningenrechter volgt de NVO daarin niet. Artikel 19 lid 3 Gw en artikel 1 ESH waarborgen het recht van een ieder om zelf te kiezen welk beroep, vak of ambacht hij of zij wil uitoefenen. Dat recht is niet dermate verstrekkend dat kan worden afgedwongen dat de Staat bijdraagt aan de kosten van bepaalde (medische) vervolgopleidingen. De Staat verhindert met haar beleid niet dat mensen de opleiding tot OG kunnen doen.
De conclusie is dat het onder I door de NVO gevorderde bevel tot wetgeving met een specifieke inhoud moet worden afgewezen.
Vorderingen II tot en met IX
Onder II tot en met VIII heeft de NVO diverse vorderingen ingesteld die in het verlengde van vordering I liggen. Deze vorderingen volgen het lot van vordering I.
De NVO heeft onvoldoende belang bij de vordering om de Staat te gebieden de NZa een aanwijzing te geven om de instroomplekken voor 2027 en volgende jaren te verdelen, nu de opleiding tot OG vooralsnog niet voor centrale bekostiging in aanmerking komt. Vordering II wordt daarom afgewezen. Ook bestaat hierom geen grond om een subsidiebedrag per opleidingsplaats voor de OG te bepalen of om het totale aantal instroomplekken voor de opleiding tot OG te laten aansluiten op het instroomadvies van het Capaciteitsorgaan. Verder is geen sprake van, zoals de NVO stelt, het voortdurend schenden van de rechten van (aspirant-)OG’s zolang de financiering van de opleiding tot OG niet door de Staat wordt overgenomen. De aspirant-OG’s die vanaf september 2026 met de opleiding tot OG zijn gestart kunnen dan ook geen aanspraak maken op compensatie van de Staat. De vorderingen II tot en met V worden afgewezen.
Onder VI heeft de NVO gevorderd dat de Staat wordt geboden om het Capaciteitsorgaan opdracht te geven om de opleiding tot OG voortaan mee te nemen in de capaciteitsramingen voor de GZ-beroepen. De NVO heeft in dit verband niet betwist dat het Capaciteitsorgaan pas een opdracht tot raming van de Staat krijgt nadat een positief besluit is genomen over de centrale bekostiging van een opleiding. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat er geen plicht voor de Staat bestaat om het Capaciteitsorgaan een dergelijke opdracht tot raming te geven. Dat de Staat eerder (onverplicht) opdracht heeft gegeven om de OG eenmalig mee te nemen in de raming doet hier niet aan af, zodat ook deze vordering wordt afgewezen.
Onder VII vordert de NVO dat de Staat de NZa binnen twee maanden opdracht moet geven om een marktverstoringstoets uit te voeren waarin ook aandacht wordt besteed aan verstoringen op de arbeidsmarkt en het externe effect. Een marktverstoringstoets komt pas in beeld bij de beoordeling of een bepaalde vorm van zorg in aanmerking komt voor een beschikbaarheidbijdrage in het kader van artikel 56a Wmg. De NZa voert deze toets op verzoek van de Staat uit. Voor een dergelijke opdracht aan de NZa bestaat onder de gegeven omstandigheden echter geen aanleiding en daartoe bestaat voor de Staat ook geen wettelijke plicht.
De NVO wenst dat de Staat de Tweede Kamer informeert dat de beslissing van 6 februari 2026 wordt teruggedraaid en dat de noodzaak tot de bekostiging van de opleiding tot OG nader wordt onderzocht. Ook deze vordering wordt afgewezen aangezien de voorzieningenrechter geen bevel kan geven om wetgeving met de door de NVO gewenste inhoud tot stand te brengen. Verder hebben de Staat en de NVO uitvoerig onderzoek laten doen naar de noodzaak tot bekostiging van de opleiding tot OG op basis waarvan de Staat een beslissing heeft genomen die naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onmiskenbaar onrechtmatig is. Bij deze stand van zaken kan de Staat niet verplicht worden om op dit moment nog meer onderzoek te (laten) verrichten naar de noodzaak tot de bekostiging van de opleiding tot OG. Dat betekent niet dat het boek daarmee definitief gesloten is. De voorzieningenrechter acht het van meerwaarde dat de Staat en de NVO met elkaar in gesprek blijven over eventuele toekomstige ontwikkelingen.
De slotsom is dat de vorderingen II tot en met VIII van de NVO worden afgewezen en dat er geen aanleiding bestaat om enige andere voorziening te treffen, zodat ook vordering IX wordt afgewezen.
Proceskosten
De NVO is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt de NVO in de proceskosten van de Staat, begroot op € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de NVO niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de NVO € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt de NVO in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2026.
3556