Civiel recht overig
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot…
Rechtbank Noord-Holland, 30 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:14883 · Rechtbank Noord-Holland · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnho-2026-14883
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 2 november 2026
- Zaaknummer
- C/15/383811
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:14883
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/383811 / JU RK 26-1646
Datum uitspraak: 30 oktober 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna te noemen de GI.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
-
het mondelinge verzoek van de Raad op 30 oktober 2026;
-
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 30 oktober 2026.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkgezin te weten bij (de biologische) vader te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4 De beoordeling
Bevoegdheid
Door de omstandigheid dat de moeder Burger van de Bondsrepubliek Duitsland is, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van de moeder in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
De verdere beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
[de minderjarige] woont sinds juni 2026 in Nederland met de moeder. Daarvoor heeft hij met de moeder in Duitsland gewoond, bij zijn grootouders. Er zijn al langere tijd forse zorgen over de alcoholverslaving van de moeder, waar [de minderjarige] getuige van is (geweest). Hij is op die momenten volledig op zichzelf aangewezen en is zelfs degene die hulp moet inroepen. In Duitsland zou Jeugdzorg betrokken zijn geweest. Sinds terugkeer naar Nederland zijn er meerdere meldingen van Veilig Thuis gedaan (17 augustus 2026 en 17 september 2026) en is vervolgens Ambulante Spoedhulp ingezet. Ondanks de inzet van Spoedhulp en de gemaakte veiligheidsafspraken, heeft de moeder een heftige terugval gehad, waarbij de veiligheid van [de minderjarige] in het geding is geweest. Als het niet goed gaat met de moeder, vangen de grootouders hem op in Duitsland . Hierdoor ervaart [de minderjarige] veel onrust omdat hij steeds wisselt van verblijfplaats. De grootouders zijn, hoewel zij [de minderjarige] en de moeder opvangen als dat nodig is, op dit moment onvoldoende een beschermende factor. Door de moeder en [de minderjarige] elke keer op te vangen als de moeder een terugval heeft, blijft [de minderjarige] namelijk blootgesteld worden aan situaties waarin de moeder in hevige dronkenschap verkeert. Het is belangrijk dat moeder hulp accepteert voor haar verslaving (bijvoorbeeld opname in een kliniek). Na deze opname moet er een inschatting worden gemaakt of, en zo ja, met welke afspraken en hulp, de moeder weer de veiligheid en zorg voor [de minderjarige] kan waarborgen bij haar thuis, in Nederland óf in Duitsland . Hier komt het jarenlange contactverlies van [de minderjarige] met de vader bij als grote zorg. Pas sinds terugkeer van de moeder en [de minderjarige] naar Nederland ( juni 2026 ), is dat contact hersteld, omdat de moeder de vader dit contact nu (wel) gunt.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 30 oktober 2026 tot 30 januari 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkgezin te weten bij (de biologische) vader met ingang van 30 oktober 2026 tot 27 november 2026;
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat de voortzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
bepaalt dat de griffier de Raad, de GI, de vader en de moeder tijdig op te roepen voor de zitting.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier, en op schrift gesteld en ondertekend door mr. E.M. ten Bos op 2 november 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.