Civiel recht overig

WAMCA, belangenorganisatie ontvankelijk, voldoende middelen om de kosten van procedure te dragen, marginale…

Rechtbank Amsterdam, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/755497 / HA ZA 24-921
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Advocaat
eerst mr. E.F. Vaal (onttrokken), mr. A. Strijbos te Amsterdam (voorheen mr. H.J. Pot te Amsterdam)
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10630
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WAMCA, belangenorganisatie ontvankelijk, voldoende middelen om de kosten van procedure te dragen, marginale toets, voldoende zeggenschap over vordering

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/755497 / HA ZA 24-921

Vonnis van 21 oktober 2026

in de zaak van

STICHTING ONDERZOEK MARKTINFORMATIE,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

advocaat: eerst mr. E.F. Vaal (onttrokken), thans mr. M. Schimmel te Amsterdam,

tegen

1 de vennootschap naar buitenlands recht X CORP.,

gevestigd te San Francisco, Verenigde Staten van Amerika,
2. de vennootschap naar buitenlands recht X INTERNET UNLIMITED COMPANY,

gevestigd te Dublin, Ierland,
3. de besloten vennootschap TWITTER NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partijen,

advocaat: mr. A. Strijbos te Amsterdam (voorheen mr. H.J. Pot te Amsterdam).

Partijen zullen hierna SOMI en X Corp c.s. worden genoemd.

1 De zaak in het kort

1.1.

Deze zaak betreft een collectieve actie. Daarin komt SOMI op voor de belangen van ongeveer acht miljoen Nederlandse gebruikers van het sociale media platform X (voorheen Twitter). Kern van het verwijt van SOMI is dat X Corp c.s. met de inrichting, exploitatie en de beveiliging van het X-platform de grondrechten van de gebruikers schenden. Daarbij gaat het SOMI in het bijzonder om datalekken, (ongeoorloofde) microtargeting en haatzaaiende berichten (hate speech). SOMI wil door middel van deze collectieve actie bereiken dat X Corp c.s. hiermee stoppen en dat X Corp c.s. de schade van haar achterban vergoeden.

1.2.

In deze fase van de procedure gaat het over de ontvankelijkheid van SOMI. In het tussenvonnis van 27 mei 2026 heeft de rechtbank SOMI opgedragen nader toe te lichten dat zij over voldoende financiële middelen beschikt om de kosten van deze procedure te dragen, waarbij de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij haar ligt. De rechtbank heeft in dat vonnis eveneens geoordeeld dat SOMI voor het overige voldoet aan de ontvankelijkheidseisen onder de WAMCA.

1.3.

De rechtbank beslist in dit vonnis dat SOMI haar stellingen op de hiervoor genoemde punten voldoende heeft toegelicht. Daarmee voldoet SOMI aan alle ontvankelijkheidseisen onder de WAMCA en is zij ontvankelijk in haar collectieve vorderingen.

2. De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het tussenvonnis van 27 mei 2026 (hierna: het tussenvonnis), met de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- de akte van SOMI, met producties 138 tot en met 142;

- de akte overlegging producties van SOMI, met productie 143;

- de akte uitlating financiering, tevens incidentele conclusie houdende een incidentele vordering ex artikel 843a Rv (oud) van X Corp c.s., met producties 68 tot en met 78;

- de brief van SOMI van 6 augustus 2026, waarin SOMI reageert op de incidentele vordering ex artikel 843a Rv (oud) van X Corp c.s.;

- de brief van X Corp c.s. van 11 augustus 2026;

- de brief van X Corp c.s. van 12 oktober 2026, waarin X Corp c.s. hun incidentele vordering ex artikel 843a Rv (oud) niet langer handhaven en verzoeken om heropening van het debat tussen partijen over het waarborgvereiste van artikel 3:305a BW;

- de brief van SOMI van 13 oktober 2026, met een afwijzende reactie op het verzoek van X Corp c.s.;

- het e-mailbericht van de rechtbank van 14 oktober 2026, waarin het verzoek van X Corp c.s. is afgewezen.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2.3.

In hun brief van 11 augustus 2026 hebben X Corp c.s. de rechtbank verzocht om de brief van SOMI van 6 augustus 2026 buiten beschouwing te laten. Volgens X Corp c.s. kan de rechtbank op basis van het voorliggende procesdossier beslissen of aan het middelenvereiste en het zeggenschapsvereiste van artikel 3:305a lid 2 sub c BW is voldaan. De rechtbank wijst het verzoek van X Corp c.s. af. SOMI heeft, met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor, recht om zich tegen de incidentele vordering van X Corp c.s. te verweren. Dit heeft SOMI in haar brief van 6 augustus 2026 gedaan. Dat SOMI dit niet in een akte maar bij brief heeft gedaan doet daar niet aan af. Zoals X Corp c.s. subsidiair ook verzoeken, kan de brief worden aangemerkt als een conclusie van antwoord in het incident. De rechtbank stelt vast dat SOMI zich in deze brief ook heeft uitgelaten over het door X Corp c.s. overgelegde rapport van Grant-Thornton, zodat de rechtbank dit stuk bij de beoordeling mag betrekken.

