Civiel recht overig
Uitsluiting bieder commandopost Clingendael niet onrechtmatig.
Rechtbank Den Haag, 3 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32225 · Rechtbank Den Haag · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32225
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 3 november 2026
- Zaaknummer
- C/09/708128 / KG ZA 26-737
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.Q. Janus
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32225
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uitsluiting bieder commandopost Clingendael niet onrechtmatig.
Uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/708128 / KG ZA 26-737
Vonnis in kort geding van 3 november 2026
in de zaak van
NATIONALE MAATSCHAPPIJ TOT RESTAUREREN & HERBESTEMMEN VAN CULTUREEL ERFGOED B.V., mede h.o.d.n. BOEi, te Amersfoort,
eiseres,
advocaten: mr. S.C. Brackmann en mr. L. Sylaj,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, DG Vastgoed en Bedrijfsvoering Rijk), te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. R.Q. Janus,
waarin zich aan de zijde van de eisende partij heeft gevoegd:
STICHTING WIJKBELANGEN UILENNEST te Den Haag,
vertegenwoordigd door mr. V. Wösten.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘BOEi’, ‘de Staat’ en ‘de Stichting’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juli 2026;
- de akte van BOEi houdende overlegging producties 1 tot en met 16;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;
- het verzoek van de Stichting tot voeging, met bijlagen 1 tot en met 3;
- de akte van BOEi houdende a) wijziging van eis, b) overlegging aanvullende producties 17 tot en met 19 en c) nadere toelichting grondslagen vorderingen;
- het bericht van 9 oktober 2026, waarin de Staat bezwaar maakt tegen de door BOEi ingediende akte nadere toelichting grondslagen vorderingen;
- de akte van BOEi houdende overlegging productie 20;
- de op 9 oktober 2026 door de Staat overgelegde productie 3;
- de op 9 oktober 2026 door BOEi overgelegde productie 20.
Op 12 oktober 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. BOEi en de Staat hebben hun standpunten aan de hand van overgelegde pleitnotities toegelicht.
2 Het verzoek tot voeging
De Stichting heeft verzocht zich te mogen voegen aan de zijde van BOEi. Ter zitting heeft BOEi verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voeging. De Staat heeft daartegen wel verweer gevoerd. Volgens de Staat heeft de Stichting onvoldoende belang bij voeging en ook is de voeging volgens hem in strijd met de goede procesorde. De voorzieningenrechter heeft de Stichting na een korte schorsing van de zitting toegelaten als gevoegde partij. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het in deze kortgedingprocedure gaat over de mogelijke verkoop van het voormalige bunkercomplex Commandopost Clingendael aan de [adres] (hierna: ‘de Commandopost). De Stichting heeft blijkens haar statuten onder meer ten doel het behoud van cultureel erfgoed in de Haagse wijk Uilennest en wijdere omgeving. Gelet op dit statutaire doel en de ligging van de Commandopost, heeft de Stichting voldoende belang bij de verzochte voeging. Ter zitting is de representativiteit voldoende toegelicht namens de Stichting. Daarnaast is niet gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor is er evenmin sprake van strijd met de goede procesorde.
3 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De Staat, meer in het bijzonder het Rijksvastgoedbedrijf, heeft een openbare verkoopprocedure met voorselectie georganiseerd om te komen tot verkoop van de Commandopost.
In het kader van de voorselectie dienen belangstellenden aan te tonen dat zij ervaring hebben met herontwikkelingsprojecten van soortgelijke complexiteit, aard en omvang. Daarnaast dient door belangstellenden in het kader van de voorselectie een visie te worden ingediend, waarin belangstellenden hun visie geven op de herontwikkeling van de Commandopost.
De in te dienen visie dient aan te sluiten bij de ruimtelijke en programmatische kaders en randvoorwaarden die zijn neergelegd in de ten behoeve van deze verkoopprocedure opgestelde Nota van Uitgangspunten. Ingediende visies worden door een selectiecommissie beoordeeld aan de hand van vier selectiecriteria. Deze staan vermeld in artikel 4.6 van de Selectieleidraad, die een bijlage vormt bij het ‘Biedboek verkoop bij openbare inschrijving Commandopost Clingendael te Wassenaar’ van 10 maart 2025 (hierna: ‘het Biedboek’). Daarbij gaat het om de criteria 1) Integrale Kwaliteit, 2) Landschap, Ruimte en Planologie, 3) Gebouw, Architectuur en Cultuurhistorie en 4) Haalbaarheid.
De beoordeling van de ingediende visies vindt eerst plaats door ieder commissielid afzonderlijk aan de hand van de geanonimiseerde visies. Alle partijen krijgen de mogelijkheid om hun visie aan de hand van een presentatie te verduidelijken, waarbij de commissieleden de mogelijkheid hebben om verduidelijkingsvragen te stellen. De selectiecommissie bespreekt vervolgens gezamenlijk de ingediende visies, waarbij de commissieleden de mogelijkheid hebben om hun individuele waardering te herzien. Daarna brengt de selectiecommissie de eindbeoordeling uit. Op basis van de waardering van de visies worden de partijen, die met hun visie de in artikel 4.10.2 van de Selectieleidraad vastgestelde minimumscores hebben behaald, uitgenodigd om deel te nemen aan de biedingsfase van de verkoopprocedure.
In artikel 4.4.4 onder a van het Biedboek is bepaald dat in de situatie dat een combinatie van (rechts)personen aan de verkoopprocedure deelneemt, het niet is toegestaan om de hoedanigheid en/of de samenstelling van de (rechts)personen van die combinatie gedurende de verkoopprocedure te wijzigen.
De Staat onderzoekt blijkens artikel 5.1 van het Biedboek in de biedingsfase de aanvaardbaarheid van de ingediende onvoorwaardelijke biedingen. In artikel 5.2.11.1 van het Biedboek is bepaald dat de Staat in beginsel binnen drie maanden na de inschrijvingsdatum beslist over het al dan niet aanvaarden van de biedingen en over de gunning. Uit artikel 5.2.11.2 van het Biedboek volgt dat de Staat daarnaast bevoegd is om de gunning afhankelijk te stellen van de uitkomst van een door de Staat desgewenst uit te voeren integriteits- en/of solvabiliteitsonderzoek naar de partij die de meest aanvaardbare bieding heeft uitgebracht, gelijk of vergelijkbaar met de procedures en criteria zoals opgenomen in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). De Staat is bevoegd een door haar aan te wijzen externe partij te verzoeken om dienaangaande een advies uit te brengen. Dit advies is voor de Staat niet bindend. De Staat is bevoegd niet tot gunning over te gaan indien het resultaat van dit onderzoek daartoe aanleiding geeft.
In artikel 6.3.2 van het Biedboek is onder meer bepaald dat het belangstellenden niet is toegestaan om informatie uit hun aanmelding, de daarmee verband houdende documenten, eventueel ingediende plannen en de uiteindelijke bieding bekend te maken aan derden, op welke wijze dan ook. Indien hieraan niet wordt voldaan, kan dit blijkens artikel 6.3.3 van het Biedboek aanleiding zijn om de desbetreffende belangstellende van verdere deelname aan de verkoopprocedure uit te sluiten, hetgeen ter uitsluitende beoordeling van de Staat is.
Tijdens de verkoopprocedure is door geïnteresseerden via de Q&A op biedboek.nl
een aantal vragen gesteld. Voor dit geschil zijn van belang de vragen 2 en 6 en de daarop door de Staat gegeven antwoorden.
Op de verkoopprocedure is verder van toepassing een door de Staat opgestelde Vertrouwelijkheids- en integriteitsverklaring en disclaimer. Deze is als bijlage bij het Biedboek gevoegd. Hierin behoudt de Staat zich onder meer het recht voor om de verkoopprocedure om haar moverende redenen te beëindigen en om een bieding niet te accepteren of niet op een bieding in te gaan, ongeacht of de bieding de hoogste voorgestelde prijs inhoudt, hetgeen mede afhankelijk is van een te verrichten onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de biedingen, zoals nader omschreven in het Biedboek.
