Verbintenissenrecht
Onbetaald gebleven facturen voor verbouwingswerkzaamheden. Bestuurders van inmiddels failliete vennootschap…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10283 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbzwb-2026-10283
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/443937 / HA ZA 26-34 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.B.A. Alkema, mr. R.G.A. Luinstra
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10283
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onbetaald gebleven facturen voor verbouwingswerkzaamheden. Bestuurders van inmiddels failliete vennootschap worden aangesproken tot betaling. Onvoldoende gesteld dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/443937 / HA ZA 26-34
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
BOUWBEDRIJF LYMBOUW B.V.,
te Breda,
eisende partij,
hierna te noemen: Lymbouw,
advocaat: mr. M.B.A. Alkema,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] B.V.,
te [plaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
3. [gedaagde 3],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
4. [gedaagde 4] B.V.,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. R.G.A. Luinstra.
1 De zaak in het kort
[gedaagde 1] en [gedaagde 3] kregen het plan een horecagelegenheid te gaan exploiteren in een groot horecapand aan de grote markt in [plaats 2] dat enkele jaren leeg had gestaan. Daartoe moesten zij financiering verkrijgen ten behoeve van noodzakelijke verbouwings- en inrichtingswerkzaamheden in het pand. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben holdingvennootschappen opgericht die bestuurder werden van de werkmaatschappij [handelsnaam] . [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben gedurende het jaar 2022 al contacten gehad met Lymbouw ten behoeve van de verbouwing en daarbij begrotingen gehad. Na financiering te hebben verkregen is [handelsnaam] het pand per 1 januari 2023 gaan huren. Lymbouw was intussen vanaf medio december 2022 gestart met werkzaamheden ten behoeve van de verbouwing. Na een offerte van Lymbouw van 16 februari 2023 is op 27 februari 2023 een (gewijzigde) aannemingsovereenkomst tussen Lymbouw en [handelsnaam] gesloten. [handelsnaam] heeft facturen van Lymbouw tot 17 april 2023 betaald en de facturen van daarna onbetaald gelaten. De opening van de horecagelegenheid was op 9 juni 2023. [handelsnaam] heeft de facturen niet meer betaald en is op 24 juni 2025 failliet verklaard. Lymbouw die door [handelsnaam] onbetaald is gelaten terwijl [handelsnaam] ook geen verhaal bood, spreekt de (indirecte) bestuurders van [handelsnaam] aan op betaling op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelt in deze zaak dat de feiten en omstandigheden zoals die zich in deze zaak hebben voorgedaan niet de conclusie rechtvaardigen dat de (indirecte) bestuurders gelet op de strenge beoordelingsmaatstaf die voor hun aansprakelijkheid geldt naast [handelsnaam] aansprakelijk zijn voor betaling van de onbetaald gelaten facturen van Lymbouw.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 april 2026 met de daarin genoemde stukken;
- de akte aanvulling grondslag vorderingen van Lymbouw;
- het bericht van 28 augustus 2026 met producties 167 tot en met 171 van Lymbouw;
- de mondelinge behandeling van 8 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van mr. Alkema;
- de spreekaantekeningen van mr. Luinstra.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
Lymbouw exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met de algemene burgerlijke en utiliteitsbouw.
[gedaagde 1] is de bestuurder van [gedaagde 2] . [gedaagde 3] is de bestuurder van [gedaagde 4] . [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben op 14 juli 2022 [bedrijf 1] B.V. handelend onder de naam [handelsnaam] (hierna: [handelsnaam] ) opgericht en zijn van laatstgenoemde vennootschap ook de bestuurders.
[gedaagde 1] en [gedaagde 3] zijn door InBev benaderd om een horecaonderneming in een pand aan de [adres] te gaan exploiteren. Dit pand, waarvan InBev de hoofdhuurder was, stond al circa twee jaar leeg. [handelsnaam] is met Inbev overeengekomen het pand per 1 januari 2023 te gaan huren van InBev. Om de horecaonderneming te kunnen openen was een grote verbouwing noodzakelijk. Via interieurbouwer [bedrijf 2] is Lymbouw voor deze verbouwing benaderd.
[gedaagde 1] en [gedaagde 3] zijn vanaf februari 2022 met Lymbouw in gesprek gegaan over deze verbouwing en na de oprichting van [handelsnaam] namens die vennootschap. Aan de zijde van Lymbouw werd dit project begeleid door de heer [persoon 1] .
Op 1 juni 2022 heeft Lymbouw een eerste begroting gestuurd aan [handelsnaam] voor de verbouwing. Op het stuk is vermeld dat de begroting is opgesteld naar aanleiding van het gesprek op locatie met [persoon 2] (de directeur van Lymbouw, hierna: [persoon 2] ). Deze begroting bedroeg in totaal € 292.912,76 exclusief btw, € 354.424,44 inclusief btw. De bedragen exclusief btw zijn relevant in verband met de omstandigheid dat de btw voor [handelsnaam] aftrekbaar is. In de begroting is naast meerdere andere stelposten onder meer een stelpost van € 30.000,00 voor elektra opgenomen. Verder is aangegeven dat ten aanzien van de airco/verwarmingsinstallatie geen post is opgenomen omdat daarvoor eerst een nulmeting noodzakelijk is.
Op 7 juli 2022 heeft Lymbouw een aangepaste begroting ter hoogte van € 292.696,06 exclusief btw, € 354.162,23 inclusief btw gestuurd aan [handelsnaam] . Ook in deze begroting staan meerdere stelposten.
Op basis van de offerte van juli 2022 heeft [handelsnaam] een financiering aangevraagd en verkregen. Deze financiering (bedoeld voor de hele onderneming (interieur, verbouwing, exploitatie)) bestaat uit twee leningen van € 450.000,00 van ABN AMRO, dus in totaal € 900.000,00, en een rekening-courantfaciliteit tot € 157.000,00. Daarnaast heeft InBev een bedrag van € 150.000,00 beschikbaar gesteld voor de verbouwing. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben (al dan niet via hun holding) daar bovenop zelf een bedrag van in totaal € 475.000,00 ingebracht.