3 De verdere beoordeling van de ontvankelijkheid van SOMI (onder de WAMCA)

3.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank SOMI op grond van artikel 22 Rv bevolen nader toe te lichten dat zij over voldoende middelen beschikt om de kosten van deze procedure te dragen, waarbij de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij haar ligt, zoals artikel 3:305a lid 2 onder c BW vereist. Dit was de enige hobbel die volgens de rechtbank nog aan de ontvankelijkheid van SOMI onder de WAMCA in de weg zou kunnen staan; in het tussenvonnis is geoordeeld dat SOMI voor het overige voldoet aan de ontvankelijkheidseisen onder de WAMCA.

Voldoende middelen

3.2.

SOMI wil ter onderbouwing van haar stelling dat zij over voldoende middelen beschikt een beroep doen op het budget voor de procedure zoals dat bij aanvang daarvan is voorgesteld (productie 140) en haar financiële planning voor de periode 2026 tot en met 2031 (productie 142). Vanwege het vertrouwelijke karakter van deze stukken is SOMI echter niet bereid om deze met X Corp c.s. te delen. Zij heeft de producties daarom alleen toegezonden aan de rechtbank. X Corp c.s. verzetten zich tegen een uitspraak op basis van voor hen onbekende informatie, althans voor het geval de rechtbank voornemens mocht zijn om SOMI ontvankelijk te verklaren.

3.3.

De rechtbank zal geen uitspraak doen op basis van de onder 3.2 genoemde informatie. De rechtbank komt op basis van de overige door SOMI in het geding gebrachte stukken en de nadere toelichting van SOMI al tot de conclusie dat SOMI voldoende heeft onderbouwd dat zij over voldoende middelen beschikt en zal de betreffende stukken daarom niet bij haar beoordeling betrekken. De stukken zullen uit het dossier worden verwijderd en aan SOMI worden teruggezonden. De rechtbank licht dit als volgt toe.

3.4.

De rechtbank stelt voorop dat, bij de toets van het middelenvereiste van artikel 3:305a lid 2 sub c BW, de belangenbehartiger aannemelijk moet maken dat hij op het moment van toetsing over voldoende middelen beschikt of kan beschikken om de procedure te voeren. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze toets slechts marginaal is. De rechter hoeft niet diepgaand te onderzoeken of de belangenbehartiger financieel sterk genoeg is om de hele procedure te bekostigen. Ook hoeft de rechter niet vooraf met zekerheid vast te stellen dat alle toekomstige kosten voor de procedure kunnen worden betaald. Verder hoeft de belangenbehartiger niet reeds bij aanvang van de procedure zekerheid te verschaffen over de financiering van iedere mogelijke fase in de procedure, waaronder een eventueel hoger beroep of cassatie. In een eventueel hoger beroep zal een nieuwe beoordeling van de ontvankelijkheidseisen naar de situatie ten tijde van de beslissing in hoger beroep (“ex nunc”) plaatsvinden en zal moeten worden bekeken of de belangenhartiger voldoende financiering heeft voor de procedure in hoger beroep. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de rechter een doorlopende controle kan uitvoeren op de ontvankelijkheid van de belangenbehartiger.

3.5.

Het middelenvereiste van artikel 3:305a lid 2 sub c BW gaat niet zo ver dat de rechter zelfstandig hoeft te onderzoeken of de financier voldoende kapitaalkrachtig en solvabel is, laat staan op een wijze die verder gaat dan een marginale toets, zoals X Corp c.s. stellen. De WAMCA vereist dit niet en het volgt evenmin uit de wetsgeschiedenis. X Corp c.s. hebben in dit verband gewezen op de Resolutie die het Europees Parlement in 2022 aannam en waarin de Europese Commissie werd verzocht om commerciële procesfinanciering door derden – ‘third-party litigation fundering’ – te reguleren. Een van de aanbevelingen is het reguleren van en het houden van toezicht op procesfinanciers, waarbij kapitaaltoereikendheid een van de minimumnormen is waaraan een procesfinancier zich moet verbinden. De Resolutie heeft echter (nog) niet geleid tot specifieke regelgeving. Het middelenvereiste beperkt zich (vooralsnog) tot de vraag of de belangenorganisatie beschikt of kan beschikken over voldoende middelen om de collectieve procedure te voeren.

3.6.