BOEi is een Professionele Organisatie voor Milieubehoud (POM) en als zodanig geregistreerd bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. BOEi heeft zich, net als vier andere partijen, in het kader van de verkoopprocedure aangemeld voor deelname aan de voorselectie. Daartoe heeft zij op 24 juni 2025 een aanmeldingsformulier ingevuld en ondertekend. Dit formulier ging vergezeld van een geanonimiseerd en niet-geanonimiseerd exemplaar van haar visie. BOEi heeft de door haar ingediende visie op 8 september 2025 aan de selectiecommissie gepresenteerd. Op 29 september 2025 heeft de door de Staat aangewezen projectnotaris BOEi en [bedrijfsnaam] B.V., mede h.o.d.n. [handelsnaam] (hierna: ‘[handelsnaam]’), uitgenodigd voor de biedingsfase.
Bij e-mail van 13 november 2025 heeft de Staat via de projectnotaris als volgt bericht aan de partijen die tot het doen van een bieding waren uitgenodigd:
“De Staat der Nederlanden (Rijksvastgoedbedrijf) heeft meerdere signalen ontvangen over onregelmatigheden met betrekking tot de verkoop bij openbare inschrijving van de (voormalige) Commandopost Clingendael gelegen aan de [adres]. Deze signalen zullen nader door de Staat der Nederlanden (Rijksvastgoedbedrijf) worden onderzocht. De uitkomst van het onderzoek zal worden meegenomen in de gunningsbeslissing van de Staat der Nederlanden (Rijksvastgoedbedrijf). De Staat der Nederlanden (Rijksvastgoedbedrijf) heeft besloten de verkoopprocedure lopende het vorenbedoelde onderzoek voort te zetten, en aldus niet op te schorten of te beëindigen. Dit betekent dat de inschrijving (het uitbrengen van een bieding) tot morgen 14 november 2025 om uiterlijk 11:00 uur (Nederlandse tijd) kan plaatsvinden, zulks met inachtneming van het bepaalde in het Biedboek”.
BOEi en [handelsnaam] hebben tijdig een bieding uitgebracht.
De Staat heeft het op 13 november 2025 aangekondigde onderzoek laten uitvoeren door Integis B.V. (hierna: ‘Integis’). Integis heeft op 28 april 2026 haar eindrapport uitgebracht. Voorafgaand aan het uitbrengen van het eindrapport heeft Integis een concept van haar rapport aan BOEi ter beschikking gesteld. BOEi heeft hierop op 23 april 2026 een reactie gegeven. In het eindrapport, waaraan de reactie van BOEi als bijlage is gehecht en dat op 29 juni 2026 aan BOEi ter beschikking is gesteld, valt onder meer het volgende te lezen:
“ 1. Aanleiding
(…)
16. Tijdens de tweede bezichtigingsronde voor de twee partijen die geselecteerd waren om door te gaan naar de biedingsfase, kreeg het RVB van een partij een melding dat zij meerdere keren waren benaderd door BOEi terwijl zij hier geen prijs op stelden. Op 11 november 2025 ontving het RVB via de projectnotaris een melding van deze partij over het handelen van BOEi.
17. Over het handelen van BOEi ontving de projectleider van het RVB verder een melding van een partij die wel een visie had opgesteld, maar die niet was geselecteerd door de selectiecommissie. Deze melding bevat verwijten van uiteenlopende aard.
(…)
2 Opdrachtformulering
19. Wij zijn de volgende opdrachtformulering overeengekomen:
Integis verricht onafhankelijk extern onderzoek naar:
• De aard en omvang van de (in de meldingen opgenomen) verwijten;
• De feiten en omstandigheden die samenhangen met de verwijten;
• De rol van de bij de verwijten betrokken personen c.q. partijen;
• De mate waarin en de wijze waarop de verwijten verifieerbaar zijn;
teneinde vast te stellen of:
• De verwijten al dan niet houdbaar zijn;
• De met de verwijten samenhangende gedragingen al dan niet kwalificeren als
normoverschrijdende gedragingen.
20. De doelstelling van het onderzoek was gericht op het zijdens de opdrachtgever kunnen besluiten of al dan niet passende maatregelen dienen te worden genomen.
(…)
Het (op hoofdlijnen) vaststellen van het vigerende normenkader
(…)
25. Ons is namens het RVB per mail medegedeeld dat het Biedboek als normenkader kan fungeren. Wij beperken ons in onderhavig rapport dan ook tot het Biedboek.
Het houden van interviews
26. Wij hebben de volgende personen geïnterviewd:
• De heer [naam 1], directeur van BOEi;
• De heer [naam 2], projectleider van het RVB;
• Mevrouw [naam 3], die een melding heeft gedaan;
• De heer [naam 4], (onder meer) voorzitter van Stichting Atlantikwall;
• De heer [naam 5], die (middellijk) meldingen heeft gedaan.
(…)
29. Verder hebben wij schriftelijke vragen gesteld aan medewerkers van R4a architecten en ingenieurs (‘R4a’). De namen van deze medewerkers zijn bij ons bekend; zij hebben onze schriftelijke vragen schriftelijk beantwoord onder het uitgangspunt dat wij hun namen niet in ons rapport vermelden.”
(…)
6 De Meldingen
(…)
80. Onder verwijzing naar hoofdstuk 1 herhalen wij dat het RVB meldingen heeft ontvangen in samenhang met de procedure van de (ver)koop van de CPC lees: de Commandopost, toev. vzr.]. Dit betreffen:
• Een (mondelinge) melding van [naam 5] in samenhang met de tweede bezichtigingsronde van 7 oktober 2025 (…);
• Een (mondelinge) melding van [naam 5] over het handelen van BOEi, welke melding het RVB op 11 november 2025 door tussenkomst van de projectnotaris heeft ontvangen (…);
• Een (schriftelijke) melding van [naam 3] d.d. 1 december 2025”
(…)
Verwijt over een verzoek in gesprek te treden met BOEi
Het verwijt
111. Het verwijt van [naam 5] luidt als volgt:
Begin oktober 2025 ontving [naam 5] van [naam 4] een WhatsApp-bericht met een strekking dat BOEi met [naam 5] zou willen praten. [naam 5] heeft hierop niet gereageerd. Integis vraagt naar dit bericht waarvoor [naam 5] verwijst naar [naam 4].
De reactie van [naam 1] op het verwijt
112. In reactie op dit verwijt heeft [naam 1] als volgt tegenover ons verklaard:
[naam 1] licht toe dat BOEi bij hun projecten altijd samenwerkingen zoekt en daarom wilde hij weten of [naam 5] open stond voor de financiering; BOEi moet het immers doen met ‘het kleine beetje vermogen’ dat zij krijgen van hun aandeelhouders. Als vastgoedpartijen, zoals [naam 5], bereid zijn om ook ‘geld op tafel te leggen’, dan kan BOEi voor de inhoud (planuitwerking: primair de hardware en secundair de software) gaan; BOEi hoeft immers geen eigenaar te zijn, het gaat om de invulling en het respectvol behoud en herbestemmen. Er heeft overigens nooit een gesprek plaatsgevonden.
Onze bevindingen
113. Wij hebben [naam 4] gevraagd om een reactie op dit verwijt van [naam 5]. [naam 4] heeft hierop als volgt tegenover ons verklaard:
[naam 4] deelt in reactie op dit verwijt mee dat dit ‘klopt’ en dat hij op verzoek van [naam 1] contact heeft gezocht met [naam 5].
