Verbintenissenrecht

Consumentenrecht; geneeskundige behandelingsovereenkomst; prijsbeding niet-transparant; oneerlijk beding…

Rechtbank Amsterdam, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
11 oktober 2026
Zaaknummer
12211696 \ CV EXPL 26-6349
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10003
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Consumentenrecht; geneeskundige behandelingsovereenkomst; prijsbeding niet-transparant; oneerlijk beding; overeenkomst kan niet in stand blijven.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12211696 \ CV EXPL 26-6349

Vonnis van 15 oktober 2026

in de zaak van:

NIJ GEERTGEN CENTRUM VOOR VRUCHTBAARHEID B.V.,

gevestigd te Elsendorp, gemeente Gemert-Bakel,

eiseres,

hierna te noemen: Nij Geertgen,

gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met bijlagen van 23 april 2026 van Nij Geertgen;

- het proces-verbaal van de mondeling genomen conclusie van antwoord met bijlagen van [gedaagde];

- het tussenvonnis van 28 mei 2026, waarin is bepaald dat partijen schriftelijk zullen voortprocederen;

- de conclusie van repliek van Nij Geertgen;

- de conclusie van dupliek van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Nij Geertgen heeft in de periode tussen 4 tot en met 8 december 2025 zorg verleend aan [gedaagde] in het kader van een fertiliteitsbehandeling. Deze behandeling is verricht in de behandelruimte van Nij Geertgen. Partijen hebben de behandelingsovereenkomst mondeling met elkaar gesloten. Op de behandelingsovereenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing.

2.2.

Nij Geertgen heeft € 247,51 aan behandelingskosten in rekening gebracht bij [gedaagde] en hiervoor op 8 december 2025 een factuur gestuurd. [gedaagde] heeft de factuur onbetaald gelaten.

2.3.

Nij Geertgen heeft op 24 december 2025 en 9 januari 2026 betalingsherinneringen gestuurd aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft daarop niet gereageerd met een betaling, maar om een betalingsregeling verzocht. Die heeft Nij Geertgen niet geaccepteerd. Op 26 januari 2026 heeft Nij Geertgen de zogenoemde ‘veertiendagenbrief’ verzonden aan [gedaagde], in welke brief [gedaagde] erop is gewezen dat bij het uitblijven van betaling buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 40,- in rekening zouden worden gebracht. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

3 Het geschil

3.1.

Nij Geertgen vordert – samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 290,72, bestaande uit de openstaande hoofdsom, reeds verschenen wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Nij Geertgen vordert voorts dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum der dagvaarding, en met een proceskostenveroordeling.

3.2.

Nij Geertgen legt aan haar vorderingen ten grondslag dat partijen mondeling een geneeskundige behandelingsovereenkomst hebben gesloten en dat [gedaagde] haar daaruit voortvloeiende betalingsverplichting niet is nagekomen. Aangezien Nij Geertgen een incassobureau in de arm heeft moeten nemen om haar vordering te proberen te verhalen op [gedaagde], moet [gedaagde] de daarmee gemoeide buitengerechtelijke incassokosten eveneens vergoeden.

3.3.

[gedaagde] betwist de vorderingen van Nij Geertgen. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat Nij Geertgen haar voorafgaande aan de behandeling niet heeft geïnformeerd over de daarmee gemoeide kosten. [gedaagde] heeft destijds van haar zorgverzekeraar te horen gekregen dat haar eigen bijdrage € 192,- zou omvatten, maar Nij Geertgen heeft hogere kosten in rekening gebracht. De bijkomende juridische kosten zijn evenmin verschuldigd volgens [gedaagde]. [gedaagde] is in haar optiek wel iéts verschuldigd aan Nij Geertgen voor de gemaakte behandelingskosten, maar in ieder geval niet het bedrag dat Nij Geertgen nu vordert.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ambtshalve toetsing

4.1.

De onderhavige behandelingsovereenkomst is gesloten tussen een handelaar (Nij Geertgen) en een consument ([gedaagde]). In dat geval moet ambtshalve, dus ook als dat niet door partijen wordt gevraagd, worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.

Informatieplicht

4.2.

Omdat het in deze zaak gaat om een overeenkomst van gezondheidszorg in de zin van artikel 6:230h lid 2 sub d BW juncto artikel 3 sub a Richtlijn 2011/24/EU betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg, komt de kantonrechter op dit punt niet toe aan een (ambtshalve) toetsing.

Ambtshalve toetsen - kernbeding

4.3.

De kantonrechter moet onderzoeken of de behandelingsovereenkomst oneerlijke bedingen bevat in de zin van Richtlijn 93/11/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn).

4.4.

Op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn dienen kernbedingen alleen (ambtshalve) aan de Richtlijn te worden getoetst, indien deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. De prijsafspraak voor de behandeling van [gedaagde] is een prijsbeding, wat maakt dat die afspraak het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst (en daarmee een kernbeding) vormt. Gesteld noch gebleken is dat over dit beding afzonderlijk is onderhandeld.