Reunion heeft volgens de schenkingsovereenkomst van 12 december 2022 een schenking van € 6,5 miljoen toegezegd aan SOMI. Uit zowel het besluit van het bestuur van SOMI van 17 maart 2026 (productie 141 van SOMI) als de jaarrekening over 2025 van SOMI blijkt dat SOMI onder de schenking een bedrag van € 3.904.857,16 heeft ontvangen en dat op 1 januari 2026 nog een bedrag van € 2.595.142,84 beschikbaar was. Dit is tevens het maximaal nog beschikbare bedrag onder de schenkingsovereenkomst. Het bestuur van SOMI heeft op 17 maart 2026 namelijk besloten geen gebruik te zullen maken van de aanvullende financieringsmogelijkheid die artikel 1.4 van de schenkingsovereenkomst bood: daarin is bepaald dat de schenking door Reunion aan SOMI zoveel meer (dan € 6,5 miljoen) zal bedragen als SOMI nodig zal blijken te hebben voor haar bedrijfsactiviteiten tot 1 januari 2028. Volgens het bestuursbesluit is de aanvullende financiering niet langer nodig voor de operationele continuïteit van SOMI en past deze ook niet meer bij haar strategische doel om financieel onafhankelijk te zijn. De schenkingsovereenkomst voorziet, ook na dit bestuursbesluit, nog altijd daadwerkelijk in de financiering van SOMI en deze procedure. Reunion kan hiermee niet op ieder moment stoppen: zij moet de schenkingen op eerste verzoek van SOMI, zonder dat Reunion daaraan nadere voorwaarden kan stellen, beschikbaar stellen aan SOMI (zie artikel 1.5 van de schenkingsovereenkomst).

3.7.

De rechtbank heeft op dit moment onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat SOMI niet over het resterende bedrag onder de schenking kan beschikken. In dat verband is het volgende van belang.

3.8.

SOMI heeft onweersproken gesteld dat Reunion tot op heden geen factuur van SOMI of van enige andere schuldeiser van Reunion onbetaald heeft gelaten. Ook heeft zij er in dit verband op gewezen dat Reunion enig aandeelhouder is van twee dochtervennootschappen die beschikken over een vastgoedportefeuille, zodat Reunion voldoende verhaalsmogelijkheden biedt. SOMI betwist niet dat de jaarverslagen een negatief eigen vermogen van Reunion laten zien, maar geeft hiervoor als verklaring dat de waarde van de twee dochtermaatschappijen van Reunion niet is geactiveerd op de balans van Reunion. Volgen SOMI beschikken deze dochtermaatschappijen over een omvangrijke vastgoedportefeuille van enkele tientallen miljoenen euro’s, zodat zij een aanzienlijke stille reserve vormen voor Reunion. Verder heeft SOMI als verklaring voor het negatieve beeld van de dochtermaatschappijen op basis van de jaarstukken toegelicht dat zij om fiscale redenen tot het einde van het boekjaar 2025 maximaal hebben afgeschreven op hun vastgoedportefeuille, zonder daarbij een herwaarderingsreserve op te nemen.

3.9.

X Corp c.s. voeren daartegen – onder verwijzing naar een, in hun opdracht opgesteld, rapport van Grant Thornton van 20 juli 2026 – aan dat de Reunion-groep geen noemenswaardige eigen middelen heeft en steeds meer geld moet lenen om aan haar verplichtingen te voldoen. Volgens X Corp c.s. is niet aannemelijk dat dit model op termijn blijft functioneren.

3.10.

Ook indien deze stelling van X Corp c.s. juist is, dan staat daarmee nog niet vast dat Reunion de toegezegde schenking, voor zover benodigd door SOMI om de kosten van deze procedure (bij de rechtbank) te dragen, niet kan doen. Ook Grant Thornton heeft niet dit als vaststaand gepresenteerd, maar aan haar bevindingen een zekere mate van onzekerheid verbonden door te concluderen dat geen van de entiteiten van de Reunion-groep in staat lijkt (‘do not appear’) om de procedures van SOMI te financieren. Het rapport van Grant Thornton heeft een speculatief gehalte. Dat geldt ook voor zover X Corp c.s. vraagtekens plaatsen bij de integriteit van andere bij de Reunion-groep betrokken personen dan [naam] . Ook indien het klopt dat een van hen in 2024 door de rechtbank van Vaticaanstad schuldig is bevonden aan verduistering, zoals X Corp c.s. stellen, kan hieruit niet worden afgeleid dat Reunion het resterende schenkingsbedrag niet kan voldoen.

3.11.

De rechtbank weegt in dit verband mee dat het bestuur van SOMI in maart 2026 een beoordeling heeft gemaakt van de benodigde middelen voor het voeren van haar collectieve acties, waaronder de onderhavige procedure tegen X Corp c.s., en dat die beoordeling tot de conclusie heeft geleid dat SOMI over voldoende middelen beschikt om al haar lopende procedures te bekostigen. Het bestuur van SOMI heeft daarbij de kapitaalkrachtigheid van Reunion betrokken. Een van de bestuursleden is financieel specialist.