(…)
Gevraagd naar de reden van het contact en/of aan [naam 5] voor te leggen vraag deelt [naam 4] mee dat [naam 1] aan [naam 5] wilde voorleggen om te overleggen of er t.z.t. eventueel samengewerkt zou kunnen worden. [naam 4] licht toe dat hij dat heeft gedaan. (…) [naam 4] deelt desgevraagd mee dat hij niet weet hoe ver de samenwerking zou reiken waarover [naam 1] contact met [naam 5] wilde opnemen. (…)
Onze overwegingen
(…)
121. Wij constateren het volgende:
• [naam 4] heeft tegenover ons verklaard dat hij op verzoek van [naam 1] contact heeft gezocht met [naam 5]
• Wij beschikken over een WhatsApp-bericht d.d. 3 oktober 2025 van [naam 4] aan [naam 5], zijnde enkele dagen na de datum van de uitnodiging van de projectnotaris om een bieding uit te brengen;
(…)
• [naam 1] heeft tegenover ons verklaard dat hij bij projecten van BOEi altijd samenwerkingen zoekt en dat hij daarom wilde weten of [naam 5] open stond voor de financiering.
122. Wij zijn op basis van vorenstaande van mening dat het verwijt houdbaar is.
123. Wij merken overigens op dat een gesprek c.q. overleg tussen [naam 1] en [naam 5]
in aansluiting op de WhatsApp-berichten niet heeft plaatsgevonden, dit op aangeven van [naam 5].
(…)
125. Wij laten het aan onze opdrachtgever om te beoordelen of het passend is dat [naam 1] c.q. BOEi in dit stadium van het (ver)koopproces van de CPC [lees: de Commandopost, toev. vzr.] door tussenkomst van [naam 4] het initiatief neemt om met een andere Belangstellende c.q. een andere bieder in contact te treden over, kort gesteld, samenwerking en financiering.
(…)
Verwijt over contact door [naam 1] voorafgaand aan de bieding
Het verwijt
137. Het verwijt van [naam 5] luidt als volgt:
Medio november dienden de biedingen ingediend te worden bij de projectnotaris. Enkele dagen voor deze deadline ontving [naam 5] een uitgebreide telefoonnotitie van een telefoongesprek dat een medewerker van het kantoor van de architecte [lees: R4a, toev vzr.] had gehad met [naam 1]. [naam 1] had naar het kantoor van de architecte gebeld. De architecte was er door omstandigheden niet. Haar collega heeft derhalve het gesprek met [naam 1] gevoerd en betreffende collega vroeg aan [naam 1] naar de reden van het telefonisch contact. Volgens de collega van de architecte was [naam 1] op zoek naar de contactgegevens van [naam 5]. [naam 1] wilde contact met [naam 5] over, kort gesteld, de koopprijs ten aanzien van de CPC. [naam 1] wilde ervoor zorgen dat de prijs niet ‘te hoog’ zou zijn en zocht contact met [naam 5] om afstemming te hebben. [naam 5] ontving per e-mail een verslag van het gesprek dat de collega van de architecte had met [naam 1]. (…)
De reactie van [naam 1] op het verwijt
138. In reactie op dit verwijt heeft [naam 1] als volgt tegenover ons verklaard:
[naam 1] geeft aan dat hij het architectenbureau heeft gebeld en een mannelijke medewerker heeft gesproken. (…)
[naam 1] geeft aan de betreffende mannelijke medewerker gesproken te hebben over samenwerking met [naam 5]. [naam 1] geeft aan zich te herinneren dat hij op dat moment op de hoogte was van het kopje koffie dat [naam 5] en [naam 4] samen hebben gedronken en de poging van [naam 5] om [naam 4] weer terug ‘in zijn kamp te trekken’.
139. In samenhang met het tijdstip van het contact heeft Integis tijdens het interview aangegeven te hebben geconstateerd ‘dat [naam 1] met het architectenbureau heeft gebeld enkele dagen voordat de biedingen moesten worden ingediend’. In dit kader hebben wij gevraagd ‘hoe de samenwerking dan moet worden gezien’, waarop [naam 1] als volgt heeft verklaard:
[naam 1] geeft aan dat het ‘in dit soort trajecten’ niet ongebruikelijk is dat je de andere partijen kent en dat ook gekeken kan worden naar hoe samengewerkt kan worden; voor BOEi is dit niet ongebruikelijk. Die samenwerking zou dus de financiering door [naam 5] en de ‘hardware en software’ door BOEi zijn. [naam 1] schetst hoe tijdens het verkoopproces bekend werd wie deelnamen; het is een zeer specifiek en klein wereldje van potentiële belangstellenden die elkaar nagenoeg allemaal kennen zowel aan de kant van “biedende partijen” als inhoudelijk; dus [naam 4] etc.
Integis vraagt of het bij samenwerking niet gebruikelijk is om daarover al contact te hebben op een tijdstip dat verder voor het tijdstip van de bieding ligt. [naam 1] geeft aan dat niet eerder contact tussen hem en [naam 5] heeft plaatsgevonden, ook omdat hij geen nummer had van [naam 5]. Daarvoor belde hij ook naar het architectenbureau, om het nummer van [naam 5] te vragen.
140. In samenhang met de aard van het contact heeft Integis tijdens het interview aangegeven ‘dat uit de verklaring van [naam 5] volgt dat [naam 1] contact wilde over de koopprijs van CPC en dat [naam 1] ervoor wilde zorgen dat de prijs niet ‘te hoog’ zou zijn en contact zocht met [naam 5] om afstemming te hebben’. Daarop heeft [naam 1] als volgt verklaard:
[naam 1] geeft aan contact te hebben gezocht over samenwerking ([naam 5] als financier en het verwerven van de eigendom en BOEi voor de inhoud, de ‘hardware en software’); de consequentie had bijvoorbeeld kunnen zijn dat BOEi zich had teruggetrokken uit de procedure zodat [naam 5] alleen verder zou kunnen gaan. [naam 5] zou dan het project ‘winnen’ en BOEi zou de invulling verzorgen. Inmiddels had [naam 1] immers via-via vernomen dat alleen BOEi en [naam 5] ‘over waren’.
Desgevraagd bevestigt [naam 1] dat het gesprek alleen ging over samenwerking (zoals hiervoor bedoeld: [naam 5] voor het geld en BOEi voor de inhoud) en niet over een bod en niet over geld en niet over afstemmen van biedingen; het ging over processen in het algemeen en [naam 1] was op zoek naar [naam 5].
Integis vraagt naar de reden dat BOEi zich zou terugtrekken uit de procedure naar aanleiding van een gesprek met [naam 5], zoals [naam 1] eerder als mogelijkheid heeft geduid. [naam 1] geeft in reactie hierop [een project] als voorbeeld waarbij gaandeweg het traject met [een partij] is besproken dat [deze partij] een bod uitbrengt en dat BOEi op de bagagedrager van [deze partij] de monumenten kan doen. Zo’n formule had ook ten aanzien van CPC kunnen worden toegepast, aldus [naam 1]. Dus [naam 5] voor de financiële kant en BOEi voor de inhoudelijke kant. [naam 1] herhaalt dat BOEi niet als alle andere vastgoedpartijen zomaar even een financieringslijn kan opentrekken. Bij samenwerking heb je het beste van twee werelden, een partij die de middelen heeft ([naam 5]) en BOEi die haar uren en monumentenreputatie kan inzetten, want [naam 5] heeft die reputatie niet zoals wel blijkt uit verkenningen op het Internet.
Onze bevindingen
141. Integis heeft van [naam 5] de mail d.d. 10 november 2025 ontvangen met het ‘verslag van het gesprek dat de collega van de architecte had met [naam 1]’. (…) De (relevante) tekst van de mail luidt als volgt:
(…) Op mijn vraag wat ik aan jou moet doorgeven melde hij in grote lijnen het volgende;
(…)
• [naam 5] en Boei blijken de enige twee partijen te zijn die nog meedingen in deze selectie en
• Hij vind [sic] het vervelend als één van deze twee partijen moet gaan ‘over’-bieden om dit project te verwerven.
(hij sprak zich niet uit over hoe hij het dan graag zou zien)
(…)
Hij staat open voor een eventuele samenwerking!
