Personen- en familierecht
Echtscheiding. In tegenstelling tot hetgeen in de voorlopige voorzieninenprocedure is bepaald oordeelt de…
Rechtbank Amsterdam, 25 mei 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:2855 · Rechtbank Amsterdam · 25 mei 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbams-2022-2855
Zaakgegevens
Op 25 mei 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 25 mei 2022
- Datum publicatie
- 24 mei 2022
- Zaaknummer
- C/13/704900 / FA RK 21-4477
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:2855
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Echtscheiding. In tegenstelling tot hetgeen in de voorlopige voorzieninenprocedure is bepaald oordeelt de rechtbank in de bodemprocedure dat het huurrecht aan de vrouw zal worden toegekend.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/704900 / FA RK 21-4477
C/13/710786 / FA RK 21-7708
Beschikking d.d. 25 mei 2022 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. S. Bouddount, gevestigd te Weesp,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.T. Vir Piari, gevestigd te Amsterdam.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 14 juli 2021;
- een verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de vrouw van 25 augustus 2021;
- een verweerschrift op de zelfstandige verzoeken tevens houdende een aanvullend verzoekschrift van de vrouw van 20 oktober 2021;
- een verweerschrift op de aanvullende verzoeken van de vrouw van 12 november 2021;
- een F9-formulier met producties 1-9, tevens aanvullend verzoek van de vrouw van 19 april 2022;
- een F9-formulier met producties van de man van 25 april 2022.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 april 2022.
Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen bijgestaan door hun advocaten.
2 De beoordeling
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 25 juni 2018 te Wassenaar. Zij hebben de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
Partijen hebben een voorlopige voorzieningenprocedure gevoerd. Bij beschikking van 17 juni 2021 heeft deze rechtbank voor zover hier van belang bepaald dat de man voorlopig gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de man een aantal goederen aan de vrouw dient af te geven welke strekken tot haar dagelijks gebruik.
Scheiding
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
Woning
De man heeft het huurrecht van de woning verzocht. Hij voert daartoe aan dat hij een groter belang heeft dan de vrouw bij toekenning van het huurrecht omdat hij een baan heeft in Amsterdam en de vrouw niet. De vrouw is werkzaam in [plaats 1] . Nog los van het feit dat de vrouw haar baan bij de gemeente [gemeente] heeft geaccepteerd toen het huwelijk inmiddels was ontwricht en de vrouw bij haar ouders in [plaats 2] verbleef en het dus meer voor de hand had gelegen voor haar om een nieuwe baan in de buurt van [plaats 2] te zoeken, is het ook zo dat de vrouw geen binding heeft met Amsterdam. Zij kan ook in [plaats 1] wonen. De man is in zijn vrije tijd als technisch jeugdcoördinator verbonden aan de Amsterdamse voetbalclub [naam voetbalclub] en heeft ook om die reden meer binding met Amsterdam dan de vrouw. De man heeft geen alternatieven bij ouders of vrienden en het is bijzonder lastig om in Amsterdam woonruimte te vinden.
De vrouw heeft eveneens het huurrecht van de woning verzocht. Subsidiair, voor het geval de rechtbank het huurrecht niet aan de vrouw zou willen toekennen, verzoekt zij de rechtbank het huurrecht aan geen der partijen toe te kennen.