3.12.

SOMI heeft verder voldoende onderbouwd dat zij met het resterende bedrag van ruim € 2,5 miljoen over voldoende middelen beschikt om deze procedure te voeren. Weliswaar heeft SOMI nog meer kosten dan deze procedure, zoals de kosten van marketing, IT, personeels- en managementkosten en de kosten voor het voeren van andere collectieve acties in binnen- en buitenland, maar het ontbreekt op dit moment aan concrete en serieuze aanwijzingen dat het resterende schenkingsbedrag hieraan (volledig) zal opgaan en dat onvoldoende overblijft voor de kosten van deze procedure. De enkele omstandigheid dat SOMI in 2025 ruim € 1,3 miljoen aan de schenking heeft onttrokken, zoals X Corp c.s. stellen, acht de rechtbank daartoe ontoereikend. Een groot deel van de kosten voor deze procedure is al gemaakt en, zo heeft SOMI onweersproken gesteld, ook betaald. Volgens SOMI gaat het om de kosten voor het opstellen van de dagvaarding, feitenonderzoek, onderzoek door deskundigen (zoals DigiJuris), bookbuilding en het verifiëren van het deelnemersbestand. Daarbij komt dat SOMI voor het financieren van deze procedure niet volledig afhankelijk is van de schenking maar beschikt over alternatieve financiële middelen, waaronder de certificaten (waarover hierna meer) en de SOMI-app waarin consumenten tegen betaling bepaalde diensten kunnen afnemen. Het bestuur is in maart 2026 (zie 3.6) tot de conclusie gekomen dat zij voldoende heeft aan het resterende schenkingsbedrag en dat het niet nodig is dat Reunion nog meer schenkingen aan haar zal doen. In het bestuursbesluit van 17 maart 2026 staat hierover het volgende vermeld:

“13. The Board has evaluated SOMI’s developments in the period 2022-2025, its current financial stability and its independent funding growth and possibilities, as documented in the SOMI Business plan 2026-2030 and in the SOMI Funding Outlook 2026 respectively.

14. The Board had determined that as of 2026, SOMI has developed or has a strong potential to develop a sustainable and diversified funding model through its claim subscription revenues, its claim certificates, any potential settlement proceeds, the sale of services through its SOMI app and through the aforementioned (re)financing opportunities for its entire operational scope, litigation campaigns or lead generation financing, thereby drastically reducing the necessity for arrangements for (open-ended) external donations by Reunion Ventures as they existed and have been in place in the period 2016-2025.

(…)

1. Strategic Assessment and Financial Independence

Pursuant to Article 5.1 of the Articles, the Board is responsible for the determination and execution of the financial policy and the strategy of the Foundation. Based on the financial status as per December 31, 2025, the Board determines that SOMI has sustainably transitioned into an independent, self-financing business model within the framework of its non-profit statutory purpose and goals. Consequently, the additional financial support from Reunion as described in the latter part of Article 1.4 of the Agreement is no longer required for SOMI’s operational continuity and does no longer align with its overall strategic objectives of financial independence.”

3.13.

In de jaarverslagen over 2024 en 2025 van SOMI staat dat zij in 2024 een bedrag van € 1.047.362,- aan certificaten heeft uitgegeven: € 247.362,- aan procescertificaten (serie 2024) en € 800.000,- aan garantiecertificaten (serie 2024). In 2025 is dit bedrag met ruim twee miljoen euro gestegen tot € 3.294.138,-, waarvan € 258.362,- aan procescertificaten (serie 2024), € 800.000,- aan garantiecertificaten (serie 2024) en € 2.235.776,- aan kapitaalcertificaten (serie 2025). Volgens SOMI zijn alle garantie- en kapitaalcertificaten gekocht door Reunion. Aangezien [naam] dit ter zitting heeft bevestigd en X Corp c.s. dit onvoldoende hebben weersproken, gaat de rechtbank hiervan uit. [naam] heeft ter zitting verder verklaard dat de hoofdsombescherming voor de aan Reunion uitgegeven certificaten niet geldt en dat Reunion ook geen recht heeft op een rendementsvergoeding. SOMI heeft ter onderbouwing hiervan een besluit van haar bestuur van 15 juni 2026, ondertekend door Reunion op 16 juni 2026, (productie 139) in het geding gebracht. Hierin staat onder meer het volgende:

“d. It has been (correctly) represented by [naam] on behalf of SOMI, before the Rechtbank Amsterdam in the proceedings bearing case number C/13/755497 / HA ZA 24-921, that the principal protection does not apply between SOMI en Reunion with respect to the Certificates held by Reunion, and that Reunion has waived its right to a return on any Certificates.