(…)
142. Wij hebben over vorenstaande mail schriftelijke vragen gesteld aan medewerkers van R4a, waarover het volgende.
(…)
145. Over de inhoud (…) hebben wij de volgende vraag gesteld:
Kan uw collega (…) separaat richting ons bevestigen dat zijn weergave van het gesprek (en met name de laatste twee van vijf bullets) dat hij met [naam 1] heeft gehad een juiste en volledige weergave is?
146. Daarop hebben wij het volgende schriftelijke antwoord ontvangen:
[Naam van ‘de collega van de architecte’ die het telefoongesprek heeft gevoerd met [naam 1]] heeft de weergave van het gesprek direct na het telefoongesprek opgesteld en een feitelijke zakelijke weergave gegeven van het gesprek.(…)
148. Wij constateren het volgende:
• Wij beschikken over een mail d.d. 10 september 2025, zijnde vier dagen voor de uiterste datum waarop een bieding dient te worden uitgebracht, met een weergave van het gesprek dat dezelfde dag tussen een medewerker van het architectenbureau en [naam 1] is gevoerd;
(…)
• In de weergave van het gesprek is opgenomen dat [naam 1] contact wilde met [naam 5] omdat [naam 1] het vervelend zou vinden als één van de twee overgebleven partijen moet gaan overbieden om het project te verwerven en dat [naam 1] openstaat voor een eventuele samenwerking;
• [naam 1] tegenover ons heeft verklaard, kort gesteld, dat [naam 1] contact met [naam 5] heeft gezocht over samenwerking, waarbij [handelsnaam] de financiering en het verwerven van het eigendom zou verzorgen en BOEi voor de inhoud in de vorm van de ‘hardware en software’ zou zorgen;
• [naam 1] verder tegenover ons heeft verklaard, kort gesteld, dat de consequentie bijvoorbeeld had kunnen zijn dat BOEi zich had teruggetrokken uit de procedure zodat [handelsnaam] alleen verder zou kunnen gaan. [handelsnaam] zou dan het project ‘winnen’ en BOEi zou de invulling verzorgen, aldus [naam 1].
149. Wij zijn op basis van vorenstaande van mening dat het verwijt houdbaar is.
150. Wij merken overigens op dat een gesprek c.q. overleg tussen [naam 1] en [naam 5] in aansluiting op het telefoongesprek tussen de medewerker van het architectenbureau en [naam 1] niet heeft plaatsgevonden.
(…)
152. Wij laten het aan onze opdrachtgever om te beoordelen of het passend is dat BOEi in dit stadium van het (ver)koopproces van de CPC het initiatief neemt om met een andere Belangstellende c.q. een andere bieder in contact te treden over, kort gesteld, samenwerking, financiering, het verwerven van het eigendom en het verzorgen van de inhoud.
(…)
Verwijt over identieke presentaties selectiecommissie en bewoners
Het verwijt
186. Het verwijt is als volgt verwoord in de schriftelijke melding van [naam 3]:
Op 7 oktober heeft dhr. [naam 1], directeur BOEi B.V., veel wijkbewoners uitgenodigd voor een informele presentatie van diens Visie tot Herbestemming. Deze presentatie was identiek aan de presentatie voor de selectiecommissie (aldus presentator, dhr. [naam 1]). De presentatie en nabespreking door meerdere deelnemers aan de BOEi visie met alle aanwezigen vond plaats in (voormalig) Commandopost Clingendael.
187. [naam 3] heeft het verwijt tijdens het interview met ons als volgt toegelicht:
[naam 3] licht toe dat zij bevriende wijkbewoners heeft gehoord over de geplande presentatie voor wijkbewoners door BOEi. [naam 3] is hierheen gegaan. (…) Desgevraagd geeft [naam 3] aan dat [naam 1] tijdens de presentatie over de presentatie tweemaal letterlijk heeft gezegd dat “dit is dezelfde presentatie als voor de selectiecommissie”. (…)
De reactie van [naam 1] op het verwijt
188. In reactie op dit in de schriftelijke melding van [naam 3] opgenomen verwijt heeft [naam 1] als volgt tegenover ons verklaard:
Integis vraagt [naam 1] of hij op 7 oktober 2025 een presentatie heeft gehouden voor de wijkbewoners. [naam 1] licht toe dat BOEi dezelfde groep mensen van de achterban heeft uitgenodigd als voor een bijeenkomst in april 2025, dus mensen van de VVE, mensen van de wijkraad, mensen van Stichting Toen en mensen van Stichting WO2 Sporen, Stichting Atlantikwall. Dat waren er niet veel, dat was een selecte en eerder betrokken groep.
[naam 1] bevestigt dat hij en [naam 6] op 7 oktober 2025 een presentatie hebben gegeven in de vorm van een samenvatting van de presentatie die [naam 1] aan de selectiecommissie heeft gegeven. [naam 1] heeft geen stukken uitgereikt en heeft de visie globaal toegelicht, waaronder op welke manier BOEi met het gebouw wil omgaan en wat het idee is met de inhoud, de programmering. [naam 1] voegt hieraan toe dat het plan van [naam 6] inzake CPC al vijf jaar op internet staat en dat dit plan zijn afstudeerscriptie is. [naam 1] geeft aan niet ‘exact hetzelfde te hebben gedaan’ als bij de selectiecommissie omdat het een andere doelgroep betreft. Op 7 oktober 2025 is op en in een geheel andere vorm gesproken over de visie dan bij de selectiecommissie. [naam 1] geeft bovendien aan dat hier niets nieuws aan was ten opzichte van de eerdere bijeenkomsten voor de achterban.
en
[naam 1] heeft niet dezelfde presentatie gegeven als voor de selectiecommissie; het gestelde is dus niet juist. Het was een variant, aldus [naam 1].
(…)
Het verwijt zou zijn dat [naam 1] de geheimhoudingsbepalingen uit het Biedboek zou hebben geschonden. Dat is onjuist. […]. De visie en bieding heeft BOEi met niemand gedeeld. […] BOEi c.q. [naam 1] neemt mensen mee om draagvlak te creëren, dat is tegenwoordig onontbeerlijk anders weet je niet waar je aan begint (…)
De presentatie die is gegeven aan de selectiecommissie zal worden toegestuurd; tijdens de bijeenkomst van 7 oktober zijn daarvan de slides 3, 7, 8, 9, 12, 13, 15, 18, 20, 23, 25, 26, 29, 32 getoond. Die presentatie is echter niet meer beschikbaar; de cijfermatige slides zijn alleen kort getoond om de complexiteit te duiden; voor aanschouwers was het onmogelijk om daarvan inhoudelijk kennis te nemen of notities te maken of een bieding te destilleren.
Onze bevindingen
190. Wij hebben de beschikking gekregen over de presentatie aan de selectiecommissie. (…)
191. Wij merken op dat [naam 1] heeft verklaard dat de slides 3, 7, 8, 9, 12, 13, 15, 18, 20, 23, 25, 26, 29, 32 uit de presentatie voor de selectiecommissie ook zijn getoond tijdens de bijeenkomst op 7 oktober 2025. Verder heeft [naam 1] verklaard dat de ‘cijfermatige slides […] alleen kort (zijn) getoond’. De cijfermatige slides uit de presentatie betreffen slide 35 en slide 36.
192. Aldus zijn in totaal 16 slides uit de presentatie ten behoeve van de selectiecommissie (al dan niet kort) getoond tijdens de bijeenkomst op 7 oktober 2025.
(…)
Onze overwegingen
(…)
196. Wij zijn (…) van mening dat het verwijt houdbaar is.
197. Wij constateren, onder verwijzing naar paragraaf 6.3.2 van het Biedboek, dat informatie uit de aanmelding, de daarmee verband houdende documenten en/of eventueel ingediende plannen van BOEi bekend is gemaakt aan derden.
(…)
Over het tonen van een begroting geeft [naam 1] aan dat hij een zo goed als niet leesbare Excelsheet heel kort heeft laten zien om te laten zien hoe complex dit soort projecten zijn. [naam 1] heeft over de begroting verder niets uitgelegd; volgens [naam 1] waren de aanwezigen helemaal niet in de begroting geïnteresseerd maar vooral in parkeren, verkeer en rust.”