[handelsnaam] heeft op 14 december 2022 aan (onder meer) Lymbouw bericht dat de financiering voor [handelsnaam] rond was en dat zij graag de definitieve offertes wilde afstemmen en een planning wilde gaan maken. Lymbouw heeft vervolgens materialen ingekocht en is in week 2 van januari 2023 daadwerkelijk begonnen met de verbouwingswerkzaamheden.
Op 16 februari 2023 heeft Lymbouw aan [handelsnaam] een offerte toegezonden voor de verbouwingswerkzaamheden ter hoogte van € 387.953,45 exclusief btw, € 469.423,68 inclusief btw en een overeenkomst van aanneming. In de e-mail waarbij de offerte en de overeenkomst is toegezonden, staat ook dat [persoon 1] vertrekt bij Lymbouw en dat hij zijn werkzaamheden zal overdragen aan [persoon 2] van Lymbouw. Verder staat in deze e-mail:
“Helaas zal ik dit mooie project zoals vanochtend tegen [persoon 2] aangegeven niet volledig tot einde zien komen. Maar voor ik daadwerkelijk weg ben zullen de meeste contouren en alle afwerkingskeuzes wel gemaakt zijn. [persoon 2] zal ondertussen met me mee oplopen voor de volledige juiste overdracht. Maar dat komt oprecht volledig in orde. Daar hoeven jullie je geen zorgen over te maken! Ook daar zullen we nog gesprekken over hebben gezamenlijk.
(…)
-Alle stelposten zullen we gezamenlijk verder definitief invullen.
-De meters zullen per onderdeel verwerkt worden zoals ze in werkelijkheid zijn (voorbeeld, steenstrips panelen zijn door de plafond toevoeging en lambrisering nu vermeerderd. Aan de andere kant zal het smeerwerk misschien weer minder worden).
-Diverse sloopwerkzaamheden/demontage werkzaamheden rekenen we op regie af.
-Komt een verslag van de definitieve keuzes qua afwerking etc.”
De aannemingsovereenkomst is door [handelsnaam] op 27 februari 2023 ondertekend aan Lymbouw gestuurd.
Op 23 januari en 9 februari 2023 had Lymbouw de eerste twee termijnfacturen aan [handelsnaam] gestuurd. Op 30 maart 2023 heeft [handelsnaam] van Lymbouw een kostenoverzicht ontvangen van de kosten tot en met week 12 van 2023. Hieruit volgt dat een bedrag van € 290.964,08 exclusief btw aan termijnfacturen is gefactureerd en dat de stel- en verrekenposten tot dat moment voor een bedrag van € 26.239,38 exclusief btw zijn overschreden en dat voor een bedrag van € 113.496,85 exclusief btw aan meerwerk is gerealiseerd. Het betreft met name loodgieterswerk en sloopwerkzaamheden.
[handelsnaam] heeft de facturen van Lymbouw tot en met 17 april 2023 voldaan. In totaal heeft [handelsnaam] € 521.820,- exclusief btw, € 631.402,93 inclusief btw betaald aan Lymbouw (Uit productie 4 van [gedaagden] jo. productie 22 en 52 van Lymbouw blijkt dat Lymbouw van de twee als productie 22 overgelegde facturen de factuur met [nummer 1] van € 93.884,73 niet heeft verwerkt in haar overzicht in productie 52).
In de periode na 20 april 2023 tot en met 8 juni 2023 heeft Lymbouw facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 115.607,86 exclusief btw, € 139.885,51 inclusief btw. [handelsnaam] heeft deze facturen niet betaald.
Op 9 juni 2023 is de horecaonderneming [handelsnaam] geopend.
Na de opening heeft Lymbouw nog voor een totaalbedrag van € 199.551,04 exclusief btw, € 241.456,76 inclusief btw gefactureerd. [handelsnaam] heeft deze facturen niet betaald.
Per e-mail van 16 juni 2023 heeft [gedaagde 3] aan Lymbouw laten weten dat hij in gesprek wil over de meerwerkkosten. Daarnaast schrijft hij dat [handelsnaam] nogal wat onaangename verrassingen tijdens de verbouwing is tegengekomen en daardoor een uitdaging heeft rondom de liquide positie. [gedaagde 3] spreekt de verwachting uit dat het gaat lukken om dit op te lossen en wil met Lymbouw overleggen over iets meer spreiding. In reactie daarop heeft Lymbouw op 16 juni 2023 bericht dat er uiteraard een afspraak kan worden gemaakt en dat Lymbouw alle kosten ‘begin volgende week’ inzichtelijk heeft. Op 19 juni 2023 heeft Lymbouw een overzicht aan [handelsnaam] gemaild, in vervolg op het overzicht van 30 maart 2023. Daaruit blijkt onder andere van een slottermijnfactuur van € 19.397,67, van overschrijding van de stel- en verrekenposten met een bedrag van € 107.150,98 exclusief btw, € 129.652,67 inclusief btw en van meerwerk van ongeveer € 300.000,- exclusief btw (een optelling ontbreekt).
In juni 2023 heeft [handelsnaam] een debt restructurer ingeschakeld. Aan alle (neven)aannemers van [handelsnaam] , waaronder Lymbouw, is eind juli 2023 het voorstel gedaan om de nog openstaande bedragen te crediteren en de helft daarvan te factureren aan [bedrijf 3] B.V., een andere onderneming van onder meer [gedaagde 1] . Lymbouw is daar niet mee akkoord gegaan.
Op verzoek van Lymbouw heeft [handelsnaam] in september 2023 financiële stukken aan (de advocaat van) Lymbouw verstrekt.
Op 2 oktober 2023 heeft Lymbouw een verzoekschrift ingediend tot faillietverklaring van [handelsnaam] . [handelsnaam] heeft verweer gevoerd. Lymbouw heeft uiteindelijk haar verzoek ingetrokken.
Lymbouw heeft [gedaagden] bij brief van 27 november 2023 aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatige daad.