(…)

4. Confirmation regarding principal protection (hoofdsombescherming)

The Board formally confirms and records that, as between SOMI and Reunion, Reunion has waived the principal protection associated with the capital/warranty certificates issued by SOMI and held by Reunion. Reunion is accordingly not entitled to repayment of the principal amount (in Dutch:“hoofdsom”) upon expiry of the duration of the Certificates held by Reunion, in its own name or through any of its subsidiaries, participations, or affiliates.

For the avoidance of doubt, this waiver applies in full to all series of Certificates issued by SOMI that have been acquired or are held by Reunion, including but not limited to the Serie 2024 and Serie 2025 Certificates, and extends to any future series of Certificates that may be issued by SOMI and required by Reunion.

5 Confirmation regarding returns (rendementsvergoeding)

The Board further formally confirms and records that Reunion has waived entitled to any return on any Certificates issued to or held by Reunion.

This waiver applies regardless of the outcome of any proceedings by SOMI and irrespective of whether any judgement, settlement, or other recovery is obtained.

(…)

9 Acknowledgment and confirmation by Reunion Ventures B.V.

Reunion Ventures B.V., duly represented by its [functie] [naam] , hereby irrevocably acknowledges and confirms that:

a. The principal protection associated with any Certificates issued by SOMI and

held by Reunion does not apply as between SOMI and Reunion;

b. Reunion has irrevocably waived any and all claims, rights, or entitlements it may have of may have had against SOMI arising out of or in connection with the Certificates, including but limited to any return (rendement) or any other financial benefit;

(…)”

3.14.

SOMI heeft hiermee voldoende onderbouwd dat de financiële risico’s in verband met de hoofdsombescherming van de kapitaalcertificaten en de rendementsvergoeding voor de houders van proces- en kapitaalcertificaten beperkt zijn. Dat kan anders worden wanneer SOMI (grote hoeveelheden) certificaten zal uitgeven aan anderen dan Reunion (en zij aanspraak willen maken op de hoofdsombescherming en/of rendementsvergoeding), maar dat speelt nu niet. X Corp c.s. hebben in dit verband nog aangevoerd dat de winstrechten volgens de certificaatvoorwaarden overdraagbaar zijn en dat de koper van de certificaten van Reunion niet gebonden is aan de afstandsverklaring en dus aanspraak kan maken op de hoofdsombescherming en rendementsvergoeding. Ook hiervoor geldt dat dit scenario ongewis is. Uit niets blijkt dat Reunion van haar certificaten af wil, laat staan op korte termijn. Daar komt bij dat, zo stellen X Corp c.s. zelf (en staat ook vermeld in de door X Corp c.s. overgelegde brochures ‘kapitaalcertificaten serie 2025’ en ‘procescertificaten 2025’), de certificaten van Reunion alleen met toestemming van SOMI kunnen worden overgedragen.

3.15.

X Corp c.s. stellen verder nog dat de afstandsverklaring niet waterdicht is, omdat de door Reunion gehouden certificaten in de jaarrekening over 2025 van SOMI zijn opgenomen als langlopende schuld. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij, alleen al omdat de afstandsverklaring van latere datum is. Wat betreft de procescertificaten die niet in handen van Reunion zijn, stelt SOMI onweersproken dat de rendementsvergoeding slechts in specifieke gevallen is verschuldigd en dus niet onvoorwaardelijk is. Alleen bij een positief resultaat van de procedure én wanneer SOMI de benodigde liquiditeiten van derden heeft ontvangen ontstaan rendementsverplichtingen voor SOMI. Daarmee lijkt het financiële risico voor SOMI beperkt. In elk geval kan op dit moment niet worden aangenomen dat de uitgifte van certificaten een dusdanig groot financieel risico vormt dat SOMI deze procedure wegens een gebrek aan middelen noodgedwongen (tussentijds) zal moeten staken.

3.16.

X Corp c.s. voeren nog aan dat de certificaatstructuur geen transparante en betrouwbare financieringsgrondslag is en dat twijfelachtig is of de wijze waarop SOMI de certificaten aanbiedt en presenteert wel toelaatbaar is. Volgens X Corp c.s. is het Openbaar Ministerie in Duitsland naar aanleiding van klachten een strafrechtelijk onderzoek gestart naar beleggingsfraude en het zonder vergunning verrichten van bancaire activiteiten. Het gaat daarbij, zo begrijpt de rechtbank, om certificaten die in Duitsland zijn uitgegeven. Daargelaten dat onbekend is wat de uitkomst van het onderzoek in Duitsland is, geldt dat niet gesteld of gebleken is dat ook in Nederland door het Openbaar Ministerie en/of de toezichthouder(s) (strafrechtelijk) onderzoek plaatsvindt naar de in Nederland uitgegeven certificaten, laat staan dat sprake is van illegale (beleggings)praktijken van SOMI.