De Staat heeft bij brief van 8 juni 2026 onder meer als volgt aan BOEi bericht:
“Het onderzoek is nu afgerond. Integis heeft u het onderzoeksrapport toegezonden. Uit het onderzoek van Integis blijkt dat BOEi op 7 oktober 2025 de ingediende visie (gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt en heeft gepresenteerd aan een groep mensen. Tevens blijkt dat BOEi contact heeft opgenomen met de andere deelnemer over afspraken over de bieding.
Op grond van artikel 6.3.2 van het Biedboek is het niet toegestaan informatie uit de aanmelding, de daarmee verband houdende documenten en eventueel ingediende plannen noch de uiteindelijke bieding bekend te maken aan derden, op welke wijze dan ook. BOEi heeft hiermee in strijd gehandeld.
Op grond van artikel 6.3.3 van het Biedboek kan de Staat, indien een belangstellende niet voldoet aan het in artikel 6.3.2 gestelde, deze uitsluiten van verdere deelname aan de procedure. Gelet op de ernst van de overtreding en de uitkomst van het integriteitsonderzoek, besluit ik BOEi uit te sluiten van verdere deelname aan de verkoopprocedure.
Daarnaast is de Staat op grond van artikel 5.2.11.2 van het Biedboek bevoegd de gunning afhankelijk te stellen van de uitkomst van een integriteitsonderzoek. Gelet op de uitkomst van het onderzoek van Integis, waarin is geconstateerd dat BOEi contact heeft gezocht met de andere deelnemer over afspraken over de bieding, wat kan worden gezien als een poging tot prijsafstemming, is de bieding van BOEi niet aanvaardbaar. Derhalve wordt niet gegund aan BOEi.”
4 Het geschil
BOEi vordert, daarin gesteund door de Stichting, na wijziging van eis, – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
( I) de Staat te gebieden:
(1) het besluit tot uitsluiting van 8 juni 2026 in te trekken en ingetrokken te houden;
(2) BOEi te accepteren als geldige partij en haar visie en bieding te accepteren als geldig;
(3) een nieuwe gunningsbeslissing te nemen waarbij de Commandopost aan BOEi, althans aan geen andere partij dan BOEi, wordt verstrekt, ingevolge welk besluit de overeenkomst van koop en verkoop als bedoeld in artikel 5.2.3 van het Biedboek tot stand komt, tenzij de Staat besluit om de verkoopprocedure in te trekken en de opdracht aan geen enkele partij te verstrekken;
( II) de Staat te verbieden:
(1) een gunningsbeslissing te nemen gedurende de periode dat de kortgedingprocedure loopt en tot vier weken na het vonnis van de voorzieningenrechter;
(2) uitvoering te (laten) geven aan de opdracht in het geval de Staat de opdracht inmiddels aan een ander dan BOEi heeft gegund, waardoor de rechtsbescherming zinledig is geworden;
subsidiair:
de Staat te gebieden:
(1) de procedure voor de verkoop, het toekomstig gebruik en de ontwikkeling van de Commandopost te staken en gestaakt te houden;
(2) een nieuwe verkoopprocedure te voeren indien de Staat de Commandopost nog wenst te verkopen;
(3) in de nieuwe verkoopprocedure het bestaande wettelijke- en regelgevende kader voor de afstoot van erfgoed van toepassing te verklaren;
(4) BOEi uit te nodigen om deel te nemen aan de nieuwe verkoopprocedure;
meer subsidiair: in goede justitie een andere redelijke maatregel te treffen, die recht doet aan de belangen van BOEi;
in alle gevallen: met veroordeling van de Staat in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Ter onderbouwing van haar primaire vorderingen voert BOEi – samengevat – aan dat het door Integis uitgevoerde onderzoek onvoldoende deugdelijk is om de beslissing tot uitsluiting te kunnen dragen. Er is volgens BOEi niet voldaan aan artikel 5.2.11.2 van het Biedboek, dat bepaalt dat het onderzoek gelijk is aan of vergelijkbaar met de procedures en criteria van de Wet Bibob. Integis heeft alleen een feitenonderzoek verricht naar de meldingen, maar heeft de in artikel 9 lid 3 Wet Bibob genoemde onderzoeksvragen niet in haar onderzoek betrokken en de in artikel 9 lid 4 juncto artikel 3 lid 2 tot en met lid 5 Wet Bibob vermelde beoordelingsstappen niet uitgevoerd.
Daarnaast vertoont volgens BOEi het onderzoek van Integis ernstige inhoudelijke, methodologische en procedurele gebreken, waardoor het niet als basis kan dienen voor het besluit tot uitsluiting. Door de uitsluiting niettemin op dit rapport te baseren, handelt de Staat volgens BOEi in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de beginselen van gelijkheid en transparantie. De Staat heeft volgens BOEI nagelaten om voorafgaand aan het onderzoek een duidelijke onderzoeksopdracht en een volledig toetsingskader vast te stellen, gebaseerd op regels en voorwaarden die vooraf voor belangstellenden kenbaar waren. Tijdens het interview van Integis met [naam 1] stond het normenkader nog niet vast, hetgeen de controleerbaarheid bemoeilijkt en afbreuk doet aan het beginsel van hoor en wederhoor. Daarnaast stelt BOEi dat de Staat verdergaande normen en kwalificaties heeft toegepast, die Integis niet heeft onderzocht. In dat verband wijst BOEi erop dat de Staat zich bij antwoord beroept op de Mededingingswet en de Regeling beheer onroerende zaken Rijk 2024, terwijl Integis in het kader van haar onderzoek niet aan die regelgeving heeft getoetst. Integis stelt zich tot het Biedboek te hebben beperkt maar past het Biedboek volgens BOEi vervolgens niet volledig toe. Integis concludeert dat verwijten houdbaar zijn maar onduidelijk is volgens BOEi welke bewijsmaatstaf of – criteria zij daarbij heeft gehanteerd. Volgens BOEi maakt Integis bovendien onvoldoende onderscheid tussen de feitelijke houdbaarheid van een verwijt en de juridische houdbaarheid van een daarop gebaseerde uitsluiting. BOEi plaatst tevens vraagtekens bij de onafhankelijkheid van Integis.
Verder stelt BOEi dat Integis de meldingen van [handelsnaam] niet systematisch heeft onderzocht. Integis besteedt geen aandacht aan het belang van [handelsnaam] bij uitsluiting van BOEi en onderzoekt het handelen van [handelsnaam] niet. BOEi benadrukt dat in de verkoopdocumentatie geen verbod is opgenomen op contacten tussen deelnemers en/of afstemming. Daarbij wijst BOEi erop dat er geen contact tussen haar en [handelsnaam] heeft plaatsgevonden en dat daarom geen sprake kan zijn van (een poging tot) prijsafstemming. BOEi erkent dat zij de mogelijkheid heeft verkend om met [handelsnaam] te komen tot een samenwerking, maar dit kan volgens haar niet worden aangemerkt als prijsafstemming. Ook stelt BOEi in dat verband dat Integis de tekst van mail van R4a tijdens het interview met [naam 1] niet heeft gedeeld en dat de oorspronkelijke mail niet in het conceptrapport was opgenomen. In de als bijlage bij het definitieve rapport opgenomen telefoonnotitie van het gesprek tussen [naam 1] en een medewerker van R4a zijn volgens BOEi wijzigingen aangebracht en Integis heeft de opsteller van die notitie niet mondeling geïnterviewd. In het eindrapport heeft Integis de in het kader van hoor en wederhoor door BOEi gegeven reactie niet althans niet volledig opgenomen. Evenmin zijn volgens BOEi alle relevante personen en documenten onderzocht. In dat verband wijst BOEi erop dat er aanwijzingen zijn dat de betrokkenheid van R4a verder ging dan uitsluitend het architectonisch of bouwkundig uitwerken van de plannen van [handelsnaam]. Doordat R4a een concrete inhoudelijke functie voor de Commandopost heeft ingebracht, valt niet uit te sluiten dat R4a een eigen belang heeft om de weergave van dit telefoongesprek te ‘framen’. De positie en onafhankelijkheid van R4a zijn niet door Integis onderzocht en daardoor is onduidelijk of de telefoonnotitie een neutrale feitelijke weergave behelst van het gevoerde gesprek, aldus BOEi.
