Verbintenissenrecht

Huurovereenkomst camper; vordering eisers tot terugbetaling van de huursom; een van de eisers is…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Tilburg
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
11968395 \ CV EXPL 25-5838 (E)
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10030
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Huurovereenkomst camper; vordering eisers tot terugbetaling van de huursom; een van de eisers is niet-ontvankelijk, omdat zij niet heeft gesteld dat zij partij is bij de huurovereenkomst; vordering van andere eiser afgewezen, omdat hij een vervangende camper heeft gekregen en geen schade heeft geleden

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 11968395 \ CV EXPL 25-5838

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

1 [eiser] ,

te [plaats 1] ,
2. [eiseres],

te [plaats 1] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

[eiser] heeft via het [platform] een camper gehuurd, die eigendom is van [gedaagde] . [eisers] zijn gestrand met de camper. [eisers] hebben hun vakantie voortgezet met een vervangende camper. [eisers] willen dat [gedaagde] de huursom terugbetaalt. De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. [eiser] is wel ontvankelijk in zijn vorderingen, maar de kantonrechter wijst zijn vorderingen af. De kantonrechter legt dit oordeel hierna uit.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 oktober 2025 met de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord van 19 november 2025 met de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van repliek van 21 januari 2026 met de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van dupliek van 18 februari 2026 met de daarin genoemde stukken,

- de akte uitlaten producties van 4 maart 2026 met de daarin genoemde stukken 2026 (door [eisers] “Repliek” genoemd).

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1.

[eiser] heeft via het [platform] een camper gehuurd. Deze camper is eigendom van [gedaagde] .

3.2.

[eiser] heeft € 3.035,00 betaald voor de huur van de camper. Voor de huurperiode is voor de camper via [platform] een verzekering afgesloten bij [verzekering] .

3.3.

Op de overeenkomst zijn de huurvoorwaarden van [platform] van toepassing verklaard. In artikel 2.6 van deze voorwaarden is bepaald dat de verhuurder aansprakelijk is voor alle schade en kosten als gevolg van het niet voldoen van het voertuig aan de door [platform] gestelde eisen. In artikel 2.9 van deze voorwaarden staat dat de verhuurder aansprakelijk is voor alle schade en kosten die voortvloeien uit het feit dat de verhuurder en/of de camper niet meer voldoet aan de door [platform] gestelde eisen. Ook staat in dit artikel dat de verhuurder de huursom naar rato moet terugbetalen, als de huurovereenkomst tussentijds wordt beëindigd door slijtage en/of slecht onderhoud. Daarnaast is in artikel 6.17 van de huurvoorwaarden opgenomen dat de verhuurder de niet-genoten huurperiode moet terugbetalen, als het voertuig strandt zonder schuld van de huurder en de verhuurder geen vervangend vervoer of verblijf aanbiedt.

3.4.

[eiser] heeft de camper op 1 augustus 2025 opgehaald. Op dat moment brandde een waarschuwingslampje voor versleten remmen. [gedaagde] heeft aangegeven dat dit geen invloed had op het rijgedrag, omdat de remmen recent gecontroleerd waren.

3.5.

Bij vertrek op 2 augustus 2025 maakte de camper ongecontroleerde rembewegingen en viel ook het motorvermogen weg. [eiser] heeft [gedaagde] hiervan op de hoogte gesteld.

3.6.

[eiser] heeft contact opgenomen met [platform] . Na overleg met [platform] is een sleepdienst gekomen, die de storing heeft uitgelezen. De camper kon niet direct worden gerepareerd.

3.7.

Via [verzekering] heeft [eiser] op 4 augustus 2025 vervangend vervoer gekregen, waarmee hij met [eiseres] de reis heeft voortgezet.

3.8.

[eiser] heeft [gedaagde] verzocht om het bedrag van € 3.035,00 terug te betalen.

3.9.

[gedaagde] heeft niet betaald.

4 Het geschil

4.1.

[eisers] vorderen - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.035,00, vermeerderd met rente en kosten.

4.2.

[eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De camper vertoonde gebreken, waardoor zij zijn gestrand. [gedaagde] heeft geen vervangend vervoer aangeboden. [gedaagde] is daarom op grond van de huurvoorwaarden verplicht om de huursom aan hen terug te betalen.

4.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] .

4.4.

[gedaagde] is van mening dat hij niet verplicht is om de huursom terug te betalen. [eisers] moeten met hun klacht bij [platform] zijn. Daarnaast was de camper niet gebrekkig. [eisers] hebben daarbij vervangend vervoer gekregen via een dagverzekering die [gedaagde] heeft afgesloten bij [platform] .

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

[eiseres] is niet-ontvankelijk in haar vorderingen

5.1.

Om de vorderingen van [eisers] inhoudelijk te kunnen beoordelen is het van belang dat zij feiten stellen, waaruit het bestaan van een vorderingsrecht blijkt. Dit houdt in dat [eisers] moeten stellen en onderbouwen dat zij partij zijn bij de huurovereenkomst. [gedaagde] heeft erop gewezen dat [eiser] de camper gehuurd heeft. Dit wordt ondersteund door het contract dat op naam van [eiser] is gesloten. [eisers] hebben naar aanleiding hiervan niet gesteld dat en op grond waarvan [eiseres] ook partij is bij de huurovereenkomst. De kantonrechter oordeelt daarom dat [eiseres] niet kan worden ontvangen in haar vorderingen, zodat zij in haar vorderingen niet-ontvankelijk wordt verklaard. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] wel inhoudelijk beoordelen.

[gedaagde] hoeft het bedrag van € 3.035,00 niet terug te betalen

5.2.

De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] tot betaling van het bedrag van € 3.035,00 door [gedaagde] af.

5.3.

[gedaagde] is namelijk op grond van artikel 2.6 en 2.9 van de voorwaarden alleen aansprakelijk voor schade of kosten als gevolg van het niet voldoen van de camper aan de door [platform] gestelde eisen. [eiser] heeft niet gesteld dat hij schade heeft geleden of extra kosten heeft gemaakt als gevolg van de problemen met de camper en/of het vervangend vervoer. [eiser] heeft uitsluitend terugbetaling van de huursom gevorderd. Uit artikel 2.9 van de voorwaarden volgt echter dat de verhuurder die huursom alleen naar rato hoeft terug te betalen, als de huurovereenkomst tussentijds wordt beëindigd door slijtage of slecht onderhoud. [eiser] heeft de overeenkomst met [gedaagde] niet beëindigd, zodat [gedaagde] niet op grond van dit artikel verplicht is om de huursom terug te betalen aan [eiser] .

5.4.

[eiser] heeft tot slot ook geen recht op terugbetaling van de huursom op grond van artikel 6.17 van de voorwaarden. [eiser] heeft namelijk vervangend vervoer gekregen. Hoewel [gedaagde] dit vervangend vervoer niet direct heeft geregeld, heeft [eiser] het vervangend vervoer wel gekregen via een verzekering die [gedaagde] als voorwaarde heeft gesteld voor de verhuur van de camper en waarvan het verzekeringscertificaat (mede) op zijn naam stond. Deze omstandigheden maken dat het beroep van [eiser] op artikel 6.17 van de voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat artikel 6.17 van de voorwaarden in dit geval niet van toepassing is.

[gedaagde] hoeft de buitengerechtelijke kosten en proceskosten niet te betalen

5.5.

Doordat [gedaagde] de huursom niet hoeft terug te betalen, worden de vorderingen van [eiser] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten ook afgewezen.

6 De beslissing

De kantonrechter

6.1.

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

6.2.

wijst de vorderingen van [eiser] af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.