3.17.

Uit het voorgaande volgt dat dat SOMI over voldoende middelen beschikt om deze procedure te voeren.

Zeggenschap

3.18.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat in de schenkingsovereenkomst en in de statuten van SOMI voldoende is gewaarborgd dat de zeggenschap over de vordering in voldoende mate bij SOMI ligt en niet bij Reunion in haar hoedanigheid van schenker of bij [naam] in zijn hoedanigheid van voorzitter en bestuurder van SOMI en enig aandeelhouder van Reunion. X Corp c.s. vechten dit oordeel aan en stellen dat dit geen realistische waarborg is, omdat [naam] gelet op zijn centrale en integrale rol binnen SOMI en alle Reunion-activiteiten ook zonder formele deelname aan besluitvorming feitelijk invloed kan uitoefenen, juist ook omdat de bestuurders en leden van de Raad van Toezicht in overwegende mate betaald worden door de onderneming van [naam] (Reunion).

3.19.

Het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis over het waarborgvereiste kwalificeert als een bindende eindbeslissing. Voor dergelijke beslissingen geldt de hoofdregel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Dit kan anders zijn indien de beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. In dat geval brengen de eisen van een goede procesorde mee dat de rechter bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich hierover uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Daarbij geldt dat de rechter bevoegd is om aan een verzoek om terug te komen van een eindbeslissing voorbij te gaan, als dat verzoek is gestoeld op feiten en stellingen die al eerder in de procedure ter kennis van de rechter en de wederpartij zijn gebracht of, gelet op het partijdebat, hadden moeten zijn gebracht.

3.20.

X Corp c.s. zijn het op inhoudelijke gronden niet eens met het oordeel van de rechtbank. Een evidente feitelijke of juridische misslag is door X Corp c.s. echter niet naar voren gebracht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om terug te komen op de eerder door haar gegeven bindende eindbeslissing op dit punt.

3.21.

Ten overvloede voegt de rechtbank hieraan toe dat X Corp c.s. met hun stelling dat geen sprake is van een realistische waarborg miskennen dat artikel 3:305a lid 2 sub c BW niet vereist dat de zeggenschap van SOMI absoluut is, in die zin dat Reunion of [naam] helemaal geen invloed heeft of mag hebben op de door SOMI ingestelde vordering. De wetgever heeft bewust een zekere ruimte aan invloed van de financier gelaten en uiteindelijk slechts overwogen dat de financier ‘uiteindelijk’ niet beslist over, kort gezegd, de proces- en/of schikkingsstrategie. Er bestaat geen grond voor de veronderstelling van X Corp c.s. dat Reunion en/of [naam] een beslissende rol hebben en dat de aan het (uit drie leden tellende) bestuur van SOMI toekomende bevoegdheden en zeggenschap over de koers van de collectieve actie feitelijk naar hen wordt verschoven.

3.22.

De rechtbank heeft SOMI in het tussenvonnis alleen nog bevolen om nader toe te lichten en te onderbouwen dat Reunion als kapitaalcertificaathouder en de procescertificaathouders evenmin (doorslaggevende) zeggenschap over de vordering van SOMI hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft SOMI dit in voldoende mate gedaan. In artikel 2.7 van door SOMI overlegde voorwaarden van de proces-, garantie- en kapitaalcertificaten (series 2024, 2025, 2026) is bepaald dat aan de winstrechten geen zeggenschaps-, stem- of vergaderrechten zijn verbonden en dat de financierder (certificaathouder) geen enkele invloed heeft op de besluitvorming van SOMI en uitsluitend via reguliere updates op de website van SOMI en in de SOMI-app van informatie hierover wordt voorzien. Volgens SOMI zijn deze voorwaarden van toepassing op de uitgegeven certificaten. Iedere aanwijzing dat dit niet juist is en dat met certificaathouders (van artikel 2.7) afwijkende afspraken zijn gemaakt, ontbreekt. Aan het feit dat SOMI geen stukken waarin deze voorwaarden van toepassing zijn verklaard, zoals overeenkomsten met certificaathouders, heeft overgelegd, komt in dit verband geen beslissende betekenis toe.

Conclusie

3.23.

Uit het voorgaande volgt dat SOMI (op dit moment) voldoet aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder c BW en daarmee aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid onder de WAMCA, en dat zij dus ontvankelijk is in haar collectieve vordering. Daarmee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke fase van de procedure. In die fase zal beoordeeld (kunnen) worden of aan alle ontvankelijkheidseisen van de AVG is voldaan.

4 Vervolgstappen

4.1.