Tenslotte stelt BOEi dat Integis de op 7 oktober 2025 gegeven presentatie onvoldoende gedifferentieerd heeft onderzocht. Niet althans onvoldoende is volgens BOEi onderzocht of a) de derden onderdeel waren van de coalitie van BOEi en bij de totstandkoming van haar visie betrokken waren, b) op grond van de Nota uitgangspunten het verkrijgen van draagvlak juist werd verlangd, c) welke concrete informatie met welke aanwezigen is gedeeld en of het daarbij om concurrentiegevoelige informatie gaat. BOEi stelt dat zij haar visie met het oog op het creëren van maatschappelijk draagvlak heeft voorbereid met mensen uit de omgeving en met partijen die mogelijk een rol in de exploitatie kunnen spelen. BOEi stelt dat zij daarmee uitvoering heeft gegeven aan Rijksbeleid en het Verdrag van Faro, waarop dat beleid is gebaseerd en waarin juist op het stimuleren van participatie wordt ingezet. De aanwezigen tijdens de bijeenkomst op 7 oktober 2025 zijn volgens BOEi al eerder betrokken geweest bij het voorbereiden en opstellen van haar visie en behoren daarmee – zoals BOEi dit in haar visie aanduidt – tot haar coalitie. Daarmee zijn volgens BOEi deze aanwezigen geen derden en is van een schending van artikel 6.3.2 van het Biedboek geen sprake. BOEi stelt dat [naam 1] op 7 oktober 2025 de inhoud van de visie slechts op hoofdlijnen aan haar achterban heeft teruggekoppeld. De visie zelf is daarbij niet uitgereikt. Deze terugkoppeling betrof niet de bieding of het biedingsgedrag. BOEi heeft bovendien niet onderzocht of een eventuele normoverschrijding de sanctie uitsluiting kan rechtvaardigen.
Ter onderbouwing van haar subsidiaire vordering tot staking van de verkoopprocedure stelt BOEi dat haar met de kennisneming van de beslissing tot uitsluiting is gebleken dat de Staat de wet- en regelgeving voor de afstoot van erfgoed niet heeft toegepast. Uit niets blijkt volgens BOEi dat de Staat heeft gehandeld conform het Verdrag van Faro, de uitvoeringsagenda van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en/of de Leidraad Afstoot Monumenten van het Rijksvastgoedbedrijf. Dit komt volgens BOEi met name tot uitdrukking in het feit dat zij ten onrechte door de Staat is afgerekend op het natreven van (vroegtijdige) participatie en het creëren van maatschappelijk draagvlak. Daarnaast wijst BOEi er ook in dit verband op dat Integis een feitenonderzoek naar concrete meldingen heeft verricht in plaats een met de Wet Bibob vergelijkbaar integriteitsonderzoek, zoals voorgeschreven in artikel 5.2.11.2 van het Biedboek.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
5 De beoordeling van het geschil
In dit kort geding moet worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om in te grijpen in de beslissing van de Staat om BOEi van verdere deelname aan de verkoopprocedure uit te sluiten.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Staat op grond van artikel 5.2.11.2 van het Biedboek bevoegd is om een integriteits- en/of solvabiliteitsonderzoek uit te voeren naar de partij die de meest aanvaardbare bieding heeft uitgebracht. Vaststaat dat uitsluitend BOEi en [handelsnaam] tot de biedingsfase zijn toegelaten en dat BOEi in de biedingsfase de meest aanvaardbare (en naar de Staat ter zitting heeft verklaard ook de hoogste) bieding heeft uitgebracht. De Staat heeft op basis van de door [naam 5] en [naam 3] over BOEi gedane meldingen een opdracht aan Integis verstrekt om BOEi aan een integriteitsonderzoek te onderwerpen. In zijn beslissing van 8 juni 2026 heeft de Staat in de eerste plaats overwogen dat uit het door Integis verrichte integriteitsonderzoek blijkt ‘dat BOEi op 7 oktober 2025 de ingediende visie (gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt en heeft gepresenteerd aan een groep mensen’, hetgeen volgens de Staat een overtreding oplevert van artikel 6.3.2 van het Biedboek, die zodanig ernstig is dat deze op grond van artikel 6.3.3 van het Biedboek een grond voor uitsluiting vormt. Daarnaast blijkt volgens de Staat uit het onderzoek van Integis dat BOEi heeft geprobeerd om met [handelsnaam] in contact te treden om te komen tot afspraken over de bieding. Dit moet volgens de Staat worden aangemerkt als een poging tot prijsafstemming. Gelet op deze uitkomst van het integriteitsonderzoek, is volgens de Staat de bieding van BOEi niet aanvaardbaar en wordt indachtig artikel 5.2.11.2 niet aan BOEi gegund. In dit kort geding ligt daarmee de vraag voor of deze gronden afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang bezien de beslissing tot uitsluiting kunnen dragen.
BOEi heeft bij akte nadere toelichting grondslagen van de vorderingen aangevoerd dat het onderzoek van Integis niet voldoet aan het bepaalde in artikel 5.2.11.2 van het Biedboek, omdat het niet gelijk is aan of vergelijkbaar is met de procedures en criteria zoals opgenomen in de Wet Bibob. Naar de voorzieningenrechter begrijpt stelt BOEi hiermee dat de Staat de uitkomsten van dit onderzoek niet aan zijn beslissing tot uitsluiting ten grondslag heeft mogen leggen. Nog daargelaten de vraag of BOEi dit standpunt niet – zoals de Staat stelt – al bij dagvaarding had kunnen en moeten aanvoeren, geldt dat BOEi op inhoudelijke gronden niet in dit standpunt kan worden gevolgd. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat artikel 5.2.11.2 niet voorschrijft dat een Bibob-procedure moet worden doorlopen. Bepaald is immers dat ook kan worden gekozen voor een vergelijkbaar onderzoek, waarbij de term ‘vergelijkbaar’ niet nader is gedefinieerd. Daarnaast geldt – zoals de Staat terecht opmerkt – dat de inhoud en reikwijdte van het uit te voeren integriteitsonderzoek in belangrijke mate worden bepaald door de omstandigheden van het geval. In dit specifieke geval zijn hiervoor bepalend de aard en inhoud van de over BOEi gedane meldingen. Deze meldingen raken aan de integriteit van BOEi en reeds daarom was de Staat niet alleen bevoegd maar ook gehouden om die meldingen te onderzoeken. Artikel 5.2.11.2 van het Biedboek biedt daartoe naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende grondslag. De Staat stelt bovendien met juistheid dat er op basis van de gedane meldingen geen indicaties zijn dat er in het kader van de verkoopprocedure strafbare feiten zijn gepleegd. Om die reden is het begrijpelijk dat Integis haar integriteitsonderzoek niet overeenkomstig de artikel 9 lid 3 en artikel 9 lid 4 juncto artikel 3 lid 2 tot en met 5 van de Wet Bibob heeft ingericht.
BOEi stelt dat er nog meer procedurele gebreken kleven aan het door Integis uitgevoerde integriteitsonderzoek. BOEi heeft die stelling nader onderbouwd in haar akte nadere toelichting grondslagen vorderingen. Volgens de Staat moet die akte voor wat betreft die nadere onderbouwing buiten beschouwing worden gelaten, omdat BOEi zich hiermee een niet toelaatbare extra schriftelijke ronde toe-eigent. BOEi stelt terecht dat artikel 130 Rv het nemen van deze akte toelaat en hoewel de akte kort voor de zitting is genomen, is niet gebleken dat de Staat hierdoor op onevenredige wijze in zijn procesbelangen is geschaad. De Staat heeft immers ter zitting op de in de akte ingenomen stellingen kunnen reageren en dat heeft de Staat ook daadwerkelijk gedaan. Daarmee is van strijd van met de goede procesorde geen sprake.
