Verbintenissenrecht

Eiseres niet ontvankelijk. Besluit bestuursorgaan heeft formele rechtskracht. Geen sprake van omstandigheden…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
14 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/443017 / HA ZA 25-688 (E)
Procedure
Bodemzaak
Advocaat
mr. R.H.M. Sipman, mr. L.W. Tellegen
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:9973
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eiseres niet ontvankelijk. Besluit bestuursorgaan heeft formele rechtskracht. Geen sprake van omstandigheden die een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/443017 / HA ZA 25-688

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEHA SLEEUWIJK B.V.,

gevestigd te Sleeuwijk,

eisende partij,

hierna te noemen: GeHa,

advocaat: mr. R.H.M. Sipman,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ALTENA,

gevestigd te Almkerk,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. L.W. Tellegen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 maart 2026 en de daarin genoemde stukken,

- de brief van mr. R.H.M. Sipman van 12 augustus 2026 met bijlagen,

- de akte van GeHa,

- de antwoordakte van de gemeente,

- de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen

zijn gemaakt,

- de spreekaantekeningen van mr. L.W. Tellegen en mr. D.P.M. Gast, zoals deze zijn

overgelegd en voorgedragen op de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Artikel 2 lid 1 onder a Winkeltijdenwet (Wtw) bevat een verbod om een winkel voor het publiek geopend te hebben op zondag.

De gemeenteraad kan bij verordening op grond van artikel 3 lid 1 Wtw vrijstelling verlenen van het verbod op zondagsopenstelling en op grond van artikel 3 lid 2 Wtw aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verlenen om in de gevallen, in de verordening aan te wijzen, op aanvraag ontheffing van het verbod te verlenen.

2.2.

In 2020 heeft de gemeenteraad van Altena gebruik gemaakt van haar bevoegdheid op grond van artikel 3 Wtw door middel van de Verordening winkeltijden Altena 2020 (hierna: de Verordening).

Op grond van artikel 3 van de Verordening mogen winkels gevestigd in de vesting van [plaats] op zondagen tussen 12.00 en 17.00 uur geopend zijn. Ook zijn bepaalde winkels van het verbod op zondagsopenstelling vrijgesteld.

Op grond van artikel 4 van de Verordening kunnen de burgemeester en de wethouders van de gemeente (hierna: het college van B&W) op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod op zondagsopenstelling ten behoeve van bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard of het uitstallen van goederen. De ontheffing kan uitsluitend worden verleend in geval van feestelijkheden, bijeenkomsten, veilingen en beurzen, kunstateliers en galeries. De ontheffing kan worden geweigerd als de woon- en leefsituatie of de openbare orde in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van de winkel op basis van de ontheffing.

2.3.

GeHa is eigenaresse van een filiaal van een Albert Heijn-supermarkt aan [adres] . De supermarkt valt niet onder de vrijstelling van de Verordening en mag daarom op zondagen niet geopend zijn voor het publiek.

2.4.

Op 29 november 2023 heeft GeHa bij het college van B&W ontheffing van het verbod op zondagsopenstelling ten behoeve van haar supermarkt aangevraagd. GeHa wil dat haar supermarkt voor onbepaalde tijd op zondagen open mag zijn.

2.5.

Bij besluit van 19 maart 2024 heeft het college van B&W de aangevraagde ontheffing geweigerd. GeHa heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 oktober 2024 heeft het college van B&W het bezwaar van GeHa ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft GeHa beroep in gesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).

2.6.

Op 6 mei 2026 heeft het CBb na beoordeling van de standpunten van GeHa en het college van B&W geconcludeerd als volgt:

“Naar het oordeel van het College heeft het college van b en w het verzoek van de supermarkt om een ontheffing terecht afgewezen omdat de Verordening winkeltijden het college van b en w daartoe geen bevoegdheid geeft. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”.

In zijn daarop volgende beslissing heeft het CBb het beroep van GeHa ongegrond verklaard.

3 Het geschil

3.1.

GeHa vordert, samengevat:

1. een verklaring voor recht dat de Verordening is vastgesteld in strijd met de Dienstenrichtlijn,

2. een gebod voor de gemeente om de Verordening aan te passen, zodat de winkeltijden in overeenstemming zijn met de Dienstenrichtlijn,

3. een veroordeling van de gemeente in de proceskosten, vermeerderd met rente.

3.2.