Op grond van de artikelen 1018e, 1018f en 1018g Rv moet de rechtbank een aantal beslissingen nemen voordat de zaak verder inhoudelijk wordt beoordeeld. Het gaat samengevat om de volgende punten:

  1. het aanwijzen van een exclusieve belangenbehartiger (artikel 1018e lid 1 Rv),

  2. het beoordelen wat de collectieve actie precies inhoudt en voor welke nauw omschreven groep personen de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve actie behartigt (artikel 1018e lid 2 Rv),

  3. het vaststellen van de termijn voor zogenoemde opt-out en eventueel opt-in (artikel 1018f lid 1 en 5 Rv), waarbij de rechter in ieder geval één of meer nieuwsbladen aanwijst waarin de relevante informatie voor de opt-out (en opt-in) wordt aangekondigd (artikel 1018f lid 3 Rv), en

  4. het stellen van een termijn voor het beproeven van een schikking (artikel 1018g Rv).

Exclusieve belangenbehartiger

4.2.

De rechtbank zal SOMI aanwijzen als exclusieve belangenbehartiger als bedoeld in artikel 1018e Rv. Op grond van het bepaalde in artikel 1018e lid 5 Rv moet SOMI dit vonnis, inhoudende deze beslissing – in geanonimiseerde vorm – laten aantekenen in het centrale register voor collectieve vorderingen. Daarnaast zal het vonnis worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Nauw omschreven groep

4.3.

SOMI heeft in haar inleidende dagvaarding een omschrijving gegeven van de nauw omschreven groep, al naar gelang de vordering. De rechtbank sluit hierbij aan en onderscheidt de volgende drie nauw omschreven groepen:

A. voor de vorderingen die zien op datalekken en gebrekkige beveiliging: alle (ook minderjarige) natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep en bedrijf, die in Nederland wonen en die gedurende een moment dat zij in Nederland woonden vanaf 1 juni 2021 gebruik hebben gemaakt van het X-platform en van wie zich persoonsgegevens bevinden in de gelekte datasets genoemd in paragraaf IV.1 van de inleidende dagvaarding;

B. voor de vorderingen die zien op ongeoorloofde microtargeting en gebrekkige transparantie: alle (ook minderjarige) natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep en bedrijf, die in Nederland wonen en die gedurende een moment dat zij in Nederland woonden vanaf 25 augustus 2023 gebruik hebben gemaakt van het X-platform en die behoorden tot de doelgroep van de advertenties die zijn getoond als gevolg van ongeoorloofde microtargeting door X, waaronder de advertenties genoemd in paragraaf IV.2 van de inleidende dagvaarding;

C. voor de vorderingen die zien op schending van de DSA-verplichtingen rondom systeemrisico’s voor grote online platforms, waaronder het tegengaan van hate speech: alle (ook minderjarige) natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van een beroep en bedrijf, die in Nederland wonen en die gedurende een moment dat zij in Nederland woonden vanaf 25 augustus 2023 gebruik hebben gemaakt van het X-platform.

Opt-out en opt-in

4.4.

Artikel 1018f Rv verbindt aan de aanwijzing van SOMI als exclusieve belangenbehartiger een aantal voorschriften, die ertoe strekken dat de personen voor wier belangen zij opkomt van die aanwijzing in kennis worden gesteld en zich kunnen beraden op hun positie (‘opt-out’, lid 1, dan wel ‘opt-in’, lid 5).

4.5.

De rechtbank zal een termijn stellen voor opt-out voor gedupeerden die in Nederland wonen of domicilie hebben. Zij kunnen binnen die termijn gebruik maken van de opt-out mogelijkheid. Aangezien SOMI expliciet stelt dat de nauw omschreven groep bestaat uit personen die in Nederland wonen, zijn er geen buitenlandse gedupeerden en is daarmee geen aanleiding voor het stellen van een opt-in-termijn.

4.6.

De rechtbank is voornemens ter uitvoering van het onder 4.4 bedoelde voorschrift te bevelen dat in een aantal landelijke dagbladen de volgende advertentie wordt geplaatst:

“ Collectieve actie van Stichting Onderzoek Marktinformatie tegen X Corp., X Internet Unlimited Company en Twitter Netherlands B.V. inzake de grondrechten van de gebruikers van X met betrekking tot de inrichting, beveiliging en exploitatie van het X-platform.

Stichting Onderzoek Marktinformatie (hierna: SOMI) voert bij de rechtbank Amsterdam een procedure tegen X. Corp., X Internet Unlimited Company en Twitter Netherlands B.V. over hun beweerdelijke onrechtmatige activiteiten. De dagvaarding is op 16 augustus 2024 aangetekend in het register voor collectieve vorderingen (https://www.rechtspraak.nl/registers/centraal-register-voor-collectieve-vorderingen).