In 2024 is Lymbouw een procedure begonnen bij de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen. Bij arbitraal vonnis van 16 juni 2025 is [handelsnaam] veroordeeld tot betaling aan Lymbouw van € 479.103,51 (inclusief btw, rente en proceskosten).
Bij vonnis van 24 juni 2025 is [handelsnaam] op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard.
4 Het geschil
Lymbouw vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan Lymbouw van € 398.892,85, althans subsidiair € 131.603,50, althans meer subsidiair € 47.865,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2023, althans 2 oktober 2025 en [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.
Lymbouw legt aan de vordering - samengevat - het volgende ten grondslag. [gedaagden] hebben onrechtmatig gehandeld door namens [handelsnaam] een aannemingsovereenkomst te sluiten en aanvullende opdrachten te geven terwijl zij wisten of redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet zouden kunnen worden nagekomen en dat [handelsnaam] geen verhaal zou kunnen bieden. [gedaagden] hebben onvoldoende financiering aangetrokken om de vele aannemers te betalen en zij wisten of behoorden dit te weten bij het ondertekenen van de overeenkomst met Lymbouw op 27 februari 2023, en, subsidiair, op enkele tijdstippen daarna. Verder hadden [gedaagden] (eerder) het faillissement moeten aanvragen. Door dit niet te doen heeft Lymbouw veel extra kosten moeten maken om een arbitrageprocedure te voeren. Lymbouw heeft bij akte de grondslag van haar vorderingen aangevuld in die zin dat zij betoogt dat ook sprake is van groepsaansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek (BW).
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Lymbouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Lymbouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Lymbouw in de werkelijke kosten van deze procedure, althans de proceskosten conform het liquidatietarief.
[gedaagden] voeren - samengevat - het volgende aan. De aannemingsovereenkomst is weliswaar getekend op 27 februari 2023, maar feitelijk was de aannemingsovereenkomst al gesloten in december 2022. Medio februari 2023 werd duidelijk dat de kosten van de verbouwing zo’n € 115.000,- inclusief btw hoger zouden uitvallen dan op 7 juli 2022 door Lymbouw was begroot. Dat was een onaangename verrassing, maar dit paste nog altijd binnen de financiële kaders die [gedaagden] hadden gesteld. [gedaagden] konden niet voorzien dat gaandeweg de verbouwing tegenvallers zich opeenstapelden met alle financiële consequenties van dien. Lymbouw heeft hen van die consequenties ook niet op de hoogte gehouden. Pas op 30 maart 2023 ontving [handelsnaam] een kostenoverzicht van Lymbouw met betrekking tot de werkzaamheden tot en met week 12. Daaruit bleek dat de posten en de begroting van de overeenkomst van 27 februari 2023 fors werden overschreden. Die extra kosten kon [handelsnaam] nog wel voldoen. [gedaagden] hadden ook toen nog het vertrouwen in de exploitatie van de horecagelegenheid, waarbij de afronding van de verbouwing toen was voorzien op 18 mei 2023. Begin april 2023 is naar aanleiding van de opgelopen kosten gepoogd om extra financiering te verkrijgen. Vanaf april 2023 tot de oplevering wilde [handelsnaam] de extra kosten beheersbaar houden, maar Lymbouw heeft [handelsnaam] niet geïnformeerd dat de extra kosten zo hoog zouden oplopen tot de uiteindelijk in 3.13 en 3.15 vermelde bedragen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Groepsaansprakelijkheid (6:166 BW) en bestuurders
In haar akte heeft Lymbouw de grondslag van haar vordering aangevuld en aangevoerd dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:166 BW. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben hun persoonlijke vennootschappen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] opgericht en daarmee [handelsnaam] opgericht. Het project [handelsnaam] is door hen gezamenlijk opgezet, gefinancierd en aangestuurd. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] traden steeds gezamenlijk op en hebben met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] als bestuurders van [handelsnaam] het handelen van [handelsnaam] bewerkstelligd dan wel toegelaten, aldus Lymbouw. Volgens Lymbouw kent artikel 6:166 BW een eigen regime, waardoor de voor bestuurdersaansprakelijkheid in het kader van artikel 6:162 BW ontwikkelde drempel van een persoonlijk ernstig verwijt niet zou gelden.
De rechtbank overweegt over de voor deze zaak relevante beoordelingsmaatstaven het volgende.
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat onder bijzondere omstandigheden evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte is voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
Op grond van artikel 2:11 BW rust de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Dit artikel komt erop neer dat als het ware doorheen de rechtspersoon-bestuurder wordt gezien en dat naast de rechtspersoon ook haar bestuurders (natuurlijke personen) aansprakelijk worden in de gevallen waarin de wet de aansprakelijkheid van bestuurders regelt. Is een van die bestuurders weer een rechtspersoon, dan geldt voor die rechtspersoon hetzelfde. De bestuurder van de rechtspersoon-bestuurder die uit hoofde van de wetsbepaling waaruit de aansprakelijkheid voortvloeit een grond tot disculpatie heeft om de aanspraak af te weren, kan zich daarop beroepen.
De rechtbank oordeelt dat de hiervoor in 5.2 uiteengezette strenge maatstaf voor aansprakelijkheid van een bestuurder ook geldt voor aansprakelijkheid voor het handelen door een of meer bestuurders als onderdeel van een groep in de zin van artikel 6:166 BW. Een andere opvatting zou betekenen dat de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW omzeild kan worden door voor de aansprakelijkheid van (indirecte) bestuurders in een groep een beroep te doen op artikel 6:166 BW. Dit verdraagt zich niet met de aard van de maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid en de hierboven weergegeven rechtvaardiging voor deze hoge drempel. Zowel voor een beroep op artikel 6:166 BW als voor een beroep op artikel 6:162 BW geldt voor aansprakelijkheid van een bestuurder dan ook de eis dat de bestuurder van zijn handelen persoonlijk een ernstig verwijt treft. Een beroep op artikel 6:166 BW in een geval waarin een bestuurder naast de vennootschap aansprakelijk wordt gehouden, heeft ten opzichte van een beroep op artikel 6:162 BW dan geen toegevoegde waarde.
Hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagden] kan aan de orde zijn op grond van artikel 6:162 BW in samenhang met artikel 2:11 BW, indien aan alle relevante eisen daarvoor is voldaan. De rechtbank zal in het hiernavolgende daarom beoordelen of de bestuurders van [handelsnaam] , zijnde [gedaagde 2] en [gedaagde 4] , bepaalde concrete handelingen namens [handelsnaam] hebben verricht en hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt treft. Indien dat het geval is, dan zijn ook [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 2:11 BW, tenzij zij stellen en zo nodig bewijzen dat hen persoonlijk géén ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Bestuurdersaansprakelijkheid
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van artikel 6:162 BW kan worden aangenomen als (1) deze ten tijde van het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar daaruit voortvloeiende verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de zogenaamde Beklamel-norm) dan wel (2) de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt terwijl hij wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat dit tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
Uit de bewoordingen van Lymbouw in de dagvaarding lijkt te volgen dat zij een beroep doet op beide varianten. Lymbouw gebruikt de bewoordingen ‘bewerkstelligd of toegelaten’ namelijk meermalen. Zo stelt zij bijvoorbeeld:
“ [gedaagde 2] , [gedaagde 4] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [handelsnaam] haar verplichtingen jegens Lymbouw niet kon nakomen terwijl zij allen wisten of redelijkerwijze hadden behoren te begrijpen dat [handelsnaam] geen verhaal zou bieden voor de vorderingen van Lymbouw doordat zij allen niet ervoor hebben zorggedragen dat [handelsnaam] van voldoende financiële middelen is voorzien voordat [handelsnaam] verplichtingen aanging.
en
“ [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben opdracht gegeven terwijl zij wisten of redelijkerwijze behoorden te begrijpen dat de [handelsnaam] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben dit in die wetenschap toegelaten en hebben daarmee eveneens onrechtmatig jegens Lymbouw gehandeld.”
Het gebruik van de bewoordingen ‘bewerkstelligen en toelaten’ lijkt erop te wijzen dat Lymbouw ook de hierboven onder (2) weergegeven maatstaf aan haar vorderingen ten grondslag legt. De rechtbank gaat er gelet op de feitelijke onderbouwing van haar vorderingen echter vanuit dat Lymbouw een beroep doet op de hierboven onder (1) beschreven Beklamel-norm. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben als natuurlijke personen feitelijk de handelingen in verband met [handelsnaam] verricht, maar zij deden dit in naam van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] , de bestuurders van [handelsnaam] , en die bestuurders deden dit weer in naam van [handelsnaam] . Van ‘bewerkstellingen of toelaten’ in de zin van de hiervoor weergeven maatstaf is op grond van de stellingen van Lymbouw geen sprake. Bij het bewerkstelligen of toelaten dat een vennootschap haar betalingsverplichtingen niet nakomt of geen verhaal biedt gaat het om die gevallen waarin de vennootschap wel middelen ter voldoening van een vordering heeft maar de bestuurder door zijn handelen ervoor zorgt dat die middelen niet worden aangewend voor de voldoening van de vordering van een concrete schuldeiser. Dat kan bijvoorbeeld door die middelen aan de vennootschap te onttrekken of door een concrete schuldeiser opzettelijk niet te betalen en andere schuldeisers wel.
In het kader van de Beklamel-norm gaat het erom dat een bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verplichtingen dient na te gaan of de vennootschap redelijkerwijs geacht kan worden die verplichtingen te kunnen nakomen. Deze afweging vergt dat de bestuurder een redelijke inschatting maakt die in de regel zal inhouden dat de bestuurder de uitstaande en de te verwachten verplichtingen van de vennootschap afzet tegen de bezittingen en te verwachten inkomsten van de vennootschap. Als een bestuurder weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de vennootschap een verplichting niet zal kunnen nakomen én ook geen verhaal zal kunnen bieden, dan moet hij die verplichting niet aangaan. Doet hij dat wel, dan is hij naast de vennootschap persoonlijk aansprakelijkheid. De rechtbank overweegt dat Lymbouw onweersproken heeft gesteld dat de beide bestuurders van [handelsnaam] alles met elkaar bespraken, afstemden of van ieders handelen op de hoogte waren. Nu het uitgangspunt van de wetgever is dat een bestuur een collectief bestuur is in die zin dat iedere bestuurder voor elke bestuurshandeling verantwoordelijk is en [gedaagden] niet hebben gesteld dat zij een bijzondere taakverdeling hadden die meebracht dat de een voor bepaalde bestuurshandelingen van de ander niet aansprakelijk is, gaat de rechtbank er bij de verdere beoordeling vanuit dat iedere bestuurshandeling (daaronder mede te verstaan het nalaten van een dergelijke handeling) de verantwoordelijkheid van de beide bestuurders is.
Lymbouw stelt allereerst dat de bestuurders van [handelsnaam] bij het tekenen van de aannemingsovereenkomst op 27 februari 2023 wisten dat [handelsnaam] haar daaruit voortvloeiende financiële verplichtingen niet zou kunnen nakomen. [handelsnaam] heeft namelijk financiering aangevraagd op basis van de offerte van juli 2022 die beduidend lager was dan de offerte van 16 februari 2023, terwijl de post ‘elektra’ van € 30.000,00 uit de offerte van juli 2022 niet meer was opgenomen in de offerte van 16 februari 2023. De bestuurders van [handelsnaam] wisten daarom in februari 2023 dat zij minstens € 125.000,00 exclusief btw tekortkwamen op die financiering. Daarnaast wijst Lymbouw op een brief van de advocaat van [gedaagden] van 7 november 2025. Daarin staat onder meer dat [handelsnaam] begin maart 2023 op zoek was naar aanvullende financiering en dat zij medio maart 2023 haar betalingsverplichtingen niet meer kon voldoen. Volgens Lymbouw moet hieruit het vermoeden worden afgeleid dat de bestuurders van [handelsnaam] ook op 27 februari 2023 wisten dat [handelsnaam] haar financiële verplichtingen op grond van de overeenkomst van die datum niet zou kunnen nakomen. In ieder geval was voor de bestuurders van [handelsnaam] - gelet op de erkenningen in de brief van 7 november 2025 - begin maart 2023 dan wel medio maart 2023 duidelijk dat [handelsnaam] haar verplichtingen op grond van de overeenkomst niet zou kunnen nakomen.