4.5.

De kantonrechter overweegt dat het prijsbeding voor de behandelingsovereenkomst niet transparant is. Nij Geertgen heeft niet gesteld welke tarieven zij hanteert en op grond waarvan. Zo is niet gesteld dat de in rekening gebrachte behandelingskosten zijn gebaseerd op vaste tarieven als vastgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en om welke tarieven het dan zou gaan. Het is daarom (des te meer) van belang dat een consument voorafgaande aan een behandeling kennis moet kunnen nemen van de toepasselijke tarieven, omdat de consument de economische gevolgen van de behandelingsovereenkomst anders niet (goed) kan inschatten. Voorts heeft Nij Geertgen tegenover de betwisting door [gedaagde] geenszins onderbouwd dat de kosten of een weergave daarvan vóór de behandeling aan [gedaagde] zijn voorgehouden, en ook niet welke (kosten)posten precies onder de prijsafspraak vallen. Het enkel stellen door Nij Geertgen dat voorafgaand aan de behandeling voor [gedaagde] bekend was wat de prijs voor de behandeling was, is onvoldoende voor het oordeel dat de prijsafspraak tussen partijen transparant was.

Oneerlijk beding?

4.6.

Nu de kantonrechter heeft geoordeeld dat het prijsbeding voor de behandelingsovereenkomst niet transparant is, moet vervolgens worden beoordeeld of het prijsbeding oneerlijk is. Het enkele feit dat het beding niet transparant is, betekent namelijk nog niet direct dat die bepaling oneerlijk is, maar speelt daarbij wel een rol. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn moet worden nagegaan of het prijsbeding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.

4.7.

Op basis van het procesdossier overweegt de kantonrechter dat de behandelingskosten niet van tevoren aan [gedaagde] bekend zijn gemaakt, waardoor de handelaar (Nij Geertgen) de mogelijkheid is gelaten om na de behandeling een tarief naar eigen keuze in rekening te brengen bij de consument ([gedaagde]). Daarmee kan de consument (dus) niet eenvoudig de economische gevolgen van een behandeling op voorhand inschatten. Voorts valt niet uit te sluiten dat de consument nadien geconfronteerd wordt met een tarief waarmee zij niet akkoord was gegaan, indien zij daarvan vooraf op de hoogte was geweest. Daarom is sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen ten nadele van [gedaagde]. Het prijsbeding is dus oneerlijk.

Consequentie van de oneerlijkheid van het beding

4.8.

De oneerlijkheid van het prijsbeding leidt ertoe dat [gedaagde] daar niet aan is gebonden. Als gevolg hiervan kan de geneeskundige behandelingsovereenkomst niet blijven voortbestaan, omdat zij een overeenkomst van opdracht vormt en een dergelijke overeenkomst niet kan bestaan zonder ‘loon’ in de zin van artikel 7:405 lid 1 BW.

4.9.

Het niet-voortbestaan van de overeenkomst lijkt geen uiterst nadelige gevolgen te hebben voor [gedaagde], waardoor geen noodzaak bestaat tot het verhelpen van de vernietiging van het prijsbeding door het te vervangen voor een bepaling van aanvullend recht of een bepaling waarover partijen het eens zijn dat het moet worden toegepast. Uitgangspunt is dat [gedaagde] bevrijd is haar betalingsverplichting jegens Nij Geertgen, omdat het prijsbeding waarop de vordering is gegrond oneerlijk wordt bevonden en [gedaagde] op die grond niet daaraan gebonden is.

4.10.

Nu het, vanwege het oneerlijke prijsbeding, niet redelijk zou zijn wanneer Nij Geertgen op grond van ongedaanmaking (artikel 6:203 lid 3 jo. 6:210 lid 2 BW), dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) alsnog een (schade)vergoeding zou kunnen vragen, wordt opgemerkt dat de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van de Richtlijn – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komt wanneer Nij Geertgen alsnog een vergoeding voor haar diensten zou kunnen krijgen, terwijl zij een oneerlijk prijsbeding hanteert.

Conclusie

4.11.

Op basis van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat de vordering van Nij Geertgen tot betaling van € 247,51 moet worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de daarover gevorderde (en reeds verschenen) wettelijke rente.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.12.

Nu de hoofdvordering van Nij Geertgen wordt afgewezen, kan Nij Geertgen geen aanspraak maken op betaling van de buitengerechtelijke incassokosten door [gedaagde]. Haar vordering wordt daarom ook op dit punt afgewezen.

Proceskosten

4.13.

Nij Geertgen is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op nihil, aangezien geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet heeft gesteld (nadere) kosten te hebben gemaakt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van Nij Geertgen af;

5.2.

veroordeelt Nij Geertgen in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. J.E.F. Chel.

HvJ EU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14, rov. 37. HvJ EU 3 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:820, rov. 49. HvJ EU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14, rov. 68.