BOEi stelt in dat verband onder meer dat de Staat heeft verzuimd om voorafgaand aan het onderzoek een duidelijke onderzoeksopdracht te formuleren en het toetsingskader kenbaar vast te stellen. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. In paragraaf 2 van het onderzoeksrapport is duidelijk verwoord met welke onderzoeksopdracht de Staat Integis aan het werk heeft gezet. Integis diende – kort gezegd – onderzoek te verrichten naar de inhoud van de verwijten, de bij die verwijten betrokken personen en naar de mate waarin de verwijten steun vinden in de feiten. Ook het doel van het onderzoek is in het onderzoeksrapport benoemd, te weten vaststellen of die verwijten al dan niet houdbaar zijn en of de desbetreffende gedragingen al dan niet kwalificeren als normoverschrijdende gedragingen. Daarbij heeft Integis in paragraaf 3.3 en paragraaf 4 van het onderzoeksrapport expliciet vermeld dat de Staat heeft medegedeeld dat het Biedboek daarbij als normenkader fungeert. Gelet hierop en bij gebreke van aanwijzingen die duiden op het tegendeel, is er geen aanleiding om aan te nemen dat – zoals BOEi heeft aangevoerd – Integis zelfstandig een (verdergaand) normenkader heeft vastgesteld en gehanteerd.
Integis heeft vervolgens in haar onderzoeksrapport de ontvangen meldingen uitvoerig beschreven en zij heeft daaruit een aantal verwijten gedestilleerd. [naam 1] heeft tijdens een met hem gehouden interview op deze verwijten kunnen reageren, waarna Integis heeft beoordeeld of de verwijten ‘houdbaar zijn’. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat die beoordeling zich voor wat betreft het verwijt dat [naam 1] voorafgaand aan de bieding heeft geprobeerd om met [naam 5] in contact te komen, heeft beperkt tot de vraag of dit verwijt steun vindt in de feiten. Dit is volgens Integis voor wat betreft dit verwijt het geval. In randnummers 125 en 152 laat Integis het vervolgens uitdrukkelijk aan de Staat om te beslissen of het passend is dat [naam 1] het initiatief heeft genomen om in het desbetreffende stadium van de verkoopprocedure in contact te treden met [naam 5]. Daarmee is het dus de Staat en niet Integis die heeft beoordeeld of in dat verband sprake is van een normoverschrijding en of daartegen moet worden opgetreden. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat die feitelijke gang van zaken ook volledig in lijn is met hetgeen is vermeld in randnummer 20 van het onderzoeksrapport, te weten ‘De doelstelling van het onderzoek was gericht op het zijdens de opdrachtgever kunnen besluiten of al dan niet passende maatregelen dienen te worden genomen’. Wat betreft de op 7 oktober 2025 door BOEi gegeven presentatie heeft Integis het verwijt onderzocht dat [naam 1] hiervoor ‘veel wijkbewoners’ heeft uitgenodigd en dat de presentatie identiek was aan de presentatie voor de selectiecommissie. Integis heeft geconcludeerd dat ook dit verwijt houdbaar is en heeft – onder verwijzing naar artikel 6.3.2 van het Biedboek – geconstateerd dat BOEi ‘informatie uit de aanmelding, de daarmee verband houdende documenten en/of eventueel ingediende plannen’ bekend heeft gemaakt aan derden. Hoewel Integis ten aanzien van dit verwijt wel heeft beoordeeld of de desbetreffende gedraging kwalificeert als een normoverschrijdende gedraging, geldt dat op basis van de voorhanden stukken moet worden aangenomen dat die toetsing zich heeft beperkt tot een toetsing aan artikel 6.3.2 van het Biedboek. Dit betreft een norm die de Staat vóór aanvang van de verkoopprocedure heeft vastgesteld en waarmee BOEi en de overige belangstellenden reeds vóór aanmelding bekend waren. Ook ten aanzien van dit verwijt geldt dat het uiteindelijk de Staat is die heeft beslist of in dat verband daadwerkelijk sprake is van een normoverschrijdende gedraging en of vanwege die gedraging maatregelen noodzakelijk zijn. Dit betekent dat het onderzoeksrapport in zoverre evenmin blijk geeft van procedurele gebreken en dat de Staat zich op de in dat rapport neergelegde bevindingen heeft mogen baseren. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel of het transparantiebeginsel is in dat verband dan ook geen sprake.
De voorzieningenrechter zal vervolgens beoordelen of de Staat een poging van BOEi om in contact te treden met [naam 5] redelijkerwijs heeft mogen aanmerken als een poging tot prijsafstemming en, als dit het geval is, of dit een gegronde reden oplevert om BOEi van verdere deelname aan de verkoopprocedure uit te sluiten. In dat verband constateert de voorzieningenrechter in de eerste plaats dat BOEi niet heeft weersproken dat [naam 1] vóór het indienen van de biedingen zowel via [naam 4] als R4a heeft geprobeerd om met [naam 5] in contact te treden. Vaststaat dat deze pogingen niet tot een rechtstreeks contact tussen [naam 1] en [naam 5] hebben geleid. In dit kort geding gaat het vooral om de contactpoging via R4a. Integis vermeldt in het onderzoeksrapport dat zij beschikt over een per e-mail van 10 november 2025 door R4a toegezonden verslag dat een niet bij naam genoemde medewerker van R4a heeft opgesteld naar aanleiding van het telefoongesprek dat deze medewerker met [naam 1] heeft gevoerd. Volgens Integis valt in deze e-mail te lezen dat [naam 1] tijdens het gesprek aan de medewerker van R4a onder meer te kennen heeft gegeven dat [handelsnaam] en BOEi de enige twee partijen zijn die nog meedingen in de selectie, dat [naam 1] het vervelend vindt als één van hen moet gaan overbieden om het project te verwerven en dat hij openstaat voor een eventuele samenwerking. BOEi betwist – althans zo begrijpt de voorzieningenrechter haar betoog – dat [naam 1] tegen de desbetreffende medewerker van R4a heeft gezegd dat hij het vervelend vindt als één van hen moet gaan overbieden. Volgens BOEi heeft Integis onvoldoende onderzoek verricht naar de schriftelijke verklaring van deze medewerker en meer in het bijzonder naar het belang dat R4a er mogelijk bij heeft om BOEi in diskrediet te brengen.
Wat hier verder ook van zij, ook als de inhoud van de schriftelijke verklaring van de medewerker van R4a volledig buiten beschouwing wordt gelaten, snijdt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het aan door de Staat aan het adres van BOEi gemaakte verwijt onverminderd hout. [naam 1] heeft ter zitting gesteld dat hem tijdens dit interview woorden in de mond zijn gelegd en ook heeft BOEi gesteld dat zij twijfels heeft over de onafhankelijkheid van Integis. Die twijfels over de onafhankelijkheid van Integis heeft BOEi niet geconcretiseerd, zodat die stelling als onvoldoende onderbouwd wordt gepasseerd. Evenmin heeft BOEi aannemelijk gemaakt dat Integis tijdens het interview [naam 1] woorden in de mond heeft gelegd. Dit betekent dat de voorzieningenrechter er in het kader van dit kort geding vanuit gaat dat [naam 1] ten overstaan van Integis de verklaring heeft afgelegd zoals weergegeven in randnummer 138 tot en met 140 van het onderzoeksrapport.