[gedaagden] betwisten dat de bestuurders van [handelsnaam] bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst wisten of redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat [handelsnaam] niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou kunnen bieden. Allereerst is de aannemingsovereenkomst volgens haar al in december 2022 gesloten. Toen is Lymbouw begonnen met (de voorbereiding op) de werkzaamheden. Verder stellen [gedaagden] dat de bestuurders van [handelsnaam] weliswaar onaangenaam verrast waren door de offerte van 16 februari 2023 ter hoogte van € 387.953,45 exclusief btw, maar dat dit nog steeds viel binnen de kaders van de financiering. Om deze reden hebben zij de overeenkomst ondertekend. Anders dan in de brief van 7 november 2025 staat, is [handelsnaam] pas vanaf begin april 2023, nadat zij het overzicht van 30 maart 2023 had ontvangen, op zoek gegaan naar aanvullende financiering. Het geld was medio maart 2023 ook nog niet op. [handelsnaam] heeft de facturen van Lymbouw die verzonden zijn tot en met 17 april 2023 betaald. Op dat moment had [handelsnaam] al € 133.867,00 exclusief btw meer betaald ten opzichte van de begroting van 16 februari 2023.
De rechtbank constateert, zoals in het feitenoverzicht is vastgesteld op grond van hetgeen [gedaagden] onweersproken hebben gesteld, dat aan [handelsnaam] de volgende financiële middelen ter beschikking stonden vanaf medio december 2022 toen de financiering met de bank rond kwam. ABN AMRO heeft [handelsnaam] een financiering van € 450.000,00 verstrekt ten behoeve van de verbouwing van het pand. Daarnaast heeft ABN AMRO [handelsnaam] een financiering van € 450.000,00 verstrekt ten behoeve van de inrichting van het pand. Ook heeft ABN AMRO [handelsnaam] een rekening-courant krediet verstrekt van € 157.000,00 als combinatiefaciliteit. Voorts hebben de (indirecte) bestuurders van [handelsnaam] samen € 475.000,00 aan eigen middelen in [handelsnaam] ingebracht en zou InBev een bedrag van € 150.000,00 ten behoeve van de verbouwing van het pand bijdragen. De beschikbare financiële middelen betreffen aldus € 1.525,000,00.
ABN AMRO heeft de financiering verstrekt op basis van een ondernemingsplan met verbouwings- en inrichtingsbegroting en met een exploitatiebegroting.
Gelet op de betwisting van [gedaagden] en hetgeen de rechtbank op grond daarvan over de gestelde financiële middelen heeft vastgesteld, heeft Lymbouw onvoldoende onderbouwd gesteld dat de bestuurders van [handelsnaam] ten tijde van het aangaan van de aannemingsovereenkomst - hetzij in december 2022, hetzij na wijziging van de overeenkomst op 27 februari 2023 - wisten of redelijkerwijs behoorden te weten dat [handelsnaam] haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou kunnen bieden. De stelling van Lymbouw dat de bestuurders van [handelsnaam] door de offerte van 16 februari 2023 wisten dat [handelsnaam] minstens € 125.000,00 tekort zou komen gelet op het verschil met de offerte van 7 juli 2022 is ondeugdelijk gemotiveerd in het licht van de betwisting van [gedaagden] . Het bedrag van de offerte van 16 februari 2023, € 387.953,00 exclusief btw, is ruim lager dan het ten behoeve van de verbouwing sec beschikbaar gestelde bedrag van € 450.000,00 en het door InBev daarbovenop beschikbaar gestelde bedrag van € 150.000,00. Lymbouw heeft voorts niet, althans niet voldoende gemotiveerd feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat voor de door partijen ten behoeve van de overeenkomst van 27 februari 2023 in samenspraak opgestelde stelposten geen realistische bedragen waren vermeld of dat toen al duidelijk behoorde te zijn dat er nog aanmerkelijke extra kosten, bijvoorbeeld voor loodgieterswerkzaamheden zouden komen. Het voorgaande geldt ook voor de door Lymbouw gestelde peilmomenten begin en medio maart 2023 nu Lymbouw voor deze tijdstippen geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de bestuurders van [handelsnaam] op die tijdstippen tot andere, nieuwe inzichten behoorden te brengen ten opzichte van de situatie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op 27 februari 2023. Lymbouw heeft tot en met week 12 van 2023 werkzaamheden verricht met betrekking tot stel- en verrekenposten of meerwerk maar de extra kosten daarvan pas met een overzicht van 30 maart 2023 aan [handelsnaam] bekend gemaakt. [gedaagden] hebben voldoende gemotiveerd dat medio maart 2023 het geld evenmin ‘op’ was. Dit blijkt ook uit het feit dat de door Lymbouw verzonden facturen tot en met 17 april 2023 door [handelsnaam] zijn voldaan. Daarmee is ruimschoots méér betaald dan het bedrag van de offerte van 16 februari 2023, nu de verrichte betalingen een bedrag betroffen van € 521.820,- exclusief btw, € 631.402,93 inclusief btw.
Een volgend door Lymbouw gesteld peilmoment is 30 maart 2023. Toen is een overzicht gestuurd met daarin het meerwerk tot en met week 12. Met dit overzicht werd duidelijk dat ook de offerte van 16 februari 2023 fors werd overschreden. Lymbouw stelt dat de bestuurders van [handelsnaam] vanaf 30 maart 2023 zijn doorgegaan met het geven van meerwerkopdrachten, terwijl zij wisten dat het geld nu echt op was. Ook verwijt Lymbouw de bestuurders van [handelsnaam] dat zij niet hebben gewaarschuwd dat het geld op was, het werk niet stil hebben laten leggen en geen overleg over beperking van de schade voor Lymbouw hebben gevoerd.