De vrouw voert hiertoe aan dat er huiselijk geweld heeft plaatsgevonden in februari 2021 naar aanleiding waarvan zij naar haar ouders is gevlucht. Zij is daar geruime tijd gebleven maar inmiddels is zij zwervende. Zij kon de lange reisafstand fysiek en mentaal niet meer aan. Als zij ’s ochtends vroeg op haar werk moet zijn in [plaats 1] , is zij genoodzaakt een hotel te boeken. Daar komt bij dat de vrouw tijdens het huiselijk geweld door toedoen van de man haar pols heeft gebroken. Als de woning nu aan de man zou worden toegedeeld voelt dat voor haar alsof ze dubbel gestraft wordt. Hoewel de vrouw voor het huwelijk in [plaats 2] woonde kan ze daar nu geen woning krijgen omdat zij daar niet werkt en daar niet ingeschreven staat. Zij kan zich ook geen woning in [plaats 1] permitteren en de woningnood is daar volgens haar nog groter dan in Amsterdam. Zij heeft ook geen sociaal netwerk in [plaats 1] of in Amsterdam waarin ze geholpen kan worden met het vinden van onderdak en de man heeft dit wel. Tot slot is het zo dat partijen de woning enkel hebben gekregen op het inkomen van de vrouw en niet op dat van de man.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat beide partijen een groot belang hebben bij toekenning van het huurrecht van de woning. De man heeft altijd in Amsterdam gewoond en heeft zijn werk en sociale netwerk in Amsterdam. De vrouw heeft dat niet. Zij is voor de man naar Amsterdam verhuisd. Ongeacht wat er precies is gebeurd tijdens het incident dat heeft plaatsgevonden vlak voor partijen feitelijk uiteengingen, duidelijk is in elk geval dat de vrouw een moeilijke periode achter de rug heeft vanwege de gecompliceerde breuk aan haar pols, haar ongewilde terugkeer naar [plaats 2] gevolgd door de toekenning van het voorlopig gebruik van de woning aan de man in de voorlopige voorzieningenprocedure en de lange reistijd die zij dientengevolge moest ondergaan om vanuit [plaats 2] naar haar werk te komen. De vrouw heeft duidelijk gemaakt dat haar baan erg belangrijk voor haar is omdat dat haar stabiliteit en kwaliteit van leven geeft. Om deze reden heeft ook het leven uit koffers weten vol te houden. Dit betekent echter niet dat zij de rechtbank om genoegdoening kan verzoeken door in geen geval het huurrecht aan de man toe te kennen. Daar leent deze procedure zich niet voor.
Bij het afwegen van de belangen van beide partijen neemt de rechtbank onder meer de volgende omstandigheden mee. Beide partijen hebben voor het huwelijk bij hun ouders gewoond en beide partijen hebben aangegeven dat zij niet meer naar hun ouders terug kunnen en willen keren. Beide partijen hebben een vast dienstverband en hechten aan hun baan. Het feit dat de man gedeeltelijk thuis moet werken acht de rechtbank niet doorslaggevend. Thuiswerken kan immers overal. Wat echter wel een verschil maakt is het sociale netwerk van partijen. De man heeft zijn sociale netwerk in Amsterdam en de vrouw (via haar familie) in [plaats 2] . Nu de reistijd tussen [plaats 2] en [plaats 1] vier uur per dag is, hetgeen op de langere termijn niet valt vol te houden voor de vrouw, neemt de rechtbank in haar oordeelsvorming mee dat het gelet op zijn netwerk voor de man makkelijker zou moeten zijn om een nieuwe woonplek in Amsterdam te vinden dan voor de vrouw om een nieuwe woonplek in Amsterdam of [plaats 1] te vinden. Het feit dat toekenning van het huurrecht aan de vrouw wellicht voor de man betekent dat hij op zijn beurt een periode uit de koffer zal moeten gaan leven maakt het vorenstaande niet anders. De vrouw is ook ruim een jaar bij haar ouders en op andere plekken verbleven. Het leed van de woningnood wordt daarmee enigszins tussen beide partijen verdeeld. De rechtbank zal de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking nog vier weken extra de tijd geven om elders onderdak te vinden.
Verdeling
De man heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door hem voorgestelde wijze.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna meer dan één nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag. In dat geval kan ingevolge de hoofdregel van artikel 15, lid 2 van het Verdrag geen aanknoping worden gezocht bij een van die nationaliteiten.
Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.
Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
Dit recht is daarop nog steeds van toepassing. Met inachtneming van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt.
Partijen zijn gehuwd in een beperkte gemeenschap van goederen die ingevolge 1:100 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bij helfte dient te worden verdeeld.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:99, lid 1, sub b van het BW wordt deze gemeenschap van goederen van rechtswege ontbonden op het moment van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding. In deze zaak is het verzoekschrift ingediend op 14 juli 2021. Daarom geldt die datum als peildatum voor de omvang en samenstelling van de goederengemeenschap.
Voor wat betreft de waarde van de vermogensbestanddelen zal ten aanzien van de schulden en de banksaldi worden uitgegaan van de waarde per de peildatum en ten aanzien van de overige vermogensbestanddelen van de waarde op het moment van de feitelijke verdeling dan wel een datum gelegen zo dicht mogelijk bij dat moment, derhalve de datum van deze beschikking. Voor zover aan de orde wordt hierover per bestanddeel nader overwogen.
Omvang en samenstelling gemeenschap
Uit het vorenstaande volgt dat gekeken moet worden naar de vermogensbestanddelen die op de peildatum van 14 juli 2021 aanwezig waren. Partijen hebben de verdeling van de navolgende vermogensbestanddelen aan de rechtbank voorgelegd:
-
inboedel;
-
Volkswagen Golf 7 met kenteken [kenteken] op naam van de vrouw;
-
fotoalbum van de man en trouwfoto’s.