Voor de gegrondheid van het gemaakte verwijt komt vooral betekenis toe aan de volgende passages uit de verklaring van [naam 1]:
“[naam 1] geeft aan contact te hebben gezocht over samenwerking ([handelsnaam] als financier en het verwerven van de eigendom en BOEi voor de inhoud, de ‘hardware en software’); de consequentie had bijvoorbeeld kunnen zijn dat BOEi zich had teruggetrokken uit de procedure zodat [handelsnaam] alleen verder zou kunnen gaan. [handelsnaam] zou dan het project ‘winnen’ en BOEi zou de invulling verzorgen. Inmiddels had [naam 1] immers via-via vernomen dat alleen BOEi en [handelsnaam] ‘over waren’.
Desgevraagd bevestigt [naam 1] dat het gesprek alleen ging over samenwerking (zoals hiervoor bedoeld: [handelsnaam] voor het geld en BOEi voor de inhoud) en niet over een bod en niet over geld en niet over afstemmen van biedingen; het ging over processen in het algemeen en [naam 1] was op zoek naar [naam 5].
(…)
[naam 1] geeft in reactie hierop [een project] als voorbeeld waarbij gaandeweg het traject met [een partij] is besproken dat [deze partij] een bod uitbrengt en dat BOEi op de bagagedrager van [deze partij] de monumenten kan doen. Zo’n formule had ook ten aanzien van CPC kunnen worden toegepast, aldus [naam 1].”
Vaststaat dat [naam 1] op het moment dat hij probeerde om via R4a met [naam 5] in contact te komen wist dat alleen BOEi en [handelsnaam] nog in de race waren om de Commandopost te verwerven. Zowel BOEi als [handelsnaam] was op dat moment toegelaten tot de biedingsfase en geen van beide had op dat moment een bieding ingediend. Daarnaast is niet in geschil dat het aangaan van een formele samenwerking, in de zin van deelname aan de verkoopprocedure als combinatie, op grond van het Biedboek na aanmelding niet meer was toegestaan. De samenwerking die BOEi voor ogen stond, te weten [handelsnaam] als financier en verwerver van de eigendom en BOEi voor de inhoud, had bij die stand van zaken alleen gestalte kunnen krijgen als BOEi zich zou hebben teruggetrokken. Die terugtrekking van BOEi zou – zoals [naam 1] in het interview heeft verklaard – ertoe hebben geleid dat [handelsnaam] als enige bieder zou zijn overgebleven en het ‘project’ zou hebben gewonnen. De samenwerking in de door BOEi beoogde vorm, zou dus tot een bieding van [handelsnaam] hebben geleid die niet in concurrentie tot stand zou zijn gekomen. [handelsnaam] zou dan immers hebben geweten dat zij de enige overgebleven bieder was en zij had haar bieding op die situatie kunnen inrichten, bijvoorbeeld door een lager bod uit te brengen dan zij zou hebben gedaan als BOEi zich niet zou terugtrekken. De Staat heeft deze poging van BOEi tot het leggen van contact met [handelsnaam] met die intentie in redelijkheid kunnen aanmerken als een ‘poging tot prijsafstemming’. Deze poging tot prijsafstemming raakt aan de integriteit van BOEi. BOEi had zich op dat moment in de verkoopprocedure, dat wil zeggen enkele dagen vóór het indienen van de biedingen, van het leggen van contact met dat doel dienen te onthouden. Na het indienen van haar aanmelding behoorde de samenwerking zoals BOEi die voor ogen stond op grond van het Biedboek niet meer tot de mogelijkheden.
De poging tot prijsafstemming van BOEi is aan het licht gekomen in het kader van het uitgevoerde integriteitsonderzoek en is daarom onderdeel van de uitkomst van dat onderzoek. Op grond van artikel 5.2.11.2 van het Biedboek komt de Staat de bevoegdheid toe om de gunning van de uitkomst van het integriteitsonderzoek afhankelijk te stellen. Van die bevoegdheid heeft de Staat gebruik gemaakt en daartoe heeft zij onder de geschetste omstandigheden redelijkerwijs kunnen besluiten. Dat betekent dat er geen aanleiding is om in te grijpen in de beslissing van de Staat om de bieding van BOEi in verband met de poging tot prijsafstemming als onaanvaardbaar aan te merken en BOEi uit te sluiten van verdere deelname aan de verkoopprocedure. In het midden kan bij die stand van zaken blijven of – zoals de Staat bij conclusie van antwoord heeft gesteld en BOEi heeft weersproken – de poging tot prijsafstemming een schending oplevert van artikel 6 Mededingingswet. Schending van die norm heeft de Staat immers in de uitsluitingsbeslissing van 8 juni 2026 niet aan de uitsluiting ten grondslag gelegd.
Nu de poging tot prijsafstemming de beslissing van de Staat om BOEi van verdere deelname aan de verkoopprocedure uit te sluiten reeds zelfstandig kan dragen, behoeft in het kader van dit kort geding niet te worden beoordeeld of de tweede grondslag voor uitsluiting eveneens terecht door de Staat is ingeroepen. Daarmee kan dus in het midden blijven of BOEi – zoals zij uitvoerig heeft weersproken – zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 6.3.2 van het Biedboek door in die bepaling genoemde informatie met derden te delen.
Uit het voorgaande volgt dat de primaire vorderingen van BOEi niet toewijsbaar zijn.
Daarmee komt de voorzieningenrechter toe aan de subsidiaire vorderingen, die BOEi op 8 oktober 2026 bij akte wijziging van eis heeft ingesteld. Die vorderingen strekken er – kort gezegd – toe dat de Staat wordt verplicht de verkoopprocedure te staken en – voor zover de Staat de Commandopost nog wenst te verkopen – een nieuwe verkoopprocedure te organiseren. BOEi legt aan die vorderingen ten grondslag dat de Staat in de verkoopprocedure de wet- en regelgeving voor de verkoop van ‘schuldig’ monumentaal erfgoed niet heeft toegepast althans onvoldoende kenbaar heeft gemaakt hoe de verkoopprocedure zich daartoe verhoudt. Ter onderbouwing van die stelling wijst BOEi op de manier waarop de Staat is omgegaan met (vroegtijdige) participatie en het betrekken van de omgeving bij het erfgoed en de plannen voor gebruik en herbestemming daarvan. Ter zitting heeft BOEi toegelicht dat het haar vooral steekt dat zij in de beslissing van 8 juni 2026 door de Staat is afgerekend op ‘participatie’ ten faveure van een partij die zich niet bezighoudt met cultureel erfgoed maar met de commerciële ontwikkeling van projecten. Daarmee doelt BOEi op het feit dat zij naar haar mening ten onrechte is uitgesloten wegens overtreding van artikel 6.3.2 van het Biedboek.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke beoordeling van dat betoog niet toekomt vanwege het feit dat de geconstateerde poging tot prijsafstemming de uitsluiting van BOEi reeds zelfstandig kan dragen. Echter ook als BOEi met juistheid stelt dat de Staat ten onrechte een overtreding van artikel 6.3.2 van het Biedboek heeft aangenomen, geldt dat dit enkele feit onvoldoende is om aan te kunnen nemen dat de Staat relevante wet- en regelgeving niet heeft toegepast. Zulks klemt te meer nu de Staat dit verwijt gemotiveerd heeft weersproken en BOEI vervolgens haar standpunt in het licht van die betwisting onvoldoende nader heeft onderbouwd, zodat hieraan voorbij wordt gegaan. Voor zover BOEi betoogt dat haar subsidiaire vorderingen moeten worden toegewezen omdat Integis niet een met de Wet Bibob vergelijkbaar integriteitsonderzoek heeft verricht, geldt dat dit betoog evenmin kan slagen. De voorzieningenrechter verwijst in dat verband naar hetgeen hiervoor in rov. 5.3 is overwogen. Voor het treffen van een andere passende voorziening, zoals BOEi meer subsidiair heeft gevorderd, bestaat tenslotte evenmin aanleiding.
BOEi en de Stichting zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt BOEi en de Stichting hoofdelijk in de proceskosten van de Staat ad € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als BOEi en de Stichting niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt BOEi en de Stichting hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2026.
mw