Volgens [gedaagden] hadden de bestuurders van [handelsnaam] gedurende de bouw geen enkel inzicht in de tussentijdse financiële ontwikkelingen en op welke wijze de begroting van 16 februari 2023 werd overschreden. Dit werd pas voor het eerst duidelijk met het overzicht van 30 maart 2023. Toen werd ook duidelijk dat het op 16 februari 2023 door Lymbouw begrote bedrag niet toereikend zou zijn als kosten voor de gehele verbouwing. [handelsnaam] had tot dat moment aan haar financiële verplichtingen voldaan waarbij al 75% van de offerte van 16 februari 2025 was voldaan. Er waren volgens [gedaagden] voldoende financiële middelen om ook de overige 25% te kunnen voldoen, alsmede de op 30 maart 2023 bekend gemaakte extra kosten. Bovendien zou de verbouwing volgens de op dat moment beschikbare planning op 18 mei 2023 worden afgerond. [gedaagden] stellen verder dat de bestuurders van [handelsnaam] het overzicht van 30 maart 2023 enkele dagen later met Lymbouw hebben besproken en expliciet hebben aangegeven dat er geen overschrijding van het budget meer zal plaatsvinden zonder een akkoord van hen.
Om te kunnen beoordelen of de bestuurders van [handelsnaam] gelet op de Beklamel-norm persoonlijk een ernstig verwijtbaar treft van bepaalde concrete handelingen vanaf 30 maart 2023 is noodzakelijk dat Lymbouw voldoende onderbouwd stelt:
-
welke extra, nieuwe verplichtingen ten opzichte van de overeenkomst van 27 februari 2023 met de daarvan onderdeel uitmakende begroting van de kostenposten, de bestuurders van [handelsnaam] vanaf dat moment nog zijn aangegaan; met andere woorden, welke meerwerkopdrachten (inclusief wijzigingen op het punt van stelposten die een meerprijs betekenden) zij toen nog hebben gegeven;
-
welke in de overeenkomst van 27 februari 2023 met de daarvan onderdeel uitmakende begroting van de verreken- en stelposten vanaf dat moment werden overschreden (zonder dat sprake is van een bestekswijziging/meerwerkopdracht) of welke kosten voor werk in regie vanaf dat moment aan de bestuurders van [handelsnaam] bekend werden;
-
dat de bestuurders van [handelsnaam] wisten of behoorden te weten dat [handelsnaam] die aangegane verplichtingen of overschrijdingen van bij de overeenkomst van 27 februari 2023 aangegane verplichtingen niet meer zou kunnen nakomen; relevant daarbij is hoe groot die verplichtingen waren en op welk tijdstip die verplichtingen kenbaar waren of behoorden te zijn voor de bestuurders van [handelsnaam] ;
-
dat de bestuurders van [handelsnaam] ook wisten of behoorden te weten dat [handelsnaam] geen verhaal zou kunnen bieden.
Lymbouw heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die het oordeel rechtvaardigen dat de bestuurders van [handelsnaam] persoonlijk een ernstig verwijt treft. De rechtbank motiveert dat als volgt. [handelsnaam] is in de arbitrageprocedure veroordeeld tot betaling van een groot geldbedrag aan Lymbouw. Het betreft (het merendeel van de) door [handelsnaam] onbetaald gelaten facturen die Lymbouw heeft gestuurd in de periode van 20 april 2023 tot en met 8 juni 2023 voor een totaalbedrag van € 115.607,86 exclusief btw, € 139.885,51 inclusief btw en de door [handelsnaam] onbetaald gelaten facturen van na de opening op 9 juni 2023 voor een totaalbedrag van € 199.551,04 exclusief btw, € 241.456,76 inclusief btw. Deze uitspraak heeft geen gezag van gewijsde in deze zaak en daarop is - terecht - ook geen beroep gedaan door Lymbouw. De omstandigheid dat het hier om een groot onbetaald gelaten bedrag gaat brengt nog niet mee dat de bestuurders van [handelsnaam] , naast [handelsnaam] , aansprakelijk zijn voor het onbetaald en onverhaalbaar blijven van dit bedrag. Daarvoor is, zo volgt uit 5.2 t/m 5.7 hierboven, vereist dat de bestuurders van bepaalde concrete handelingen persoonlijk een ernstig verwijt treft hetgeen eisen aan de stelplicht van Lymbouw meebrengt die in 5.14 zijn vermeld. [handelsnaam] stond een aanmerkelijk bedrag aan financiële middelen ter beschikking en de bestuurders mochten bovendien op 17 april 2023 na betaling van facturen tot een aanmerkelijk bedrag verwachten dat de aanstaande exploitatie van [handelsnaam] (aanvankelijk na 18 mei 2023) winst zou genereren. Wil Lymbouw de bestuurders van [handelsnaam] persoonlijk een ernstig verwijt kunnen maken dan is vereist dat de bestuurders werkzaamheden in afwijking van de overeenkomst van 27 februari 2023 hebben opgedragen en daarbij op de hoogte waren van de vanaf 17 april 2023 nog op [handelsnaam] afkomende financiële verplichtingen, meer in het bijzonder van de omstandigheid dat het nog om grote bedragen ging bovenop de reeds verrichte betalingen en de begroting in de overeenkomst van 27 februari 2023.
De rechtbank overweegt het volgende. De rechtbank constateert dat Lymbouw weliswaar een toelichting heeft gegeven per openstaande factuur, maar dat zij daarbij op een enkele uitzondering na niet gemotiveerd stelt dat en zo ja wanneer de betreffende werkzaamheden in afwijking van de overeenkomst van 27 februari 2023 zijn opgedragen en evenmin dat op dat tijdstip voor de bestuurders van [handelsnaam] redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest (al dan niet bij benadering als duidelijk is dat een meerprijs aan de orde is) hoeveel deze werkzaamheden extra zouden gaan kosten en dat [handelsnaam] die kosten niet zou kunnen betalen en geen verhaal zou kunnen bieden. Het enkele feit dat een factuur dateert van na 17 april 2023, zegt niets over de vraag dat en zo ja wanneer de opdracht voor de werkzaamheden is gegeven. Voor zover Lymbouw wel een datum van opdracht heeft gesteld, is dit veelal een datum vóór 30 maart 2023, terwijl [handelsnaam] alle facturen tot 17 april 2023 voor een groot bedrag heeft betaald.