Wilt u niet dat ook uw belangen in deze procedure worden behartigd, stuur dan een bericht aan de rechtbank Amsterdam, team Handel, Postbus 84500, 1080 BN Amsterdam. Vermeld daarin dat uw verzoek betrekking heeft op zaaknummer: C/13/755497 / HA ZA 24-921. U kunt dit doen tot en met [datum volgt].”

4.7.

De rechtbank is verder voornemens in het centraal register voor collectieve vorderingen de volgende tekst te doen plaatsen:

“ Collectieve actie van Stichting Onderzoek Marktinformatie tegen X Corp., X Internet Unlimited Company en Twitter Netherlands B.V. inzake de grondrechten van de gebruikers van X met betrekking tot de inrichting, beveiliging en exploitatie van het X-platform.

Stichting Onderzoek Marktinformatie (hierna: SOMI) voert bij de rechtbank Amsterdam een procedure tegen X. Corp., X Internet Unlimited Company en Twitter Netherlands B.V. over hun beweerdelijke onrechtmatige activiteiten. SOMI is door de rechtbank aangewezen als exclusieve belangenbehartiger.

Niet meedoen of juist wel meedoen

Als u behoort tot de groep van personen voor wie SOMI opkomt en u vindt het goed dat SOMI ook uw belangen behartigt, dan hoeft u niets te doen.

Als u niet wilt dat ook uw belangen in deze procedure worden behartigd (bijvoorbeeld omdat u hiervoor zelf een procedure wilt voeren), dan kunt u dat aan de rechtbank kenbaar maken. [U bent dan niet aan de uitspraak in deze zaak gebonden, maar u kunt er ook geen rechten aan ontlenen.] Stuur dan een brief aan de rechtbank Amsterdam, team Handel, Postbus 84500, 1080 BN Amsterdam. U kunt dit doen tot en met [datum volgt].

U kunt de volgende tekst gebruiken:

“Ik wil niet dat in de collectieve actie van SOMI, zaaknummer: C/13/755497 / HA ZA 24-921, mijn belangen worden behartigd en wens mij daarvan te bevrijden.”

4.8.

Partijen zullen bij – gelijktijdig te nemen – akte in de gelegenheid worden gesteld zich over deze tekstvoorstellen en de wijze van publicatie daarvan uit te laten.

4.9.

Partijen zullen ook in de gelegenheid worden gesteld om zich bij dezelfde akte uit te laten over nut en noodzaak van het stellen van een termijn als bedoeld in artikel 1018g Rv. SOMI kan daarnaast in haar akte laten weten of zij behoefte heeft aan het aanvullen van de gronden van de vordering als bedoeld in die bepaling.

4.10.

SOMI heeft in de inleidende dagvaarding gevorderd dat het vonnis, vergezeld van een eenvoudige samenvatting, zal worden geplaatst op een speciaal daarvoor in het leven geroepen webpagina op de website waarop het X-platform toegankelijk is (zie petitum ‘Opt-in/opt-out’iii onder a). Ook vordert SOMI dat X Corp c.s. aan ieder lid van de achterban van SOMI per e-mail en via de X berichtendienst mededeling doen van de aanwijzing als exclusieve belangenbehartiger, de collectieve vordering en de nauw omschreven groepen (zie petitum ‘Opt-in/opt-out’ iii onder b). De rechtbank wijst beide vorderingen af, omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat en van X Corp c.s. ook redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij hieraan uitvoering geven.

4.11.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart SOMI ontvankelijk (onder de WAMCA) in haar collectieve vordering,

5.2.

wijst SOMI aan als exclusieve belangenbehartiger zoals bedoeld in artikel 1018e Rv,

5.3.

verwijst de zaak naar de rol van 18 november 2026 voor akte aan de zijde van partijen als bedoeld in rechtsoverwegingen 4.8 en 4.9,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, mr. L. Voetelink en mr. A.N. Kikkert en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.

ECLI:NL:RBAMS:2026:6440. Kamerstukken II 2016/17, 34 608, nr. 3 (MvT), p. 20 en Kamerstukken II 2017/18, 34608, nr. 9 (Nnav). p. 9. HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1198, r.o. 3.2.4. Kamerstukken II 20216/17, 34608, nr. 3, p. 45; zie ook Kamerstukken II 2017/18, 34 608, nr. 6, p. 21 en 28-29. Zie ook HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1198, r.o. 3.2.4. Resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2022 met aanbevelingen aan de Commissie over verantwoorde particuliere procesfinanciering (2020/2130(INL)), Annex (Draft Directive), art. 6. Zie het tussenvonnis onder 3.5. Zie 6.55. van het tussenvonnis. HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521, r.o. 3.5, en HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR: 2022:1873, r.o. 3.3. Kamerstukken II 2017-2018, 34 608, nr. 10. Vgl. HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HRL2026:1198.