GeHa legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Verordening in strijd is met EU-recht, meer in het bijzonder de Dienstenrichtlijn, en dat de gemeente door het vaststellen van die Verordening onrechtmatig heeft gehandeld. Zolang de Verordening ongewijzigd in stand blijft, wordt zij in haar bedrijfsvoering beperkt en lijdt zij schade in de vorm van omzetderving.

3.3.

De gemeente voert verweer en concludeert GeHa in haar vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans die vorderingen af te wijzen en GeHa te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met rente.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover nodig, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

GeHa wil met deze procedure uiteindelijk bereiken dat haar supermarkt op zondagen open mag zijn voor het publiek. GeHa stelt dat als de – in haar visie – onrechtmatige Verordening in overeenstemming wordt gebracht met de Dienstenrichtlijn, er een politieke discussie op gang zal komen en door de gemeente een andere politiek bestuurlijke afweging zal worden gemaakt. GeHa verwacht dat die erin zal resulteren dat haar supermarkt op zondagen voortaan geopend mag zijn.

Ontvankelijkheid

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat GeHa in haar vorderingen niet kan worden ontvangen op grond van het volgende.

4.3.

Net als de inzet van onderhavige procedure, was de inzet van GeHa van de bestuursrechtelijke procedure dat haar supermarkt op zondagen geopend mag zijn. Of dat terecht is geweigerd door (het college van B&W van) de gemeente, is in de bestuursrechtelijke procedure getoetst. In hoogste instantie is geoordeeld dat (de beslissing op bezwaar tegen) het weigeringsbesluit terecht is genomen en daarmee dat de supermarkt van GeHa terecht niet open mag op zondagen. Het besluit heeft daarmee, zo stelt de gemeente terecht, formele rechtskracht gekregen. Dit betekent dat in deze procedure er in beginsel van moet worden uitgegaan dat het besluit zowel wat de wijze van tot stand komen als wat de inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en de algemene rechtsbeginselen. De gedachte achter deze regel is dat een doelmatige taakverdeling tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter geboden is. Als uitgangspunt daarbij geldt dat de beslissing over de vraag of het overheidsbesluit tegenover een belanghebbende onrechtmatig is, in een bestuursrechtelijke procedure wordt genomen. Dit uitgangspunt brengt met zich, dat de formele rechtskracht van een besluit eraan in de weg staat dat de burgerlijke rechter onrechtmatigheid van het besluit aan zijn beslissing ten grondslag legt indien dat besluit niet is vernietigd door de bestuursrechter of niet door het bestuursorgaan is ingetrokken of herroepen. Op het beginsel van formele rechtskracht kan slechts in zeer klemmende gevallen een uitzondering worden gemaakt. Met het aanvaarden van zo’n uitzondering moet, gelet op de zwaarwegende belangen die het beginsel van formele rechtskracht dient, terughoudend worden omgegaan.

4.4.

De argumenten die GeHa aanvoert waarom – in haar visie – de Verordening in strijd is met hogere regelgeving en daarom aangepast moet worden, zien op de inhoud, dan wel de wijze van totstandkoming van het besluit tot weigering van de aangevraagde ontheffing. GeHa heeft deze argumenten al in de bestuursrechtelijke procedure naar voren gebracht, althans zij had die argumenten in die procedure naar voren kunnen en moeten brengen. Hieraan ontkomt GeHa niet door in deze procedure een aanpassing van de Verordening (hetgeen – zo stelt GeHa terecht – in een bestuursrechtelijke procedure niet rechtstreeks kan worden afgedwongen) te vorderen. Temeer niet, omdat GeHa met de onderhavige procedure niet een ander resultaat wil bereiken dan zij via de bestuursrechtelijke weg had kunnen realiseren. Met het oog op de wettelijke verdeling van rechterlijke bevoegdheid is het niet aan de burgerlijke rechter om (alsnog of opnieuw) te oordelen over argumenten die thuishoren (in de met voldoende waarborgen omklede rechtsgang) bij de bestuursrechter. GeHa heeft geen omstandigheden aangevoerd die een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen.

Proceskosten

4.5.

GeHa wordt niet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen. Zij is daarmee in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht

€

714,00

- salaris advocaat

€

1.632,50

(2,5 punten × € 653,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.535,50

4.6.

De door de gemeente gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten en de uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt als niet weersproken toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart GeHa niet-ontvankelijk in haar vordering,

5.2.

veroordeelt GeHa in de proceskosten van € 2.535,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als GeHa niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt GeHa tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Goedegebuur en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7774, NJ 2006/93.