De rechtbank heeft nog - onverplicht - bekeken of zij meer informatie uit de vele bijgevoegde producties kan halen, maar ook hieruit blijkt meestal niet wanneer opdrachten zijn gegeven. Van een beperkt aantal facturen kan de rechtbank uit de stukken wel opmaken dat het (mogelijk) een meerwerkopdracht betreft en dat de opdracht is gegeven ná 30 maart 2023, maar die facturen betreffen samen een betrekkelijk gering bedrag, zodat deze als basis voor aansprakelijkheid ontoereikend zijn. Een voorbeeld is factuurnummer [nummer 2], de cortenstalen bekleding van de DJ booth. Uit de stukken volgt dat de bestuurders van [handelsnaam] daarvoor een offerte hebben gekregen en akkoord hebben gegeven op 11 mei 2023. Ook op de zitting hebben de bestuurders van [handelsnaam] erkend dat zij die opdracht hebben verstrekt. Het bedrag van deze factuur is € 1.649,35. Gelet op dit beperkte bedrag kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat de bestuurders van [handelsnaam] bij het verstrekken van deze opdracht wisten of redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat [handelsnaam] die betalingsverplichting niet kon nakomen en geen verhaal zou kunnen bieden.
Wat betreft de vraag omtrent de wetenschap van de bestuurders bij het aangaan van extra verplichtingen ten opzichte van de overeenkomst van 27 februari 2023 - indien wordt aangenomen dat van extra verplichtingen sprake is - overweegt de rechtbank het volgende.
Indien het bedrag van een stelpost is voorgesteld door de aannemer, zoals hier aan de orde is nu Lymbouw de offerte van 16 februari 2023 heeft opgesteld, zal de opdrachtgever erop vertrouwen dat dit bedrag een reële inschatting vormt van de voor de besteding van die stelpost benodigde uitgaven. Gelet daarop dient de aannemer de stelpost zo reëel mogelijk te begroten en de opdrachtgever voorts tijdig te waarschuwen zodra hem duidelijk wordt dat het begrote bedrag in betekenende mate ontoereikend zal zijn. Door het overeenkomen van een vaste aanneemsom beoogt de opdrachtgever zo veel mogelijk zekerheid te verkrijgen over de omvang van de met de realisering van het werk gemoeide kosten. Tegen die achtergrond zal een opdrachtgever die instemt met een door de aannemer voorgestelde stelpost, dit doen in de verwachting dat het daarvoor opgenomen bedrag een reële inschatting vormt van de benodigde kosten. De aannemer dient met deze aan de keuze voor een vaste aanneemsom inherente verwachting rekening te houden. Een zeer exacte berekening van de te verwachten kosten zal veelal niet mogelijk zijn, omdat die afhankelijk zullen zijn van nog in de toekomst gelegen keuzes of omstandigheden. In verband daarmee is van belang dat de aannemer het verloop van de uitgaven bij de besteding van een stelpost nauwlettend in de gaten houdt en tijdig aan de bel trekt wanneer hem duidelijk wordt dat het in de stelpost begrote bedrag in betekende mate dreigt te worden overschreden. Hoe eerder de opdrachtgever daarvoor gewaarschuwd wordt, hoe meer hij immers de kosten nog binnen de perken zal kunnen houden door het werkonderdeel waarvoor de stelpost is bedoeld te beperken of te vereenvoudigen, dan wel bepaalde werkzaamheden in eigen beheer te verrichten. Aangezien een exacte inschatting van de uitgaven voor een stelpost vooraf moeilijk te maken valt, is het redelijk een zekere tolerantiemarge in te bouwen zodat de aannemer alleen wanneer het in de stelpost begrote bedrag in betekenende mate dreigt te worden overschreden hoeft te waarschuwen. De reikwijdte van deze waarschuwingsplicht is mede afhankelijk van de vraag in hoeverre de opdrachtgever zelf inzicht heeft in de hoogte van de gemaakte en te maken kosten.
Op grond van artikel 7:755 BW geldt voorts dat in geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Nu het hier gaat om de bestuurders en niet om opdrachtgever [handelsnaam] is, gegeven de hier aan te leggen maatstaf, de Beklamel-norm, tevens vereist dat in het geval de aannemer geen meerwerkprijs heeft genoemd, de bestuurder niet alleen de noodzaak van een meerwerkprijs had moeten begrijpen maar ook – bij benadering – enig inzicht in de hoogte daarvan moeten hebben gehad.
[persoon 2] heeft ter zitting weliswaar desgevraagd gesteld dat er wekelijks bouwvergaderingen werden gehouden waarin van de kosten mededeling werd gedaan en dat daarvan verslagen werden gemaakt, maar [gedaagden] hebben dit betwist. Volgens hen werd er af en toe een bespreking gehouden maar werden daar geen kosten meegedeeld en is er nooit verslag opgemaakt. De rechtbank constateert dat Lymbouw geen enkel verslag in het geding heeft gebracht. Indien dergelijke verslagen wel bestaan, met daarin de vermelding van kosten, had het voor de hand gelegen dat Lymbouw daarvan in de dagvaarding melding had gemaakt en deze als productie had overgelegd. Dat is niet het geval. De omstandigheid dat Lymbouw pas na afloop van de werkzaamheden op 9 juni 2023 nog een heel groot bedrag factureert en zij op 16 juni 2023 bericht dat zij alle kosten (rechtbank: aansluitend op het kostenoverzicht van 30 maart 2023) ‘begin volgende week inzichtelijk heeft’ ondersteunt niet de stelling van Lymbouw dat zij steeds tussentijds de concrete kosten aan de bestuurders van [handelsnaam] heeft meegedeeld. Feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de bestuurders van [handelsnaam] zelf voldoende inzicht hadden in de omstandigheid dat werkzaamheden een aanmerkelijke meerwerkprijs ten opzichte van de begroting in de overeenkomst van 27 februari 2023 en de vervolgens per 30 maart 2023 vermelde meerwerkprijs zouden meebrengen, heeft Lymbouw niet, althans niet deugdelijk gemotiveerd gesteld.