De vrouw heeft een inboedellijst op gesteld en heeft daarbij onderbouwd met stukken aan de afzonderlijke bestanddelen waardes toegekend. De totale waarde van de inboedel bedraagt volgens haar € 11.755,-. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij aangegeven dat zij de inboedel met veel zorg heeft uitgekozen en dat het is afgestemd op de sfeer en de afmetingen van de woning. Indien haar het huurrecht van de woning zal worden toegekend is zij bereid de inboedel te behouden en de helft van het bedrag van € 11.755,- , zijnde € 5.878,- aan de man te betalen. Indien de man de waarde van de inboedel betwist, dan stelt de vrouw voor een contra-expertise door een erkende taxateur te laten verrichten en de man te veroordelen tot betaling van de kosten hiervan.
De man voert verweer en stelt dat hij geen behoefte heeft aan de meeste van de door de vrouw aan hem toegedeelde inboedelgoederen. Voorts wordt de door de vrouw aan de boedelbestanddelen toegekende waardes door hem betwist. Hij verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek te bepalen dat partijen de inboedel bij helfte verdelen door om beurten een goed uit de inboedel te kiezen waarbij de vrouw als eerste mag kiezen danwel dat partijen de inboedel dienen te verkopen en de opbrengst bij helfte dienen te verdelen.
Omdat de vrouw de goederen waarvan in de voorlopige voorzieningenprocedure is bepaald dat die aan haar toekomen, nog steeds niet heeft opgehaald, ziet de man zich genoodzaakt om de rechtbank tevens te verzoeken te bepalen dat indien de vrouw inboedelgoederen toegedeeld wenst te krijgen maar de aan haar toegedeelde goederen niet binnen vier weken ophaalt, zij deze goederen aan de man verbeurt.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu de vrouw het huurrecht van de woning zal worden toegekend zal de rechtbank tevens de inboedel aan de vrouw toedelen onder de verplichting van de vrouw een bedrag van € 5.878,- aan de man te betalen.
Volkswagen Golf 7
Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort een Volkswagen Golf 7 met kenteken [kenteken] op naam van de vrouw. Partijen zijn het erover eens dat de Golf zal worden toegedeeld aan de vrouw tegen een bedrag van € 4.000,- zodat de vrouw de man terzake een bedrag van € 2.000,- dient te vergoeden.
Fotoalbum en trouwfoto’s
Tot de te verdelen boedelbestanddelen behoort een album met trouwfoto’s en een album dat de vrouw voor de man heeft gemaakt en aan hem heeft geschonken. Nu de vrouw heeft aangegeven dat het album met trouwfoto’s, de digitale bestanden ervan en het album dat de vrouw voor de man heeft gemaakt allemaal heeft vernietigd, heeft de man zich genoodzaakt gezien zijn verzoeken terzake in te trekken. De rechtbank hoeft op dit punt derhalve geen beslissing meer te nemen.
Verklaring voor recht
De man verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat partijen over en weer niets meer te verdelen hebben en niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van de huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw voert geen verweer.
De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij zijn overeengekomen dat ieder de eigen bankrekening(en) behoudt en dat de saldi van de bankrekeningen zijn verdeeld. Voorts hebben partijen aangegeven dat er voor zover hun bekend geen schulden zijn waarvoor de draagplicht moet worden vastgesteld en dat er ook geen andere bezittingen die voor verdeling in aanmerking komen. Nu partijen het erover eens zijn dat met het bovenstaande de gemeenschap van goederen is verdeeld en dat zij te dier zake niets meer van elkaar te vorderen hebben, is het verzoek van de man toewijsbaar. De rechtbank zal voor recht verklaren dat partijen over en weer niets meer te verdelen hebben en niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van de huwelijksgoederengemeenschap.
3 De beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Wassenaar op 25 juni 2018;
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] Amsterdam met ingang van de dag vier weken na de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
deelt de gehele inboedel aan de vrouw toe onder de verplichting van de vrouw de man terzake een bedrag van € 5.878,- te voldoen;
deelt de Volkswagen Golf 7 met kenteken [kenteken] op naam van de vrouw aan de vrouw toe onder de verplichting van de vrouw de man terzake een bedrag van € 2.000,- te voldoen;
verklaart voor recht dat partijen de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen hebben verdeeld en te dier zake niets meer van elkaar te vorderen hebben;
verklaart de beslissing met betrekking tot het huurrecht van de woning en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Overmars op 25 mei 2022. |
||
|
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt. |
||