Verbintenissenrecht
Overeenkomst van opdracht. Urenspecificatie.
Rechtbank Amsterdam, 6 november 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:7011 · Rechtbank Amsterdam · 6 november 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2023-7011
Zaakgegevens
Op 6 november 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 november 2023
- Datum publicatie
- 6 november 2023
- Zaaknummer
- 10618112 \ CV EXPL 23-10004
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:7011
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Overeenkomst van opdracht. Urenspecificatie.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10618112 \ CV EXPL 23-10004
Vonnis van 17 november 2023
in de zaak van
[eiser] ,
handelend onder de naam [bedrijf 1] ,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: D. van der Horst,
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [bedrijf 2] ,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 6 juli 2023;
-
het verweer van 27 juli 2023;
-
het tussenvonnis van 10 augustus 2023.
De kantonrechter heeft de zaak mondeling behandeld op 16 oktober 2023, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Hoewel [gedaagde] behoorlijk was opgeroepen is hij, zonder bericht, niet verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] heeft een onderneming die stands voor beurzen opbouwt en afbouwt. [eiser] heeft in december 2022 en januari 2023 werkzaamheden voor hem verricht voor een afgesproken tarief van € 35,00 exclusief omzetbelasting per uur en benzinekosten gemaakt.
In totaal heeft [eiser] € 13.001,49 in rekening gebracht. Hij heeft daarvoor tussen 23 december 2022 en 26 januari 2023 facturen gestuurd. Vanwege discussies over de gewerkte uren heeft hij daarop dertien uur, dus € 550,55 inclusief omzetbelasting, in mindering gebracht.
Met e-mails van 15 maart, 24 maart, 5 april en 18 april 2023 heeft [eiser] aangemaand het resterende bedrag van € 12.450,94 te betalen. Dat is niet gebeurd.
3 Het geschil
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 13.453,97 inclusief omzetbelasting, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 12.450,94 vanaf 1 juli 2023, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.
[eiser] baseert deze vordering op het genoemde bedrag van € 12.450,94, vermeerderd met € 103,55 aan wettelijke handelsrente en € 899,51 aan buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat de gewerkte uren niet kloppen en dat [eiser] tijdens het werk heeft geprobeerd gereedschap te stelen, waardoor hij een klant is kwijtgeraakt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat [eiser] voor [gedaagde] heeft gewerkt en dat daarvoor € 35,00 exclusief omzetbelasting per uur was afgesproken. Hij heeft de gewerkte uren gespecificeerd in het boekhoudsysteem Moneybird.
[gedaagde] heeft daar alleen tegenover gesteld dat [eiser] gemakzuchtig uren heeft ingediend, vaak te laat is begonnen, veel pauzes heeft genomen en vaak heeft getelefoneerd tijdens het werk. De kantonrechter vindt dat verweer te vaag. [gedaagde] had nauwkeuriger moeten aangeven welke uren hij om welke reden betwist. De kantonrechter oordeelt daarom dat het totaalbedrag van € 12.450,94 juist is.
Verder heeft [gedaagde] gesteld dat [eiser] bij een opdracht in Lyon een tasje met gereedschap zou hebben willen stelen. [eiser] ontkent dat. De kantonrechter vindt daarom dat [gedaagde] precies had moeten uitleggen wat er is gebeurd en waarom hij daardoor niet hoeft te betalen. Dat heeft hij niet gedaan.
Ten slotte zou [gedaagde] hebben gezegd dat betaling soms langer kan duren. Vanaf september 2023 zou hij weer kunnen betalen omdat dan de beurzen weer opengaan. De kantonrechter ziet hierin geen reden om de vorderingen af te wijzen. [eiser] is namelijk nooit met latere betaling akkoord gegaan.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is van toepassing. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De gevorderde vergoeding is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom zal € 899,51 worden toegewezen.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
|
- hoofdsom |
€ |
12.450,94 |
|
|
- buitengerechtelijke incassokosten |
€ |
899,51 |
+ |
|
totaal |
€ |
13.350,45 |
Aangezien beide partijen handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf is [gedaagde] de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd. De ingangsdatum is dertig dagen na ontvangst van de facturen van [eiser] . Nu [eiser] alleen rente heeft gevorderd vanaf 1 juli 2023 zal de rente vanaf die datum worden toegewezen.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten en de na dit proces ontstane kosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
106,73 |
|
|
- griffierecht |
€ |
693,00 |
|
|
- informatiekosten |
€ |
3,82 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
792,00 |
(2 punten × € 396,00) |
|
totaal |
€ |
1.595,55 |
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 13.350,45, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek over € 12.450,94 met ingang van 1 juli 2023;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 1.595,55;
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 132,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de explootkosten als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en het vonnis vervolgens is betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2023.