In de situatie dat [handelsnaam] op 17 april 2023 een aanmerkelijk bedrag aan facturen van Lymbouw had betaald en de exploitatie aanstaande was, is het ook aan Lymbouw om feiten en omstandigheden te stellen die het oordeel rechtvaardigen dat de bestuurders van [handelsnaam] behoorden te begrijpen dat met die exploitatie geen verhaalsmogelijkheden gecreëerd konden worden. Lymbouw heeft in dat kader enkel gewezen op de financiering die is aangegaan en stelt verder in algemene zin dat er geen realistische kans was dat de uitgaven in de exploitatie zouden worden terugverdiend. Die laatste stelling heeft zij echter niet onderbouwd. Ook in dit verband is relevant of de bestuurders van [handelsnaam] op het moment van het aangaan van verplichtingen wisten hoevéél de verbouwingskosten zouden worden overschreden. Alleen bij de wetenschap van aanmerkelijke overschrijdingen, hetgeen hier zoals is overwogen niet is komen vast te staan, is de kans dat deze alsnog uit de exploitatie zouden kunnen worden voldaan mogelijk te gering.
De slotsom op grond van al het voorgaande is dat de bestuurders van [handelsnaam] niet persoonlijk een ernstig verwijt van enige bestuurshandeling treft. De primaire vordering ontbeert daarom een deugdelijke grondslag.
Overige verwijten
Lymbouw verwijt de bestuurders van [handelsnaam] verder dat zij Lymbouw hadden moeten waarschuwen dan wel de werkzaamheden stil had moeten leggen op het tijdstip waarop zij behoorden te begrijpen dat bij [handelsnaam] ‘het geld op was’. Ook voor dat verwijt geldt echter dat Lymbouw onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat de bestuurders van [handelsnaam] inzicht hadden in welke mate de nog uitgevoerde werkzaamheden niet vielen binnen de aannemingsovereenkomst en dat die werkzaamheden tot aanmerkelijke extra kosten zouden leiden die [handelsnaam] niet zou kunnen betalen en waarvoor [handelsnaam] geen verhaal zou bieden. De rechtbank verwijst hier daarom naar de bovenstaande overwegingen.
Daarnaast verwijst Lymbouw naar de uitspraak van de Hoge Raad van 24 maart 2017. Lymbouw stelt dat [gedaagden] de lege projectvennootschap [handelsnaam] van onvoldoende financiële middelen hebben voorzien. De vergelijking met deze uitspraak gaat echter niet op. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot voornoemd arrest, had [handelsnaam] de beschikking over een aanzienlijke financiering en hebben ook [gedaagden] aanmerkelijke financiële middelen in de onderneming ingebracht. Van een lege projectvennootschap was in het geval van [handelsnaam] geen sprake.
Verder stelt Lymbouw dat de bestuurders van [handelsnaam] ook onrechtmatig hebben gehandeld door in juni 2023 toezeggingen te doen dat [handelsnaam] zou betalen en door in juli 2023 aan de (mede)aannemers het voorstel te doen dat zij 50% van hun vorderingen aan een derde vennootschap, [bedrijf 3] B.V., konden factureren. Volgens Lymbouw vallen deze handelingen onder de tweede categorie ‘bewerkstelligd of toegelaten’ dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt en geen verhaal biedt. De rechtbank is echter van oordeel dat de door Lymbouw gestelde gedragingen niet vallen binnen het kader van deze norm. De rechtbank verwijst hier naar 5.6 waar zij dit nader heeft gemotiveerd. Niet valt in te zien hoe de enkele toezegging van betaling als het werk al is verricht of het aanbod om een derde een deel van de betalingsverplichtingen van [handelsnaam] te laten voldoen – welk aanbod ook aan Lymbouw is gedaan – bewerkstelligt of toelaat dat [handelsnaam] haar verplichtingen niet voldoet. Dergelijke toezeggingen of handelingen brengen namelijk geen verandering in de feitelijke financiële positie van [handelsnaam] .
Ten slotte stelt Lymbouw dat de bestuurders van [handelsnaam] subsidiair en meer subsidiair onrechtmatig hebben gehandeld door niet zelf het faillissement van [handelsnaam] aan te vragen dan wel door verweer te voeren tegen het verzoek van Lymbouw tot faillietverklaring van [handelsnaam] . Lymbouw stelt dat zij als gevolg hiervan onnodig op kosten is gejaagd doordat zij een dure en onnodig lange arbitrageprocedure heeft moeten voeren.
De rechtbank is van oordeel dat Lymbouw onvoldoende heeft gesteld dat de bestuurders van [handelsnaam] daarmee onrechtmatig hebben gehandeld en in het bijzonder dat het causaal verband tussen het gestelde handelen of nalaten van de bestuurders en de door Lymbouw gevorderde schade ontbreekt. Het verweer voeren tegen een verzoek tot faillietverklaring is niet onrechtmatig. Voorts is het Lymbouw die ervoor heeft gekozen om een dure arbitrageprocedure te voeren. Zij wist toen al – zo volgt onder meer uit randnummer 90 van de dagvaarding – dat [handelsnaam] technisch failliet was. Lymbouw heeft geen feiten gesteld die causaal verband tussen het aan de bestuurders van [handelsnaam] verweten handelen en het voeren van een arbitrageprocedure tegen [handelsnaam] aannemelijk maken.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van Lymbouw worden afgewezen. Lymbouw is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagden] vragen de rechtbank om Lymbouw in de werkelijke proceskosten te veroordelen maar hebben daar geen motivering voor gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding de proceskosten te begroten aan de hand van een ander tarief dan het toepasselijke liquidatietarief.
De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
6.861,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
7.446,00 |
(2 punten × € 3.723,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
14.496,00 |
6 De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van Lymbouw af,
veroordeelt Lymbouw in de proceskosten van € 14.496,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Lymbouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026. |
||